Back

Artikel

Home

Flexwerkland Nederland trekt laag opgeleide arbeidsmigranten aan

31 okt 2013
Onderwerpen: Arbeidsmarkt, Europese integratie
Nederland kan arbeidsmigratie combineren met een verzorgingsstaat door minder in te zetten op flexwerk en door tijdelijke, Europese migranten te laten vallen onder de sociale zekerheid in het land van herkomst in plaats van Nederland. Om hun recht op sociale zekerheid te verzilveren, bijvoorbeeld bij werkloosheid, moeten zij weer terug naar het land van herkomst. Dit stelt Monique Kremer in reactie op de peiling onder het MJ Economenpanel over migratie van deze week.

Dure immigranten

De aanklacht is aanzienlijk. Migratie zaagt aan de drie pijlers van de verzorgingsstaat: de financiële houdbaarheid, een goed functionerende arbeidsmarkt en de solidariteit. In het verleden kostten de gastarbeiders ‘de Ahmeds en Ali’s’ en met name de gezinsmigratie die volgde de schatkist vele malen meer dan dat het opleverde, berekenden onder andere het CPB (Roodenburg et al. 2003) en Nyfer (2010). Dat kwam vooral door een groot beroep op de sociale zekerheid. De sectoren waar de ongeschoolde mannen te werk werden gesteld, verdwenen al snel naar het buitenland. De immigranten bleven werkloos achter.

Toch kan migratie ook bijdragen aan de staatskas. Hoger opgeleide opgeleide arbeidsmigranten, zo blijkt uit (inter)nationale studies dragen meestal meer bij aan de economie. En ook de recente arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa blijkt voordelig uit te pakken, zowel in het Verenigd Koninkrijk, waar de meesten naartoe gingen, als in Nederland. Een tijdelijke arbeidsmigrant levert de schatkist 1800 netto per jaar op, becijferde SEO (Berkhout & Hof 2012; zie ook Boeri & Monti 2007, MAC 2012).

Je nu al rijk rekenen is echter onverstandig. De financiële houdbaarheid van het stelsel staat of valt met het hebben én behouden van werk. Veel migranten keren huiswaarts als er geen werk meer is - nu al is ongeveer de helft van de Polen vertrokken - maar een deel zal altijd blijven. Maar ondanks een betere opleiding is de uitgangspositie van de nieuwe Europese vestigingsmigranten – wederom – niet best. De ‘Monica’s’ en ‘Mareks’ spreken nauwelijks Nederlands, zijn vaak in dienst van een uitzendbureau, en zitten vast in flexibele banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, weer in sectoren waar de internationale concurrentie scherp is. De geschiedenis hoeft zich niet te herhalen. Maar het kan wel.

Solidariteit

Naast financiële spanningen worden vaak ook sociale spanningen genoemd. Ondermijnt migratie dan de solidariteit? Dat is geen wet van Meden en Perzen. Meer diversiteit hoeft niet per se te leiden tot minder solidariteit. Mensen brengen meer solidariteit op met arbeidsmigranten, met beter geschoolden en mensen die werken. Bovendien: juist mensen die grootgebracht zijn in de verzorgingsstaat, brengen meer solidariteit op als ‘vreemden’ op het toneel verschijnen, zo onthullen internationale vergelijkingen. Sterker nog: door de komst van migranten vragen mensen om méér verzorgingsstaat, niet om minder. Ze worden er onzeker van (Reeskens & Van Oorschot 2012, Burgoon et al. 2012).

Maar wat wel blijkt: mensen willen een andere verzorgingsstaat met meer wederkerigheid in het stelsel. Migranten mogen niet vanaf dag één toegang hebben tot sociale zekerheid. Je moet eerst gewerkt hebben en belastingen en premies hebben bijgedragen (Reeskens & Van Oorschot 2012). Veel arbeidsmigranten zijn het daar roerend mee eens. Ze zeggen: ‘Hier wonen is niet voldoende om een uitkering te krijgen, je moet ook bijdragen’ (zie Kremer 2013).

Arbeidsmigratie in betere banen

Of migratie samen kan gaan met de verzorgingsstaat hangt in de eerste plaats af van het ‘type’ migratie. Lager opgeleide arbeidsmigranten hebben simpelweg minder goede – economische en sociale- papieren dan hoger opgeleide arbeidsmigranten. Toch komen veel meer lager opgeleide migranten dan hoger opgeleide naar Nederland. Anders dan in het Verenigd Koninkrijk, Ierland of Zweden is slecht een vijfde hoger opgeleid (BCG 2012).

Waarom? Het is heus niet zo dat zij afkomen op genereuze uitkeringen – ‘bijstandstoerisme’ is een hardnekkige mythe – ook net weer ontkracht door een rapport voor de Europese Commisie (ICF 2013). Slechts 1 procent van de nieuwe migranten uit Midden en- Oost Europa ontvangt een bijstandsuitkering. In Nederland is er blijkbaar veel vraag naar werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt die akkoord gaan met hard werken, lage lonen en vooral: zeer tijdelijke contracten. Arbeidsmigratie en flexibilisering van de arbeidsmarkt zijn een verstandshuwelijk aangegaan.

Hoe te komen tot een betere mix in een Europese Unie waar het recht op vrij verkeer van werknemers heilig is? In een Europa zonder douaneposten is de vraag van de werkgevers én de bestaande arbeidsmarkt instituties leidend. Niet het sluiten van de grens, maar het reguleren van de onderkant van de arbeidsmarkt is dan cruciaal. Tegengaan van uitbuiting is maar een deel daarvan. Flexwerk remmen is veel belangrijker. Ook bij het aantrekken van hoger opgeleide migranten ‘the battle for brains’ kan zwaarder geschut worden ingezet: een betere kennisinfrastructuur – talent trekt talent aan - en een toleranter politiek klimaat doen wonderen.

Andere verzorgingsstaat

Daarnaast is het nodig om de verzorgingsstaat meer ‘migratieproof’ te maken. Meer investeren in werkzekerheid is daar één van: een taak van overheid, migranten én werkgevers vooral voor lager opgeleide vestigingsmigranten. Samen met België scoort Nederland het laagst als het gaat om de arbeidsmarktkansen van ‘klassieke migrantengroepen’ (en hun kinderen!) (OECD 2012). Inburgerings is nauwelijks gericht op het vinden van werk (Klaver et al. 2012). Ons onderwijsbestel schiet door vroegselectie en segregatie schromelijk tekort. Ook heeft Nederland wat voortdurend hamert op een ‘eigen verantwoordelijkheid’ schamele integratiebudgetten, zeker vergeleken met landen als Canada en Denemarken (Collet 2011). Betere scholing – over de hele linie- ligt voor de hand, net als betere activering van werklozen. Werkgevers, die altijd de meeste baat hebben bij migratie, en uitzendbureaus hebben daarin een rol. Dan hoeft de gastarbeidergeschiedenis zich niet te herhalen.

Individualiseren van de sociale zekerheid is evenzeer noodzakelijk. Anders dan nu zou een uitkering eerst ‘verdiend’ moeten worden, en zouden werknemersverzekeringen als de WW meer gewicht moeten krijgen, zoals in Scandinavische landen gebruikelijk is. De verzorgingsstaat wordt zo meer een ‘contributiestaat’. Dat is fijn voor mobiele burgers, inclusief de Nederlandse emigranten, die rechten makkelijk mee kunnen nemen en het vergroot ook de legitimiteit van het stelsel. Als er te veel sprake is van eenrichtingsverkeer dreigt immers het gevaar dat solidariteit verdwijnt, ook onder (arbeids)migranten die net zo goed meebetalen aan de verzorgingsstaat. Een contributiestaat impliceert een (tijdelijke) sluiting van de bijstand, maar dat hoeft net als in immigratieland Australië niet langer dan twee jaar te duren.

Tijdelijke sluiting van de bijstand kan daarnaast deels ondervangen worden door twee andere aanpassingen: detachering en Europeanisering van sociale zekerheid. Detachering van sociale zekerheid houdt in dat migranten verzekerd kunnen blijven in het land van herkomst, ook als ze in een ander land gaan werken. Dat is vooral bedoeld voor tijdelijke migranten, oftewel circulaire migranten. Detachering garandeert die tijdelijkheid in zekere zin ook: om daadwerkelijk hun recht op sociale zekerheid te verzilveren, mochten ze werkloos raken, moeten zij immers terug naar het land van herkomst.

Detachering van sociale zekerheid is geen theoretisch construct, maar bestaat al geruime tijd in EU-verband en wordt gebruikt door meer dan 80.000 migranten in Nederland en bijna 10.000 Nederlandse werknemers in Europa. De constructies die nu gelden hebben echter een keerzijde. Want voor een in Nederland aangestelde Pool worden dus ‘Poolse premies’ betaald. Met als gevolg: concurrentie op basis van premies en belastingen. Een manier om de concurrentie op sociale-zekerheidspremies tegen te gaan is als werkgevers het bedrag afdragen dat gangbaar is in het werkland en niet in het land van herkomst. Die te veel betaalde premies kunnen worden belegd in Europees of nationaal mobiliteitsfonds in Nederland waar bijvoorbeeld investeringen – onderwijs, training, bemiddeling op de arbeidsmarkt – voor migranten uit betaald kunnen worden.

Europeanisering van sociale zekerheid, ten slotte, wordt steeds urgenter nu de doelstelling van het Europees beleid, het ‘vrije verkeer’ eindelijk realiteit wordt. De bijstand voor mobiele EU-burgers zou bijvoorbeeld betaald kunnen worden uit een Europees sociaal fonds. Een zwaardere supranationale variant zou betekenen dat burgers (een deel van de) premies en/of belastingen afdragen aan ‘Brussel’. Maar dan moet er meer solidariteit opgebracht worden door burgers in welvarende landen. Dat is nu echt een brug te ver. Als Europese burgers van meet af aan een (kleine) belasting hadden betaald aan de Europese Unie in ruil voor sociale rechten, had de Europese onderlinge solidariteit dan al eerder vorm gekregen?

Arbeidsmigratie en de verzorgingsstaat: het is een conflictueus koppel. Maar dat ze niet samen kunnen gaan, zoals in Milton Friedmans gevleugelde uitspraak "it’s obvious you can’t have a free welfare state and immigration", is niet zo zonneklaar. Spanningen zijn te vermijden. Tenminste als beide kanten – migratie en de verzorgingsstaat – zich een beetje aanpassen.

Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. Het is gebaseerd op het aan de Universiteit van Amsterdam geschreven boek van Monique Kremer Vreemden in de verzorgingsstaat. Hoe arbeidsmigratie en sociale zekerheid te combineren (Den Haag: Boom/Lemma, 2013)

Referenties

Boeri, T. & Monti, P. (2007). The impact of labour mobility on public finances and social cohesion. Paper European Integration Consortium.

Boston Consultancy Group (2012, oktober). NL 2030. Contouren van een nieuw Nederlands verdienmodel.

Berkhout, E. & Hof, B. (2012) De economische bijdrage van tijdelijke migranten. Amsterdam: SEO.

Burgoon, B., Koster, F. & Egmond, M. van. (2012). Support for Redistribution and the Paradox of Immigration. Journal of European Social Policy , 22, 3, 288-304.

Collett, E. (2011). Immigrant Integration in Europe in a Time of Austerity. Washington: Migration Policy Institute /Transatlantic Council on Migration.

ICF GHK (2013) A fact finding analysis on the impact on the Member States’social security systems of the enititlement of non-active intra-EU migrants to special non-contributory cash benefits and healthcare granted on the bais of residence. DG Employment, Social Affairs and Inclusion.

Klaver, J., Odé, A., Dagevos, J. & Bakker, L. (2012). Inburgering in Nederland. In M. Gijsberts, W. Huijnk & J. Dagevos (red.), Jaarrapport Integratie 2011. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Kremer, M. (2013). Vreemden in de verzorgingsstaat. Hoe arbeidsmigratie en sociale zekerheid te combineren. Den Haag: Boom/Lemma

Migration Advisory Committee (2012). Analysis of the impacts of migration. Londen: MAC.

MJ Economenpanel: migratie gewogen (2013).

Nyfer (2010). Budgettaire effecten van immigratie van niet-westerse allochtonen. Rapport in opdracht van de kamerfractie van de PVV. Nyfer: Utrecht.

OECD (2012b). Settling In: OECD Indicators of Immigrant Integration 2012. Paris: OECD.

Reeskens, T. & Oorschot, W. van (2012). Disentangling the ‘New Liberal Dilemma’: On the relation between general welfare redistribution preferences and welfare chauvinism. International Journal of Comparative Sociology 53, 2, 120-139.

Roodenburg, H., Euwals, R. & Rele, H. ter (2003). Immigration and the Dutch Economy. Den Haag: Centraal Planbureau.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik