Back

Artikel

Home

Pleidooi Knot voor hogere loongroei is misplaatst

6 feb 2016
Onderwerpen: Macro-economische politiek

Het Nederlandse begrotingsbeleid heeft een procyclische uitwerking op de economie. Daarom is het verrassend dat president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank onlangs een pleidooi hield voor een sterkere loonstijging zodat de economie een stimulans krijgt en een vermeende onderbesteding wordt weggewerkt. De economen Gradus en Beetsma vinden dit pleidooi misplaatst en zien als oorzaak van het nationale spaaroverschot niet zozeer de consumptiekant van de economie, maar veeleer het beperkte niveau van investeringen in Nederland. De overheid moet daarom een beter binnenlands investeringsklimaat stimuleren.

Pleidooi Knot

Eind januari wees President Knot van De Nederlandsche Bank in het Tv-programma Buitenhof op het procyclische karakter van de huidige overheidsbegroting. In de begroting 2016 leeft het kabinet ver boven haar stand en wordt 5 miljard aan lastenverlichting verjubeld, zonder dat daar de noodzakelijke belastinghervormingen tegenover staan. Dat de huidige begroting te expansief is blijkt ook uit een analyse van het onderliggende structurele saldo. In haar decembercijfers raamde het CPB het structureel begrotingstekort op 1,9% BBP, terwijl het feitelijke begrotingstekort 1,8% bedraagt. Voor het eerst sinds jaren is de “output gap”, het verschil tussen het feitelijke en structurele BBP, weer positief. Overigens leert de ervaring dat juist na een crisis de structurele productiecapaciteit te hoog wordt ingeschat, waardoor het begrotingsbeleid een procyclisch karakter krijgt. Terecht wees de Bankpresident op een CPB-studie, waarin uit een analyse van het begrotingsbeleid tussen 1970 en 2014 blijkt dat in de helft van de hoogconjunctuurjaren het begrotingsbeleid de conjunctuurgolf (aanzienlijk) heeft versterkt (zie Homan en Suyker (2015)). Slechts in een-zevende van de jaren vermindert het begrotingsbeleid de conjunctuurgolf. [1] De invoering van het trendmatige begrotingsbeleid sinds 1994, dat bedoeld is om het effect van de begroting op de conjunctuur te neutraliseren, heeft daar weinig aan veranderd. [2]

Vooralsnog het pleidooi zoals wij dat verwacht hadden. Al jaren wijst de Bankpresident op het onvermogen van de politici om het dak te repareren als de zon schijnt. Opvallend was echter zijn oproep tot meer loonstijging en het verband dat hij met het spaaroverschot legde. Ons land kent een lange traditie van beheerste loonontwikkeling, die ons volgens velen geen windeieren heeft gelegd. Het zorgt voor een gunstige prijsconcurrentiepositie die ons in staat stelt veel te exporteren. Jarenlang was de Bankpresident dan ook een vurig voorstander van een beheerste loonontwikkeling. Zijn oproep wekt dus, in ieder geval bij ons, bevreemding en we zijn er verre van overtuigd dat wat hij voorstelt een goed idee is.

Klopt zijn redenering wel?

Allereerst is het goed om de redenering van Knot, en sommige collega-economen, nog eens tegen het licht te houden. Het idee is dat Nederland zijn economie moet stimuleren omdat anders een permanente onderbesteding, met bijbehorend spaaroverschot, zou dreigen. Dat is echter een misvatting, omdat, zoals uit de bovengenoemde CPB-cijfers is gebleken, de feitelijke productiecapaciteit inmiddels groter is dan de structurele productiecapaciteit.

Oorzaak spaaroverschot

Maar hoe kunnen we het spaaroverschot dan wel duiden? Volgens Bankpresident Knot wijst het er op dat bedrijven onvoldoende in Nederland investeren. Ook hierbij past enige nuancering. Volgens de laatste CPB-cijfers trekken dit jaar de bedrijfsinvesteringen met 7% − net als andere binnenlandse bestedingen− weer behoorlijk aan. Het probleem van de Nederlandse economie lijkt dus niet aan de vraagzijde te zitten. Het spaaroverschot kan er wel op duiden onze bedrijven het blijkbaar lucratiever vinden om in het buitenland dan in Nederland te investeren. Een grotere loonstijging zal juist een averechts effect hebben op de bereidheid te investeren in Nederland doordat het rendement op de investeringen afneemt. Bovendien leidt het tot meer werkloosheid van, vooral, de minder productieve werknemers. De positieve vraageffecten van een sterkere loonstijging zullen overigens gering zijn doordat de meeste vraag naar het buitenland weglekt. In onze ogen is Knot niet geheel consistent. Als onderbesteding echt een probleem zou zijn, dan zouden juist gerichte overheidsinvesteringen, bijvoorbeeld in de infrastructuur, een probater middel zijn om de binnenlandse bestedingen aan te jagen (zie Beetsma en Gradus (2009)). In 2009 op het dieptepunt van de conjunctuur was dit denkbaar, nu is daar geen enkele aanleiding voor.

Verbeter het investeringsklimaat

Hoe zouden we dan wel met het hoge spaaroverschot om moeten gaan? De beste remedie om dit overschot te verkleinen is het verhogen van het rendement op de binnenlandse investeringen zodat deze aantrekkelijker worden. Dit kan door het versterken van het groei vermogen van onze economie en door meer flexibilisering van product- en arbeidsmarkten. De verkleining van het aantal tijdelijke contracten heeft overigens juist averechts gewerkt op de werkgelegenheid. De hervorming van ons belastingstelsel past prima bij een verdere versterking van de economische structuur, zoals Knot ook opmerkte. Lonen zijn het resultaat van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Hier moet de overheid zich zo weinig mogelijk mee bemoeien. Wanneer de vraag naar arbeid het aanbod overstijgt, zullen de lonen omhoog gaan en zullen er ook meer vaste contracten gesloten worden. Dus overheid: zorg dat de randvoorwaarden voor een goed investeringsklimaat en een goede marktwerking aanwezig zijn, dan doe je genoeg!

* Dit artikel is in verkorte vorm verschenen in Het Financieele Dagblad van 5 februari 2016.

Voetnoten:


[1] Dit betekent dat in de overige ongeveer een-derde van de jaren het begrotingsbeleid neutraal is. Dit wordt in deze studie gedefinieerd als een absolute mutatie van het primair structureel saldo van minder dan 0,5% punt BBP.

[2] In de jaren van tegenspoed vóór 1994 was het sturen op het feitelijk tekort wel meer procyclisch.

Referenties:

Beetsma, R. en R. Gradus (2009) “ Kabinet: richt je aandacht op de overheidsfinanciën en exit uit de financiële sector ”, Tijdschrift voor Openbare Financiën 41:3 129-32.

Homan, E. en W. Suyker (2015). Hoe anticyclisch is het Nederlandse discretionaire begrotingsbeleid , CPB Achtergronddocument: 15 september 2015.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik