Back

Artikel

Home

Economics Rules – Een optimistisch boek met betwistbare lessen

2 mrt 2016
Onderwerpen: Economisch denken
Na alle verhalen over waarom economie gefaald heeft kwam eind vorig jaar de prominente Harvard-econoom Dani Rodrik met een positief gestemd boek Economics Rules

. Omdat het boek in Nederland nog op weinig aandacht kan rekenen bespreekt Huigh van der Mandele dit boek. De waarde van het boek schuilt in de lessen voor niet-economen. Voor economen is het een tweeslachtig boek: het laat zien waar economen trots op kunnen zijn maar het boek bevat ook discutabele lessen.

Optimisme

Onze wetenschap kan bogen op spectaculaire successen, zoals de Bretton Woods-overeenkomst die gebaseerd was op inzichten van Keynes en White. Maar ook op spectaculaire mislukkingen, zoals de “Washington consensus”, een verzameling recepten waar men, in welke land ook, economische ontwikkeling kon bevorderen. Rodrik heeft het boek Economics Rules geschreven in een poging uit te leggen waarom economen het soms bij het rechte eind hebben, en soms juist niet. De opzet van het boek is eenvoudig. Na een aanloop waarin hij een aantal grote successen van de wetenschap maar ook een paar afschuwelijke miskleunen beschrijft, voert hij de lezer langs de verschillende fasen van economisch onderzoek. Dat begint volgens Rodrik met het formuleren van nieuwe modellen, en vervolgens met het kiezen van het juiste model om te eindigen met de formulering van adviezen. In de volgende hoofdstukken geeft hij de voornaamste oorzaken aan waar economen de fout in gaan beantwoordt hij de verschillende verwijten aan de economische wetenschap. Het boek eindigt met zijn “tien geboden voor economen” en zijn “tien geboden voor niet-economen”.

Economics rules zou men kunnen vertalen met de economische wetenschap is de baas. Als dat zo is dan zou het aanbeveling verdienen bepaalde “rules” in acht te nemen en dat is lang niet altijd het geval! Rodrik beoogt deze spelregels nader te specificeren. Hij roept daarbij zijn collega’s op zich beter aan deze spelregels te houden. Maar hij richt zich ook op niet-economen, en geeft die een handvat om de kwakzalver van de meester te onderscheiden.

Modellen

Centraal staan bij Rodrik economische modellen. Een model is een vereenvoudiging van een bepaald aspect van de werkelijkheid en bestaat uit een verzameling eenduidig weergegeven aannames, causale verbanden en gedragspatronen. Deze kunnen logischerwijze leiden tot bepaalde eenduidige conclusies. Wiskunde is in de ogen van Rodrik de aangewezen taal. De voordelen van een wiskundige formulering van modellen zijn tweeledig. Ten eerste zijn modellen voor de goede verstaander volstrekt helder en transparant. Waar de in natuurlijke taal geschreven modellen van economen als Marx, Keynes en Schumpeter nog steeds voor veel verwarring zorgen is het volstrekt duidelijk wat Samuelson, Stiglitz en Arrow met hun in wiskundige taal geschreven modellen bedoelden. Ten tweede is de consistentie van de gedachtegang verzekerd. Uit de aannames volgen bepaalde conclusies wel, terwijl andere conclusies worden uitgesloten. Onzichtbare aannames die noodzakelijk zijn voor het bereiken van een bepaalde conclusie worden direct zichtbaar.

Door telkens andere aannames te hanteren, door telkens andere causale verbanden te postuleren ontstaat een bibliotheek van modellen. Door steeds meer modellen te construeren die op plausibele aannames zijn gegrond worden er steeds meer verklaringen gevonden voor een grote verscheidenheid aan sociale verschijnselen. Waar modellen elkaar tegenspreken maakt het gebruik van modellen het mogelijk de verschillen precies te lokaliseren. Daarmee maken zij een rationeel debat mogelijk.

Natuurlijk wordt de economische wetenschap pas nuttig als het ons begrip van de samenleving en de manier waarop het functioneert vergroot. Geconfronteerd met een bepaald vraagstuk moeten wij dus kiezen, welk model de relevante verschijnselen het best weergeeft, temeer daar de uitkomsten van verschillende modellen elkaar vaak tegenspreken. Rodrik waarschuwt: deze keuze is evenzeer een ambacht als een wetenschap. Ervaring en gezond verstand zijn onmisbaar. Je kunt het niet op de universiteit leren.

De kern van dit keuzeproces is een steeds bewegen tussen de modellen en de onderzochte werkelijkheid. Dit proces noemt Rodrik verificatie. Daarbij dienen vier verschillende strategieën te worden toegepast:

  1. Er moet getoetst worden in hoeverre kritische aannames daadwerkelijk gelden. Kritische aannames zijn die aannames die – aangepast aan de werkelijkheid - de uitkomsten van betreffend model significant beïnvloeden.
  2. Getoetst moet worden in hoeverre de mechanismen die in het model gepostuleerd worden daadwerkelijk plaatsvinden.
  3. Getoetst moet worden of de uitkomsten van het model in de werkelijkheid kunnen worden waargenomen.
  4. Getoetst moet worden of de “bijvangst” van een model in de werkelijkheid kan worden waargenomen. De “bijvangst” zijn implicaties van een model, die niet direct te maken hebben met vraagstuk waar het model voor ontwikkeld is, maar die er wel dwingend door worden geïmpliceerd.

Rodrik is van mening dat economen in hun onderzoek op twee manieren vaak de fout in gaan. Ten eerste gaan zij vaak uit van één bepaald model, zonder zich te realiseren dat er misschien andere modellen zijn die de onderzochte verschijnselen beter verklaren. “It´s a model, not the model”, woorden die hij vaak herhaalt. En ten tweede, dat kritische aannames vaak verborgen zijn waardoor de keuze voor een bepaald model op onjuiste gronden genomen kan worden.

In de presentatie van de resultaten van hun onderzoek maken, naar het oordeel van Rodrik, economen vaak twee grote fouten. Zij presenteren de resultaten van hun modellen zonder de kritische aannames daarbij te vermelden, waardoor hun publiek de mogelijkheid ontnomen wordt de aansluiting van theorie op de werkelijkheid te beoordelen. En zij zeggen zo zelden “ik weet het ook niet, dat hangt ervan af”.

Waardering en teleurstelling

Grote waardering verdient Rodrik voor de vele interessante inzichten die hij in dit boek biedt. Een mooi voorbeeld daarvan is zijn verklaring waarom economen in zo grote getale faalden bij de aanloop naar de crisis van 2008. In Rodriks ogen waren de modellen die verklaarden wat er kon gebeuren wel degelijk voorhanden. Hij noemt Schiller en Rajan; zelf zou ik daar Minsky aan toe willen voegen. Zij werden echter veronachtzaamd, en er werd eenzijdig vertrouwd op de EMH (“efficient market hypothesis”) modellen van Fama en anderen. Economen kozen in grote getalen de verkeerde modellen, en lieten de goede modellen links liggen! “The economics of the profession may have been fine, but evidently there was trouble with its psychology and sociology.” Een impliciete verwijzing naar Kuhn, of doelt hij op iets anders?

Toch is er ook teleurstelling.

Hij maakt geen onderscheid tussen economisch advies (en het gebruik daarvan) en economisch onderzoek, zo men wil, tussen de modelgebruiker enerzijds en de modelbouwer anderzijds. Natuurlijk is de scheidslijn niet scherp, maar toch is dit onderscheid wezenlijk. De aanpak van Rodrik, waarbij de keuze van het meest passende model centraal staat, is bij het opstellen en gebruiken van advies meer dan uitstekend. Voor neo-popperiaanse zoeken naar falsificatie is bij dat proces geen plaats. Iedereen die met economisch beleid te maken heeft zou zijn tien geboden dan ook boven zijn bed moeten hangen.

Als ik het goed begrijp zet Rodrik zich echter ook bij het bouwen en toetsen van economische modellen nadrukkelijk af tegen neo-popperianen. Hoewel hij terecht stelt dat economen deze filosofie vaak slechts met de mond belijden, had zijn eigen afwijzing toch wat meer diepgang verdiend. Op één, overigens cruciaal punt na sluit hij namelijk wel degelijk aan bij het neo-popperiaanse schema. In het schema van Rodrik begint een model met een complete reeks aannames (ook die betreffende causale verbanden en gedragspatronen). Deze leiden tot een bepaalde conclusie. Als men deze aannames laat voorafgaan door het logische predicaat “IF”, en de gevolgtrekkingen laat voorafgaan door het logische predicaat “THEN”, ontstaat een hypothese die uitstekend past in “the scientific method”. Ook ten aanzien van de interne toetsing van modellen/hypotheses beloopt Rodrik dezelfde weg. Zij dienen volgens beider zienswijze te beantwoorden aan strenge eisen van volledigheid, eenduidigheid, interne consistentie en logica.

Daarna scheiden de wegen en start de tweede fase, de toetsing aan de realiteit en de consequenties daarvan. Deze kan volgens neo-popperianen niet streng genoeg zijn. Als de empirische aannames van een model (het “IF” deel van de hypothese) wel en de uitkomst (het “THEN” deel van de hypothese) niet aansluiten bij de werkelijkheid, dan dient het model zoals geformuleerd verworpen te worden en kan op zijn hoogst dienen als de basis van een nieuw model dat wel klopt met de realiteit. Het oude model gaat in de prullenbak, of liever wordt bewaard om economen te waarschuwen niet opnieuw deze foutieve weg te kiezen.

Bij Rodrik daarentegen dient ook de onderzoeker tussen modellen te kiezen, en volgens hem is dat een ambachtelijk proces. Niet gekozen modellen worden in de bibliotheek opgeborgen, en kunnen bij een volgend vraagstuk weer te voorschijn gehaald worden. Wie weet dienen zij in die nieuwe situatie wél geselecteerd te worden. Ten eeuwige dage staan zij ter beschikking van de econoom bij de behandeling van nieuwe vraagstukken. Aldus Rodrik. En, zonder dat hij dat expliciet formuleert staan zij ook ten eeuwige dage ter beschikking als lesmateriaal.

De afwijzing van de “scientific method” en vooral zijn pleidooi voor de potentiële bruikbaarheid van gefalsificeerde modellen had een betere onderbouwing verdiend. Het is volgens mij namelijk zeer wel mogelijk dat juist het voortbestaan van gefalsificeerde modellen/hypothesen de stagnatie van onze wetenschap op vele terreinen mede veroorzaakt. Zo zouden de oude hypothesen over de oorzaken van de grotere doelmatigheid van particuliere organisaties (winstbejag, vervat in het “invisible hand” paradigma) nu toch langzamerhand definitief begraven moeten zijn (zie blz. 30-36 Van der Mandele en Van Witteloostuijn, 2013). Toch blijken zij, bijvoorbeeld in de reorganisatie van de Nederlandse medische zorg, nog springlevend!

Naar mijn oordeel dekt de ondertitel inderdaad het belang van dit boek. Aan economische adviseurs en hun luisteraars vertelt het voortreffelijk “why economics works, when it fails and how to tell the difference.” De boodschap voor economische onderzoekers lijkt mij echter op belangrijke punten discutabel.

Referenties:

Mandele, H.C. van der, en A. van Witteloostuijn. 2013, Free to Fail. Edward Elgar, London.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik