Back

Artikel

Home

Afschaffing kinderopvangsubsidies verlaagt de welvaart

29 nov 2012
Onderwerpen: Arbeidsmarkt, Publieke sector
Moeder en kind Kinderopvangsubsidies zijn meer dan alleen maar herverdeling, betogen Carl Koopmans en Lucy Kok. Zij gaan hiermee in op het betoog van Van ´t Riet en Van der Wiel die uitsluitend in een politieke wens tot herverdeling een reden voor overheidsingrijpen zien. Volgens Koopmans en Kok zijn er publieke belangen in het geding. Afschaffing van de kinderopvangsubsidie zou op nationaal niveau tot een verlies van bijna een miljard euro per jaar betekenen.

Kinderopvang = herverdeling?

In een recente bijdrage op Me Judice betogen Van ’t Riet en Van der Wiel (2012) dat herverdeling van rijk naar arm het belangrijkste motief is om kinderopvang te subsidiëren. Zij bespreken diverse publieke belangen die potentieel een rol zouden kunnen spelen, maar zien daarin geen reden voor financiële ondersteuning door de overheid. In deze reactie worden de publieke belangen nader bekeken. Daarbij blijkt dat Van ’t Riet en Van der Wiel het publieke belang van een hogere arbeidsparticipatie te gemakkelijk terzijde schuiven.

Informatie kwaliteit kinderopvang

Van ’t Riet en Van der Wiel (2012) beschrijven drie potentiële soorten marktfalen: informatie-asymmetrie wat betreft de kwaliteit van de opvang, een ‘fiscale externaliteit’ op de overheids­inkomsten; en mogelijke externe baten via het kind. Wat betreft informatie-asymmetrie constateren zij dat hier een marktfalen bestaat maar dat deze vraagt om regulering gericht op een minimum kwaliteitsniveau, niet om subsidiëring. Echter, als de overheid kwaliteit kan reguleren, kan zij kwaliteit ook belonen, vooral waar die boven een minimumniveau uitgaat. Daarbij kunnen naast de leidster-kindratio andere indicatoren worden gebruikt, zoals het opleidingsniveau van de leidsters en de tijd die wordt besteed aan educatieve activiteiten.

Fiscale externaliteit

Als kinderopvang tot extra arbeidsparticipatie leidt, treedt een ‘fiscale externaliteit’ op. Belastingen zijn uiteraard zelf overdachten en geen maatschappelijke baten. Echter, de maatschappelijke waarde van een gewerkt uur is ongeveer gelijk aan de bruto loonkosten die de werkgever ervoor over heeft. En de maatschappelijke kosten bestaan uit de verloren waarde van vrije tijd, die ongeveer gelijk is aan het netto uurloon. Het verschil tussen maatschappelijke baten en kosten is dus ongeveer gelijk aan de belastingopbrengsten.

Van ’t Riet en Van der Wiel betogen dat het effect van kinderopvang op de arbeidsparticipatie beperkt is (Jongen, 2010; Bettendorf et.al., 2012). Zij concluderen daaruit dat omvangrijke netto baten niet voor de hand liggen. In een kosten-batenanalyse (Kok et.al., 2011) hebben wij gerekend met een eveneens klein effecten op de arbeidsparticipatie: een stijging van de prijs van kinderopvang met 10% leidt tot een daling van het arbeidsaanbod van vrouwen in uren met 0,6% (ter vergelijking: Jongen, 2010, vindt een effect van 0,4%). Dat betekent echter niet dat de arbeidsparticipatiebaten klein zijn, want de waarde van elke extra werkende ouder is groot: naar schatting 26% van een bruto loon van gemiddeld € 30.000,- is € 7.800,- per jaar. Per saldo leidt afschaffing van de kinderopvangsubsidie tot een negatief welvaartseffect van bijna een miljard euro per jaar.

Baten via kind

Als derde effect noemen Van ’t Riet en Van der Wiel (2012) ‘externe baten via het kind’. Dit zou alleen een publiek belang zijn als de ouders ‘kortzichtig’ zijn en daardoor onvoldoende rekening houden met de belangen van hun kinderen. Zij zouden bijvoorbeeld genoegen kunnen nemen met opvang van lage kwaliteit. Berden en Kok (2011) gaven eerder aan dat er twijfel kan bestaan over de vraag of dit externe effecten en dus publieke belangen zijn.

Onvoldoende concurrentie

Een mogelijk publiek belang dat Van ’t Riet en Van der Wiel (2012) niet noemen, is onvoldoende concurrentie. Kinderopvangmarkten hebben een lokaal karakter (Berden en Kok, 2011. Veel ouders kunnen in beginsel binnen een reistijd van 10 minuten kiezen uit 6 kinderdagverblijven en 4 instellingen voor buitenschoolse opvang. In de praktijk zijn er echter jarenlang flinke wachtlijsten geweest. De reden dat het aanbod zich (te) langzaam aanpast aan de vraag, ligt met name in beperkingen die overheden opleggen, zoals kwaliteitsregulering en onzekerheid over subsidies aan ouders. Dit publieke belang vraagt om verkleining van overheidsfalen, niet om subsidiëring.

Herverdeling is geen publiek belang

De enige reden voor subsidiëring die Van ’t Riet en Van der Wiel (2012) wel erkennen, is herverdeling van rijk naar arm. Zij duiden dit aan als een publiek belang. Herverdeling betreft echter een politieke wens, geen inefficiëntie in een markt. Daarom is het verwarrend om herverdeling – in een economisch perspectief – als een publiek belang aan te duiden. Maar duidelijk is wel dat herverdeling een legitieme reden voor overheidsingrijpen is. Daarbij stellen Van ’t Riet en Van der Wiel (2012) dat herverdeling net zo goed via een andere sector kan worden gerealiseerd. Het is echter de vraag of herverdeling naar de groep “werkende ouders met jonge kinderen en een laag inkomen” op andere manieren even goed kan worden bereikt.

Afschaffing kinderopvangsubsidies verlaagt welvaart

Al met zijn er dus drie redenen voor subsidiëring: twee economische en één politieke. Een eerste economische reden ligt in effecten op de arbeidsparticipatie die weliswaar klein zijn maar toch forse baten met zich meebrengen. De tweede economische reden is dat de overheid kwaliteit kan belonen als ouders die moeilijk kunnen waarnemen. En een politieke reden is de wens om herverdeling naar ouders van jonge kinderen met een laag inkomen te realiseren. Uit onze kosten-batenanalyse (Kok et.al., 2011) bleek dat beperkte verlaging van de subsidies, zoals inmiddels wordt doorgevoerd, qua maatschappelijke welvaart neutraal is. Volledige afschaffing van subsidies is onrendabel: het kost de maatschappij meer dan het oplevert.

Referenties

Berden, C., Kok, L. (2011) Gevolgen van vraagfinanciering in de kinderopvang, TPEdigitaal 5(1), pp. 81-96.

Bettendorf, Leon J.H., Egbert L.W. Jongen en Paul Muller (2012) Childcare subsidies and labour supply - Evidence from a large Dutch reform, CPB Discussion Paper 127.

Jongen, E. (2010) Childcare subsidies revisited, CPB Document 200, Den Haag

Kok, L., C. Koopmans, C. Berden, R. Dosker (2011) De waarde van kinderopvang, rapport 2011-33, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam.

Riet, M. van ’t, Wiel, K. van der (2012) Kinderopvang had niet gebruikt moeten worden voor inkomenspolitiek, Me Judice, 3 november.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik