Back

Artikel

Home

Hoog tijd om ongelijkheid in de samenleving aan te pakken

7 feb 2014
Onderwerpen: Inkomensongelijkheid

In de tijd van Tinbergen en Pen was inkomensongelijkheid een hot topic, maar in de loop van de jaren tachtig en negentig is de ongelijkheid in het leven uit het zicht van economen verdwenen. Er zijn echter goede zowel economische als niet-economische redenen om zorgen te hebben over de inkomens- en vermogensongelijkheid in Nederland volgens Esther-Mirjam Sent. President Obama en het World Economic Forum hebben recentelijk ongelijkheid hoog op de agenda geplaatst en het wordt tijd dat Nederland dit voorbeeld volgt.

Ongelijkheid prioriteit

Barack Obama wil de grote en groeiende inkomensongelijkheid in zijn land aanpakken. Hij is niet de enige die dit probleem agendeert. Zo meent het World Economic Forum, onlangs bijeen in Davos, dat het immer groeiende gat tussen de inkomens van de rijkste en de armste burgers de wereldeconomie bedreigt.

Lange tijd hebben economen zich verzet tegen pleidooien voor een rechtvaardiger inkomensverdeling. Immers, er zou een afruil bestaan tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid: een eerlijke inkomensverdeling zou leiden tot minder economische groei. De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz heeft in zijn recente boek The Price of Inequality (2012) een stevig pleidooi gehouden dat deze redenering niet klopt. Hij toont aan dat inkomensongelijkheid juist leidt tot lagere economische groei.

Hoe ongelijkheid de economie beinvloedt

Ongetwijfeld is Obama in zijn pleidooi voor een hoger minimumloon beïnvloed door de voormalig voorzitter van zijn raad van economisch adviseurs, de econoom Alan Krueger. Deze toonde samen met de econoom David Card aan dat een gematigde stijging van het minimumloon goed is voor de werkgelegenheid (Card en Krueger, 1995). Die neemt toe vanwege een vergroting van het arbeidsaanbod.

Econoom en voormalig Wereldbank-topman Stiglitz heeft echter additionele economische bezwaren ingebracht tegen een grote inkomensongelijkheid op basis van de recente geschiedenis. Zo ziet hij de groeiende ongelijkheid als belangrijke oorzaak van de economische crisis. Degenen onderaan de ladder wilden niet achterblijven bij het stijgende consumptieniveau van degenen die bovenaan de ladder staan, met uiteindelijk onhoudbare schulden als gevolg. Daar komt bij dat degenen aan de top hun geld niet investeerden in de economie, maar juist eruit trokken. De gevolgen van deze giftige cocktail van ‘trickle down consumption’ en ‘trickle up effect’ zijn inmiddels bekend.

Niet alles is economie

Naast economische argumenten, zijn er ook filosofische, sociologische en psychologische factoren die in deze discussie een rol spelen. Graag bespreek ik die afzonderlijk.

Voor de filosofische argumenten tegen inkomensongelijkheid: filosofen van John Rawls (1999) tot Thomas Pogge (2008) hebben zich hierover gebogen. Econoom en filosoof Amartya Sen vertelde op 4 februari in Trouw over zijn ‘capabilities’ benadering: economie moet niet alleen gaan over het bruto binnenlands product, maar over de mogelijkheden die burgers hebben om dankzij de economische groei een goed leven te leiden.

Dan wat betreft de sociologie van inkomensongelijkheid: niet alles is economie. Mensen vinden economische groei belangrijk, maar geven ook hoge prioriteit aan goede en betaalbare gezondheidszorg, goed onderwijs, veiligheid. Kijken we bijvoorbeeld naar de gezondheidszorg, dan bestaat er bewijs dat grotere statusverschillen zorgen voor chronische stress, wat weer leidt tot meer hart- en vaatziektes. Nemen we het onderwijs, dan blijkt statusbesef van grote invloed op schoolprestaties van kinderen. Mensen met een lagere sociaal-economische status presteren minder goed zodra ze zich bewust worden van hun positie op de sociale ladder. Wat betreft de veiligheid, is bewezen dat mensen die zich schamen over hun sociale status, vaker agressief zijn.[1] Kortom, hoe kleiner de inkomensverschillen, hoe beter de prestaties van een land op het terrein van gezondheidszorg, onderwijs en veiligheid.

Geen Angelsaksisch verschijnsel

In Nederland bestaat de neiging om te denken dat extreme inkomensverschillen vooral een Angelsaksisch verschijnsel zijn. Nederland is inderdaad een relatief egalitair land, met een naar internationale maatstaven relatief geringe inkomensongelijkheid. Maar in Nederland speelt wel iets anders: een hoge vermogensongelijkheid.

De ongelijkheid in vermogen is in Nederland veel hoger dan gemiddeld, blijkens onderzoek van onder andere hoogleraar economische en sociale geschiedenis Bas van Bavel (Van Bavel en Frankema, 2013). Het is hoger dan in de meeste Europese landen, hoger dan in het Verenigd Koninkrijk en op een even hoog niveau als in de Verenigde Staten. En de verschillen nemen ook nog eens toe. Tegelijkertijd is door een veelheid aan ingrepen de belasting op vermogen in Nederland in de afgelopen periode steeds verder verlaagd, tot onder het gemiddelde van de OECD-landen.

Waarom doen we dan niets?

Als er dan genoeg overtuigende filosofische, economische en sociologische argumenten zijn voor een gelijkere inkomens- en vermogensverdeling, wat houdt ons dan tegen? Dat is de psychologie van de hedonische rat race, vrees ik (Brickman and Campbell, 1971) . Mensen hechten eraan het beter te doen dan degenen om hen heen. Ze hechten eraan het beter te doen dan ze het in het verleden hadden, ze wennen aan welvaart. Ze denken gelukkiger te worden van hogere inkomens en grotere vermogens dan anderen rondom hen, maar dit gevoel is slechts tijdelijk.

Om af te sluiten met mijn favoriete filosoof Loesje: 'Rechtvaardigheid. Als schoonmakers beter verdienen dan vervuilers.' Maar liefst niet heel veel beter, afgaande op bovenstaande economische, filosofische en sociologische argumenten. De initiatieven van Barack Obama en het World Economic Forum zijn daartoe stappen in de goede richting.

* Dit is een uitgebreidere versie die eerder verscheen in Trouw van 7 februari 2014.

Voetnoten:


[1] Zie voor empirisch bewijs over deze drie velden Wilkinson & Pickett (2011).

Referenties:

Bavel, B.J.P. van, en Frankema, E. (2013). Low Income Inequality, High Wealth Inequality.The Puzzle of the Rhineland Welfare States. No 50,Working Papers from Utrecht University, Centre for Global Economic History

Brickman, P., en Campbell, D. T. (1971). Hedonic relativism and planning the good society. Adaptation-level theory, 287-305.

Card, D., en Krueger, A. B. (1995). Time-series minimum-wage studies: a meta-analysisThe American Economic Review85(2), 238-243.

Pogge, T. W. (2008). World Poverty and Human Rights. Polity.

Rawls, J. (1999), A Theory of Justice, Belknap Press.

Stiglitz, J.E., (2012), The Price of Inequality –How Today’s Divided Society Endangers Our Future, Norton, New York.

Wilkinson, R. G., en Pickett, K. (2011). The Spirit Level. Bloomsbury Press.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik