Back

Artikel

Home

Economen en de club van de zichtbare hand

4 jun 2013
Onderwerpen: Economisch denken

De systematische bestrijding van armoede kan als een succes van de economische denkkracht van economen als Marshall, Keynes en vele anderen worden gezien. Dit is de leidraad die Sylvia Nasar in haar boek The Grand Pursuit heeft gekozen. Volgens Harry van Dalen is het boek weliswaar een echte 'page turner' maar de lezer zal volgens hem toch met een aantal vragen blijven zitten. De keuze van zogenaamde genieën is willekeurig en kwestieus en de jacht naar welvaart lijkt verdacht veel op een 'feelgood movie', waarbij de invloed van economen te mooi wordt voorgesteld.

De sociale ingenieurs

Economen worden vaak gezien als betweters. Gevraagd en ongevraagd beklimmen economen hun zeepkist en geven hun mening en advies ten beste wat overheden moet doen of laten. Markten falen altijd wel ergens in de wereld en dan is een helpende hand welkom. Maar wanneer begon die drang om het lot in eigen hand te nemen? Wanneer dachten economen dat hun denkraam ook wel eens dienst konden doen om de economie te beheersen? Sylvia Nasar stelt in haar boek Grand Pursuit dat de activistische econoom wakker werd geschud door de ellende en armoede die heerste in de negentiende eeuw. De industriële revolutie moest nog zijn waarde bewijzen, arbeiders trokken van het platteland naar de stad, waar de armoede allerminst leek af te nemen. De ‘Poor Laws’ - het sociale vangnet voor de armen - was zeker niet in staat om daar verandering in te brengen en er was meer nodig en actief worden ingegrepen. Weg derhalve met de onzichtbare hand, de krachtige metafoor van Adam Smith, die ervoor zorgt dat privaat en publiek belang samen kunnen vallen. In haar boek vertelt Nasar hoe economen met verbeeldingskracht en zendingsdrang op zoek gingen naar instrumenten om het harde en naargeestige leven zoals dat in de beste boeken van Dickens wordt beschreven, te laten verdwijnen. Vanaf Marx en Marshall worden we geleid naar de Fabian Society van Beatrice en Sidney Webb, Keynes, Schumpeter, Hayek, Robinson, Samuelson, Sen en nog vele anderen. Het is het verhaal van de club van de zichtbare hand, een groepje economen die de economie in een wetenschap veranderde en die het idee deden postvatten dat je het lot van een land in eigen hand kon nemen en de toekomst maakbaar was. 

Echte 'page turner'

Laat één ding duidelijk zijn: Sylvia Nasar weet als journalist een verhaal te vertellen. Aan de hand van vele persoonlijke documenten worden economen mensen van vlees en bloed. Sex, KGB-spionage, liefdesaffaires, inzinkingen, oorlog, bankroet, politieke intriges, het komt allemaal aan bod en het boek is van begin tot eind een ware ´page turner´. Zoals het een goed journalist betaamt speelt ze de bal via de band en krijg je als lezer zelf de gelegenheid om je eigen conclusies te trekken. Stuk voor stuk zijn de hoofdstukken juweeltjes van journalistiek. In haar beschrijving van het werk van Keynes, ten tijde van de vredesconferentie in Parijs en het Bretton Woods-akkoord, is Nasar op haar best. Vooral het schetsen van de historische en politieke context werpt licht op de ideeën; een kwaliteit die je niet vaak bij vakeconomen tegenkomt. 

Nasar is weliswaar een kunstige rapporteur van het economisch denken, maar niet zelf een denker. En dat is helaas haar achilleshiel. Hoe mooi de individuele hoofdstukken ook zijn, wie het boek dichtklapt blijft met gemengde gevoelens achter. Hoofdstukken eindigen vaak abrupt en ook de epiloog van het boek is kort en gemakzuchtig alsof Nasar geen ideeën heeft hoe ze de geschiedenis kan interpreteren. Het is een kunstig in elkaar geweven verhaal waarin een collectie van uitzonderlijke individuen voorbij komen die - zoals zij het neerzet - leefden in tijden van hoop (negentiende eeuw), angst (interbellum) en zelfvertrouwen (na de Tweede Wereldoorlog). Maar stel dat buitenstaanders
Grand Pursuit lezen om een blik op de economenwereld te krijgen, geeft haar verhaal dan een accuraat beeld? Nasar dekt zich in door te stellen dat het boek geen exercitie in de geschiedenis van het economisch denken is, maar “een verhaal van de geboorte van een idee.” Misschien ben ik een ongevoelige ziel, maar dat lijkt verdacht veel op de geschiedenis van het denken.

..maar rammelend verhaal

De geloofwaardigheid van haar verhaal wordt deels ontkracht doordat het een selectieve lezing van de geschiedenis van het economisch denken is. Zo plaatst Nasar de geboorte van de econoom bij Marx en Marshall als reactie op Malthus. Dat is ongenuanceerd omdat juist Malthus, niet alleen officieel de eerste econoom in Engeland was, maar ook precies in het rijtje van Nasar past van de ‘genieën’ die lieten zien dat mensen het lot in eigen hand konden nemen. In 1798 kwam Malthus met zijn Essay on the Principle of Population, waarin hij niet alleen de spanning tussen economie en bevolkingsgroei aangaf, maar vooral ook de Utopische denkers van zijn tijd aanviel. In de latere uitwerkingen van zijn essay stelt Malthus dat de kwaliteit van leven van de armen verbeterd kon worden als zij, door onderwijs, op latere leeftijd zouden trouwen en kinderen krijgen. Niet voor niets stelt John Stuart Mill in 1844 dat “het weliswaar als een paradox kan worden opgevat, maar het is historisch gezien juist dat vanaf dat moment [verschijnen van Malthus Essay] de economische positie van de werkende klasse door denkers werd gezien als vatbaar voor structurele verbetering.”

Het begin van het boek is daarmee twijfelachtig, maar ook in de rest van het boek rammelt het. Zeker als men de ondertitel van het boek, The Story of Economic Genius, serieus neemt. Echt geniaal waren wellicht Marshall en zijn leerling Keynes. De laatste vooral doordat hij een nieuwe taal en nieuwe blik op de macro-economie bood. Het zijn echter de detonerende figuren in haar boek die het verhaal van genialiteit ontkrachten. Het verhaal van de Britse econome Joan Robinson wordt kleurrijk beschreven, maar wat vooral bijblijft is het beeld van een krankzinnige vrouw met heel veel haar op haar tanden, die zich in haar bekeringsdrang graag voor de kar van Mao en Stalin liet spannen. Het geniale van Robinson heb ik zelf ook nooit in haar werk kunnen ontdekken. Zij ging zeker niet op zoek naar de echte omstandigheden waaronder Russische en Chinese boeren en burgers leefden. Ook Paul Samuelson wordt ten tonele gevoerd en ook hij moet als een vreemd element in haar verhaal worden gezien. Samuelson was een geweldig wiskundig econoom maar bij uitstek toch iemand die economie vanuit de leunstoel bedreef. Een houding die tot verkeerde beleidsaanbevelingen kan leiden als het contact met de realiteit uit het zicht verdwijnt. Nobelprijswinnaar Ronald Coase heeft dan ook meermalen de sterk deductieve benadering van Samuelson bekritiseert als ‘blackboard economics’. Kortom, de parade van economen heeft in Grand Pursuit iets willekeurigs.

Het belang van economie

Wat nog het meest door mijn hoofd bleef spoken bij lezing was de vraag of we de welvaart van nu werkelijk aan economen te danken hebben. Te gemakkelijk wordt het idee geaccepteerd dat de ideeën van economen er toe doen en zegevieren. Hoewel ik mijn vak een warm hart toedraag word ik een beetje ongemakkelijk van dit soort ‘feelgood’-verhalen en gevolgtrekkingen. Met even veel recht kan men ook de positie innemen dat economen er volstrekt niet toe doen en dat politici alleen maar luisteren naar de economische verhalen die ze willen horen. Daarnaast laat de geschiedenis van het denken ook zien dat economen erg goed kunnen uitleggen wat zich in de achteruitkijkspiegel afspeelt, maar wat er onder hun neus gebeurt bevindt zich vaak in hun dode hoek. De industriële revolutie gaf bijvoorbeeld vele economen een eerste hands kijk op wat technische vooruitgang zou kunnen betekenen. De klassieke economen die in die tijd leefden (Malthus, Mill, Ricardo) hielden echter vast aan een stationair wereldbeeld. Aan de vooravond van beurscrash van 1929 zaten Keynes, Fisher, Schumpeter er allemaal naast en alleen Hayek voorvoelde dat er iets stond te gebeuren. Als lezer zou je op z’n minst een poging willen horen op deze belangrijke waarom-vragen. Maar nog belangrijker is dat het naoorlogse beeld dat geschetst wordt van het economenvolk onvolledig is. Nasar noemt dit een periode van zelfvertrouwen, maar ik zou het eerder een periode van hoog- of overmoed noemen waarin economen als sociale ingenieurs dachten dat ze de economie konden bedwingen. Hayek was een van de weinigen die de pretentie van kennis in deze periode aanstipte. De mechanisering van ons wereldbeeld, waar Hayek naar verwees en die zijn oorsprong vond in de negentiende eeuw, is na de oorlog niet alleen sterker geworden maar is ook overgegaan in een economisering van ons wereldbeeld. Model en werkelijkheid beginnen steeds meer in elkaar over te vloeien (Van Dalen, 2011). Over die schaduwkanten krijg je niet veel te horen en daarmee is het verhaal van de jacht naar welvaart een onvoltooid verhaal.

Referentie:

Dalen, H.P. van, 2011, De econoom in crisistijd: de tovenaarsleerling ontwaakt,preadvies voor de Koninklijke Vereniging voor de Staatshuishoudkunde, J.H.Garretsen, R.M. Jong-A Pin, en E. Sterken (red.), De economische toekomst van Nederland, SDU, Den Haag, pp.47-74.

Nasar, S., 2011, Grand Pursuit – The Story of Economic Genius, Fourth Estate, London. ISBN 978-1-84115-455-8, 558 pag.

* Deze bespreking zou in de Academische Boekengids verschijnen, maar door financiële problemen heeft ABG de gids (tijdelijk) stilgelegd,

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik