Back

Artikel

Home

Economen hebben meer diepgang dan Achterhuis denkt

22 okt 2010
Onderwerpen: Filosofie en economie
Economen zijn niet zo ideologisch ingesteld als filosoof Hans Achterhuis denkt, stelt Bert Tieben in een commentaar op Achterhuis’ nieuwe boek ‘De utopie van de vrije markt’. Economen vergeten wel eens dat het idee van louter positieve uitspraken een illusie is, maar de economische wetenschap heeft veel nuttige kennis over de werking van markten opgeleverd. Achterhuis gaat daar aan voorbij. In plaats van het werk van economen zelf te lezen, gaat hij af op wat bij elkaar gesprokkelde tweedehands meningen.

Ooit viel ik als student voor het mooie boekje van Joan Robinson, Economic Philosophy uit 1962. Een lekker dun boekje met puntige zinnen die je aan het denken zetten, zoals de beschrijving van wetenschap als “a kind of elephant: something which exists and can be described, not defined.” Nu vele jaren wijzer weet ik dat het huwelijk tussen economie en filosofie ronduit is mislukt.

De markt als utopie

Neem De Utopie van de Vrije Markt, een boek van filosoof Hans Achterhuis. Een mooi boek. Goed geschreven wat je van de meeste economieboeken niet kunt zeggen. Maar voor een econoom ook tenenkrommend voor wat Achterhuis over zijn onderwerp beweert, de economische wetenschap. Achterhuis is een specialist in de studie van utopieën. Eerder liet hij zijn licht schijnen over technologische en socialistische utopieën. In zijn nieuwste boek is het vrije marktkapitalisme aan de beurt. Zijn stelling is dat economen onvoldoende beseffen dat het vrije marktkapitalisme in essentie een utopie is. Het label utopie is volgens Achterhuis belangrijk omdat het verklaart waarom economen in voor- en tegenspoed een neoliberale koers blijven varen. In zijn eigen woorden: “vooral dankzij de utopische onderbouwing ervan blijft deze ideologie ook na de kredietcrisis springlevend.” (p. 23). Het neoliberalisme heeft volgens hem meer met utopisch denken dan met wetenschap te maken. Vernieuwend aan het werk van Achterhuis is dat hij de utopie ook exact identificeert: ze staat beschreven in de roman Atlas Shrugged van de Russisch-Amerikaanse schrijfster Ayn Rand.

De invloed van Rand op de economische wetenschap ligt bij het kringetje intimi van Rand zoals Mises, Hayek, Greenspan en op iets meer afstand Friedman, die Achterhuis ziet als de grondleggers van het neoliberalisme. Achterhuis heeft gelijk. Het utopisch element in het neoliberalisme van deze economen is onmiskenbaar aanwezig en het is goed dat daar een keer op wordt gewezen. Er is echter meer tussen hemel en aarde dan de utopie. De economische wetenschap wordt in Achterhuis’ beeld van het denken over vrije markten weggezet als een onbelangrijke bijkomstigheid. Nu scheiden onze wegen. De filosoof heeft de economie niet begrepen met als gevolg een verkeerde analyse van het economisch denken over vrije markten.

Economische onderbouwing

In Atlas Shrugged gaat de VS ten onder aan een staking van ondernemers en creatieve geesten. Zo wordt de centraal georganiseerde staat vernietigt en ontstaat ruimte voor een nieuwe samenleving gebaseerd op individuele vrijheid. Van dit boek worden in de VS ieder jaar vele duizenden exemplaren verkocht waarmee het een effectief communicatiekanaal is voor de verspreiding van het vrije marktkapitalisme als utopie. Maar vinden we hier nu de kern van het neoliberalisme? Ik geloof er niets van. Achterhuis verwijst naar Hayek en Friedman als grondleggers van het neoliberalisme maar gaat er volledig aan voorbij dat beide Nobelprijswinnaars vertegenwoordigers zijn van twee verschillende economische tradities, respectievelijk de Oostenrijkse school en de Chicago school. Achterhuis beroept zich op de autoriteit van John Gray die volgens hem “helder” heeft aangetoond dat het project van “Milton Friedman en zijn Chicago boys” meer met utopisch denken dan met wetenschap te maken heeft (p. 10). Dit is wel erg kort door de bocht. De wortels van de Chicago school liggen bij Jacob Viner en Frank Knight die al over de ethische kant van het liberalisme schreven toen Rand nog naar de VS moest emigreren. Je kunt dit liberalisme – neo of anderszins – niet los zien van de in Chicago ontwikkelde microeconomie met ‘Tight Prior Equilibrium’ (TPE) als uitgangspunt (Reder 1982). TPE is niets anders dan de veronderstelling dat concurrentie markten naar evenwicht tussen vraag en aanbod stuwt. Generaties Chicago economen zijn opgevoed met dit model dat ook de start vormde voor de Chicago traditie op het gebied van empirisch onderzoek. Ik heb er eerder op gewezen dat dogmatisme de Chicago economen niet vreemd is (Tieben 2009). Het onderzoek is er vooral op gericht het theoretisch evenwichtsmodel te ondersteunen en niet om in de geest van Popper te zoeken naar falsificaties. Je kunt dat utopisch denken noemen. Ik kijk liever naar de vracht kennis die het heeft opgeleverd, bijvoorbeeld over de rol van informatie en zoekkosten (Stigler) en transactiekosten (Coase). De recente Nobelprijs voor Diamond, Mortensen en Pissarides laat zien hoe belangrijk het is om de fricties op de arbeidsmarkt en andere markten te begrijpen, theoretisch en empirisch. De Chicago school heeft daar een forse bijdrage aan geleverd.

Het is deze oogst aan economische kennis die Achterhuis niet wil kennen. Hij blijft naar eigen zeggen “haken bij ingewikkelde statistieken en voor een leek onbegrijpelijke wiskundige vergelijkingen.” (p. 232). Dat mag toch geen reden zijn voor een kortzichtige analyse van de school die de meeste Nobelprijzen in de economische wetenschap heeft opgeleverd? In de statistieken en wiskunde ligt wel degelijk een belangrijk deel van de bewijsvoering voor het neoliberalisme besloten, al is de kijkrichting dan beperkt tot zaken die het theoretische model ondersteunen.

De Oostenrijkse school wordt door Achterhuis op dezelfde manier behandeld. Er is geen enkele aandacht voor de economische traditie waarin Mises en Hayek opereren. Achterhuis beklaagt zich over het ontbreken van een goede intellectuele biografie over Hayek en bekent dat het hem niet lukt goed greep te krijgen op zijn denken (p. 221). Dat klopt. Met geen woord rept Achterhuis over de economische achtergrond van Hayek’s liberalisme, geworteld in de prijstheorie van Menger, Böhm-Bawerk en vooral Wieser, waarin het gedachte-experiment (bijvoorbeeld het wegdenken van de overheid) centraal staat. Mises en Hayek hebben de hyperinflatie in Oostenrijk in de jaren twintig aan den lijve ondervonden. Niet zo vreemd dat ze aan de basis stonden van een geldtheorie waarin werd gezocht naar middelen om de invloed van centrale banken en staten op de geldhoeveelheid te minimaliseren. Mises en Hayek stonden in het centrum van het langstlopende debat in de economische wetenschap, het calculatiedebat met marktsocialisten zoals Barone en Lange. Inzet was de vraag of centrale planning een substituut kan zijn voor coördinatie via het marktmechanisme. Het Oostenrijkse denken over de werking van de markteconomie is behoorlijk gescherpt in dit loop van dit debat dat al meer dan tachtig jaar loopt. Het is daarom vreemd dat Achterhuis er met geen woord naar verwijst. Het voelt een beetje als een cursus filosofie zonder aandacht voor Kant en Hegel.

Positieve versus normatieve wetenschap

Omgekeerd negeren economen vaak de filosofische implicaties van hun werk. Met dank aan Hennipman zien economen positieve wetenschap als hun werkveld waarin voor normatieve argumenten geen plaats is. Marktwerking geldt als een neutraal instrument, “iets waar je niet voor of tegen kunt zijn” volgens de Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staatshuishoudkunde over marktwerking en publieke belangen. Volgens deze economen blijkt uit empirisch onderzoek dat “marktwerking welvaartsverhogend werkt in de praktijk”. Hier kunnen we leren van de filosofie. David Hume poneerde al lang geleden het inductie probleem: je kunt niet op basis van een beperkt aantal waarnemingen algemeen geldige uitspraken doen. Bewijst de empirie dat marktwerking in alle gevallen welvaartsverhogend is? Ik denk dat weinig economen die stelling zullen onderschrijven.

Achterhuis besluit zijn boek met twee economische studies die empirisch aantonen dat het neoliberalisme economisch gezien niet beter presteert dan concurrerende regimes zoals een geleide economie à la Keynes. Voor hem is dit de nagel aan de doodskist van het neoliberalisme. Aardig om te zien hoe de filosoof hier in dezelfde valkuil van het inductieprobleem stapt als de economen. Ik denk dat we allemaal nog veel te leren hebben als het gaat om de economische en filosofische implicaties van vrije markten. Kortzichtigheid helpt daarbij niet. De filosoof moet investeren in wiskunde en statistiek, hoe vervelend ook. Economen kunnen de witte jas op het haakje laten. Hun wetenschap is niet louter positief. Normatieve argumenten zoals de voorkeur voor vrije markten spelen onvermijdelijk een rol, hoe robuust de Pareto-theorema’s van de welvaartstheorie op het eerste gezicht ook lijken. Laten we proberen dat grijze gebied tussen economie en filosofie beter te verkennen. Wellicht dat we dan meer zicht krijgen op die olifant genaamd marktwerking.

Referenties:

Achterhuis, H. (2010), De utopie van de vrije markt, Rotterdam: Lemniscaat.

Reder, M. (1982), ‘Chicago Economics: permanence and change’, Journal of Economic Literature, vol. 20(1), pp. 1-38.

Robinson, J. (1962), Economic Philosophy, London: C.A. Watts & Co.

Tieben, B. (2009), ‘De economie van marktwerking in Chicago en Wenen’, TPEdigitaal, vol. 3(4), pp. 61-84.

Van Damme, E. en M.P. van Schinkel (red.) (2009), Marktwerking en Publieke Belangen, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staatshuishoudkunde, Amsterdam

Bron foto: cometstarmoon, Flickr

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik