Back

Artikel

Home

Jonge werkende ouders in de knel door nieuwe regels kinderopvangtoeslag

11 nov 2011
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
De manier waarop minister Kamp de regels voor de kinderopvangtoeslag verandert, maakt het jonge ouders moeilijk een periode zonder werk te overbruggen, en ook om opleiding en werk te combineren, stelt Marloes de Graaf-Zijl. Het doel van het initiatief – fraudebestrijding binnen de informele zorg – heeft belangrijke negatieve bij-effecten voor een grote groep ouders. Dit gaat in tegen de jarenlange inspanningen van de overheid om het opleidingsniveau te verhogen, de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen te bevorderen en de arbeidsmarkt flexibeler te maken. Om de nadelige effecten te verminderen zou het UWV moeten bijdragen aan kinderopvangkosten van mensen die tijdelijk werkloos zijn en zou DUO hetzelfde moeten doen voor studerenden met kinderen.

Fraudebestrijding

Minister Kamp heeft voorgesteld het aantal uren kinderopvang dat een gezin kan declareren te koppelen aan het aantal uren dat de minst werkende partner werkt. Zijn doel is fraude te bestrijden, vooral binnen de informele zorg: mensen die voor elkaar oppassen, dan wel zelf thuiszitten. Hoewel de regel in eerste instantie een stimulans lijkt om meer te gaan werken, is het in de praktijk een groot obstakel om te werken en te leren. Laat ik om te beginnen aan de hand van een aantal voorbeelden illustreren op welke punten het plan slecht uitpakt.

Wat als een van de partners werkloos raakt?

Neem het gezin van Paul en Iris. Paul werkt full-time in de bouw, Iris twee dagen in de zorg. Het bedrijf van Paul gaat niet goed en zou wel eens failliet kunnen gaan, iets wat de laatste tijd vrij regelmatig met kleine bouwbedrijven gebeurt. Als Paul zijn baan verliest, krijgt hij van minister Kamp drie maanden de tijd om nieuw werk te vinden, anders krijgen ze de crèche voor hun twee jonge kinderen niet meer vergoed. Dan zal Paul twee dagen voor de kinderen moeten zorgen, want de crèche kunnen ze niet meer betalen. Omdat de crèche een opzegtermijn heeft, zullen ze zelfs al na twee maanden moeten beslissen of ze de crèche opzeggen. De vraag is hoe Paul weer een andere baan kan accepteren als hij op de kinderen moet passen.

Stel hij vindt ander werk, dan zullen zijn kinderen eerst weer op de wachtlijst voor de crèche moeten, want de crèche houdt geen plek voor ze vrij . Pas op het moment dat de crèche weer plek heeft zal Paul aan de slag kunnen. Geen werkgever zal hem onder die voorwaarde aannemen, want voor hem tien anderen. Het alternatief is dat Iris stopt met werken, zodat Paul weer aan de slag kan. Dit probleem bestaat zolang er sprake is van wachtlijsten voor de kinderopvang, een situatie die vooral in de grote steden al jarenlang bestaat en dat voorlopig nog niet opgelost lijkt te worden (Berden en Kok, 2009, 2011).

Combineren van studie en opleiding

De buren van Paul en Iris, Erik en Sanne, maken zich om een andere reden zorgen. Het is een jong stel. Hij werkt in de supermarkt en zij gaat nog naar school. Hun kindje is 1 jaar oud en gaat naar de crèche als Sanne op school zit of stage loopt. Sanne heeft gehoord dat de regels gaan veranderen en belt verontrust de belastingdienst om te vragen of de uren op school en stage ook meetellen als werkuren. Zij krijgt als antwoord dat dit nog niet bekend is. De Tweede Kamer moet er nog over beslissen. Streefdatum is 1 januari 2012 en de regeling zal dan per direct in werking treden. Hoe moet dit gezin hierop anticiperen? De crèche heeft een opzegtermijn, dus Sanne zal snel moeten beslissen of ze stopt met de crèche, en dus met haar school. Op deze manier schaadt het voorstel het opleidingsniveau van de Nederlandse vrouw, en daarmee haar arbeidsmarktpotentieel.

Uren per week

Peter en Susan hebben weer een ander probleem. Peter werkt full-time en Susan werkt drie dagen per week, dus de kinderen gaan drie dagen per week naar de crèche. De cao waar het bedrijf van Susan onder valt werkt met een 36urige werkweek. Dus Susan werkt 7,2 uur per dag. Omdat ze de crèche 11 uur per dag moeten betalen, zullen ze in het voorstel van Kamp ongeveer een uur per dag niet vergoed krijgen. Dat gaat namelijk uit van 1,4 maal het aantal gewerkte uren. Crèches zullen niet per 1 januari ineens per uur gaan declareren in plaats van per dag, want dat heeft grote gevolgen voor hun bedrijfsvoering. Doordat Peter en Susan een vrij laag inkomen hebben, krijgen ze normaliter een groot deel van de opvangkosten vergoed. Het ene uur dat ze zelf moeten betalen, is dus een behoorlijke aanslag op hun budget. Susan vraagt zich af of ze deze extra kosten wel kunnen opbrengen, of dat ze beter kan stoppen met werken.

Flexibele arbeid

Nicole werkt met wisselende uren. Ze weet niet vooraf hoeveel uur ze zal werken en dus ook niet hoeveel uur ze volgend jaar vergoed zal krijgen. Ze vraagt zich af of ze met die nieuwe regels wel moet blijven werken. Gelukkig heeft zij haar ouders in de buurt, die misschien bij willen springen. Maar veel van haar vrienden en vriendinnen werken ook als zzp’er, als uitzendkracht of als oproepkracht en zitten in hetzelfde schuitje en die hebben niet allemaal het geluk dat hun ouders in de buurt wonen, gepensioneerd zijn en het leuk vinden om een dagje extra op te passen.

Het doel van minster Kamp: fraudebestrijding

Natuurlijk is iedereen het met minister Kamp eens dat het onwenselijk is dat twee vrouwen elkaars gastouder zijn en daarvoor opvangtoeslag ontvangen. Ook is er een argument te maken dat we als samenleving niet willen betalen voor de opvang van kinderen terwijl er een huismoeder thuis zit. Maar het huidige voorstel heeft vooral nadelen. Niet alleen kost het ontzettend veel geld, omdat de belastingdienst gewerkte uren moet gaan registreren, en wellicht ook het aantal uren dat iemand studeert. Het is ook funest voor de arbeidsmarkt. Werklozen zullen kinderen van de crèche moeten halen, wat het zoeken naar ander werk belemmert. Vooral vrouwen zullen ervoor kiezen te stoppen met werken, want niet iedereen heeft niet-werkende ouders in de buurt die kunnen en willen bijspringen. Vrouwen met kinderen zullen hun opleiding vaker niet afmaken.

Terug van formele naar informele opvang?

Uit onderzoek blijkt dat verlaging van de kosten van kinderopvang mensen informele opvang inruilen voor formele opvang (Jongen, 2008, 2010). Je zou kunnen verwachten dat bij een kostenstijging het omgekeerde gebeurt. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn voor het voorbeeld van Peter en Susan. Ze zouden hun ouders, vrienden of buren kunnen vragen een deel van de opvang voor hun rekening te nemen. Los van het feit dat – samenhangend met de toenemende individualisering – niet iedereen een sociaal netwerk heeft om op terug te vallen, werken de meesten mensen uit dat netwerk tegenwoordig ook. Ook de grootouders zijn steeds vaker nog actief op de arbeidsmarkt, iets wat het kabinet stimuleert met de verhoging van de pensioenleeftijd en terugdringing van vervroegde pensionering. Bovendien wonen veel kinderen niet om de hoek bij hun ouders en zijn de ouderen van tegenwoordig druk met hun eigen leven en niet altijd bereid om vaste oppasdagen voor hun rekening te nemen. De subsidiering van kinderopvang heeft geleid tot het vervangen van informele door formele opvang, maar de omgekeerde weg is waarschijnlijk een stuk lastiger te bewerkstelligen.

Meer dan alleen kostenstijging

Ander onderzoek laat zien dat de arbeidsaanbodelasticiteit bij de huidige hoogte van de subsidiëring weinig gevoelig is voor kostenverhogingen van de kinderopvang. Jongen (2008) geeft aan dat kinderopvangsubsidies als participatie-instrument inmiddels grotendeels zijn uitgewerkt. De vraag is of dit ook geldt voor een daling van de subsidies. Kok e.a. (2011) concluderen dat rigoureuze vermindering van de huidige kinderopvangsubsidies leidt tot een daling van de arbeidsparticipatie van vrouwen en daarmee tot een daling van de totale welvaart. En van rigoureuze vermindering is in een aantal van de bovengeschetste voorbeelden wel degelijk sprake. Los daarvan zijn sommige van de bovengeschetste situaties gevallen waarin het niet alleen gaat om een kostenverhoging, maar ook om zeer praktische problemen: als gevolg van wachtlijsten kunnen ouders niet makkelijk hun kind van de crèche halen en later weer terugplaatsen.

Persoonlijke stress en onrust voor de kinderen

Het zal veel persoonlijk leed opleveren als mensen onverwacht met een hogere rekening voor de kinderopvang worden geconfronteerd. Niet iedereen beseft nu al wat ze volgend jaar te wachten staat. Degenen die het wel beseffen leven onder veel stress, omdat ze niet weten hoe ze moeten reageren. Zullen ze stoppen met hun studie of hun flexibele baan? Wat moeten ze doen met de kinderen als ze hun baan verliezen? Om maar niet te spreken over de onrust die het oplevert voor de kinderen, die het ene moment wel en het volgende moment niet naar de crèche kunnen, en van crèche moeten wisselen omdat de vorige crèche geen plek meer heeft op het moment dat hun ouders weer werk vinden.

Gaten repareren

Stel dat men besluit het voorstel in de praktijk te brengen, dan zijn er een aantal reparaties nodig om de negatieve effecten te verzachten. Om te beginnen is er een langere periode nodig tussen het besluit en de invoering. Dit geeft mensen de tijd hebben om op de beleidswijziging te anticiperen en crèches de tijd om op uurbasis te gaan declareren, waartoe ze overigens wel aangespoord zullen moeten worden. Uitstellen is vooral een praktische kwestie. Wat de arbeidsmarkt betreft gaat het om meer fundamentele zaken. Het zou een oplossing kunnen zijn als het UWV een bijdrage gaat betalen voor de kinderopvang van werklozen, zodat werklozen hun kinderen niet van de crèche hoeven te halen, waarna ze geen baan kunnen accepteren omdat er dan geen opvang is voor de kinderen. Voor studerenden met kinderen zou DUO deze rol kunnen vervullen. Het probleem van de flexibele arbeid, lijkt lastig op te lossen. Dit beleid is zeer lastig te rijmen met de jarenlange inspanning van de overheid om de arbeidsmarkt flexibeler te maken.

Bron foto: Flickr.

Referenties

Berden, C. en L. Kok (2009), Ontwikkelingen op de markt voor kinderopvang 2004-2008, SEO rapport 2009-41, Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.

Berden, C. en L. Kok (2009), Gevolgen van vraagfinanciering in de kinderopvang, TPEdigitaal, jaargang 5(1), pp. 81-96.

Jongen, E. (2008), Kinderopvang, waarheen, waarvoor?, TPEdigitaal, jaargang 2(4), pp. 27-48.

Jongen, E. (2010), Childcare subsidies revisited, CPB document 200, Den Haag: Centraal Planbureau.

Kok, L., C. Koopmans, C. Berden en R. Dosker (2011), De waarde van kinderopvang, SEO-rapport 2011-33, Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik