Back

Artikel

Home

De prijs van doorgeschoten verschuiving risico’s naar werkgevers

2 apr 2014
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
Terwijl de economische groei weer aanwakkert, de overheidsfinanciën aan de goede kant van de 3-procent-norm terecht komen en bedrijven weer investeren, blijft de werkloosheid een hardnekkig probleem. We kunnen natuurlijk rustig afwachten tot de Nederlandse economie een tijdje beter draait en de werkloosheid vanzelf afneemt. Beter is om het gevoel van urgentie dat nu rond werkloosheid bestaat te benutten om structurele verbeteringen te bedenken die de werkloosheid verlagen en de vraag naar reguliere banen verhogen. Dat kan door het verlagen van de kosten op (laaggeschoolde) arbeid, maar vooral door het verminderen van de financiële risico’s van ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werkgevers, aldus Barbara Baarsma en Arjan Heyma.

De hoge prijs van arbeid

Iemand aannemen is in Nederland zo duur geworden dat arbeid zichzelf uit de markt prijst en wordt vervangen door machines of wordt verplaatst naar het buitenland. Waarom arbeid zo duur is in Nederland? Dat ligt niet aan de lonen an sich – die zijn redelijk gemiddeld voor Noordwest-Europese begrippen (Eurostat, 2014a). Het komt eerder door de hoge belastingen en sociale premies bovenop het loon. Van een extra euro bruto inkomen houdt een werknemer netto niet alleen weinig over, de kosten die daar voor de werkgever nog bovenop komen zijn relatief hoog. Daarom is het goed nieuws dat minister Dijsselbloem van Financiën recentelijk aangaf te studeren op een herziening van het belastingstelsel met als doel de lasten op arbeid te verlagen.

Minder vraag

Overigens is het verschil tussen wat werkgevers aan loonkosten betalen en wat werknemers netto ontvangen – de wig – vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt problematisch hoog. De Nederlandse loonkosten op minimumloonniveau behoren daardoor zelfs tot de hoogste in de wereld (zie therichest.com). Al met al zijn de loonkosten aan de onderkant al gauw 20 euro per uur. De hoge wig maakt dat er minder vraag naar laaggeschoolde arbeid is. De werkloosheid die hier het gevolg van is, is hardnekkig juist omdat de kosten voor de werkgever zo hoog zijn in relatie tot de geleverde productiviteit.

Toch is de werkloosheid in Nederland niet louter een verhaal over hoge arbeidskosten. Ondanks de crisis is de werkloosheid in Nederland nog altijd een van de laagste van Europa (Eurostat, 2014b). Als arbeid te duur zou zijn, zou een groter deel van die arbeid door automatisering,robotisering en offshoring zijn vervangen. Onder andere een traditie van loonmatiging en het versoberen van de sociale zekerheid (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en vut) sinds het begin van de jaren negentig heeft dat voorkomen.

Verschuiving vraag

Bovendien is er niet zoiets als een vaste hoeveelheid arbeid. Als arbeid relatief duur wordt, dan ontstaat er steeds meer hoogwaardige arbeid en verdwijnt laagwaardige arbeid. Dat zien we terug in een steeds grotere vraag naar hoogopgeleiden ten koste van de vraag naar laagopgeleiden en in een verschuiving naar de bovenkant van het middensegment.

Flexibiliteit werk

Behalve de hoogte van de kosten van arbeid, komen we bij onze zoektocht naar structurele verbeteringen voor de arbeidsmarkt ook bij het onderscheid tussen vast, tijdelijk en flexibel werk. De kosten van arbeid verschillen namelijk sterk tussen deze verschillende type arbeidsrelaties. De sterke verschuiving in het type arbeidsrelaties gedurende het afgelopen decennium (Heyma & Theeuwes, 2012) is een aanwijzing dat vooral traditionele contractvormen relatief duur zijn.

Vaste arbeidscontracten worden steeds vaker ingeruild voor tijdelijke en flexibele arbeidscontracten, of voor alternatieve arbeidsrelaties zoals die met zzp’ers. Nauw daarmee verbonden is de sterke groei van de arbeidsmigratie uit Midden-, Oost- en Zuid-Europese landen (Berkhout & Hof, 2012). Werkgevers zijn op zoek naar manieren om de opgelopen kosten van traditionele arbeidsrelaties te drukken. Door die verschuiving in arbeidsrelaties wordt het feit verhuld dat de kosten van arbeid sterk zijn gestegen.

Risico’s

Die kosten van arbeid zitten bij de traditionele arbeidsrelaties niet zozeer in de hoogte van het loon, maar in de risico’s die voor werkgevers aan een vast arbeidscontract zitten. Het gaat dan om de kosten van ontslag, loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, en de re-integratieverplichtingen die daarmee samenhangen.

Sinds het begin van de jaren negentig – toen Ruud Lubbers de situatie met de hoge aantallen arbeidsongeschikten bondig samenvatte: “Nederland is ziek” – zijn flink wat wetten aangenomen die de risico’s van verzuim privatiseerden (Kok, Heyma & Lammers, 2013). De ‘Wet terugdringing ziekteverzuim’ uit 1994 verplichtte de werkgever gedurende twee of zes weken zelf het loon van een zieke werknemer door te betalen. In 1996 werd die verplichte loondoorbetaling verlengd tot een jaar onder de ‘Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte’. Dat werd in 2004 zelfs verlengd tot twee jaar met de ‘Wet verlenging loondoor-betalingsverplichting bij ziekte’. Ook op het gebied van arbeidsongeschiktheid en re-integratie zijn de risico’s in toenemende mate bij werkgevers gelegd.

Het effect van elke maatregel apart is niet goed vast te stellen, daarvoor volgden ze elkaar te snel op. Gezamenlijk is het effect wel geweest dat het verzuim en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen sinds de eeuwwisseling drastisch zijn afgenomen (Kok, Heyma & Lammers, 2013). Waarschijnlijk had hetzelfde effect ook behaald kunnen worden met minder maatregelen. Was de verlenging van de loondoorbetaling bij ziekte tot twee jaar wel nodig? Of heeft die alleen maar bijgedragen aan de terughoudendheid van werkgevers om werknemers (vast) in dienst te nemen?

Rekening bij werkgever

Door de kosten van werkloosheid, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en de preventie ervan voor een groter deel bij de individuele werkgever te leggen, is aan de ene kant de omvang van verzuim en arbeidsongeschiktheid sterk gedaald, maar zijn aan de andere kant de risico’s op hoge kosten voor individuele werkgevers sterk gestegen.

Werkgevers zijn risicomijdend en betalen liever hogere vaste kosten via bijvoorbeeld uitzendarbeid en payrolling dan lagere, maar onzekere kosten. Hoe meer de risico’s van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid bij werkgevers komen te liggen, hoe meer ze op zoek gaan naar alternatieve vormen van arbeid waar ze die risico’s niet of minder lopen. Het vermijden van risico’s betekent daarmee ook dat er banen voor werknemers verloren gaan.

Doorgeschoten verschuiving

De verschuiving in typen arbeidsrelaties levert het gevaar op van een selffulfilling prophecy. Traditionele arbeidscontracten vormen de basis voor de bekostiging van het stelsel van sociale zekerheid. Door het toenemend aantal zzp-ers wordt die basis steeds smaller. Omdat zzp-ers doorgaans minder risico op werkloosheid, verzuim en arbeidsongeschiktheid hebben, wordt die basis verder aangetast. Al met al nemen zo de kosten van de sociale zekerheid per arbeidscontract als vanzelf verder toe.

De neiging van werkgevers om risico’s te vermijden, leidt tot minder werkgelegenheid en tot meer tijdelijke, flexibele en losse arbeidsrelaties. Het is niet voor niets dat zowel de grootste risico’s als de grootste werkloosheid zijn terug te vinden bij lager opgeleiden en ouderen. De balans tussen positieve prikkels die van het verschuiven van risico naar werkgevers uitgaat in termen van minder verzuim en arbeidsongeschiktheid en negatieve externe effecten in termen van minder vraag naar (reguliere) arbeid is doorgeschoten. Het gevolg is dat er steeds minder mensen in vaste dienst komen.

In plaats van symptoombestrijding – het beperken van flexibele en tijdelijke arbeid – is het verstandiger om de oorzaak – de doorgeschoten risicoverschuiving naar werkgevers – aan te pakken. Minister Dijsselbloem zou daarom niet alleen naar een lagere belasting van arbeid moeten kijken, hij moet ook de doorbelasting van ziekte en arbeidsongeschiktheid naar werkgevers deels terugdraaien en de doorbelasting van het (risico op) werkloosheid niet verder laten oplopen.

* Dit is een bewerkte versie van een op 18 maart 2014 in NRC Next verschenen artikel.

Referenties:

Berkhout, E. & Hof B. (2012). “De economische bijdrage van tijdelijke arbeidsmigranten”, SEO-rapport 2012-88, Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.

Eurostat (2014a). Wages and labour costs statistics, Luxembourg.

Eurostat (2014b). Unemployment Statistics, Luxembourg.

Heyma, A. & Theeuwes J. (2012). “Invloed flexibiliteit op productiviteit en werkgelegenheid”, ESB Dossier Werkzekerheid, Economisch Statistische Berichten, Jaargang 97 (4647S).

Kok L., Heyma A., & Lammers M. (2013). “Verlaag kosten loondoorbetaling voor kleine bedrijven.” TPE Digitaal, 7(3), 4-17.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik