Back

Artikel

Home

Sociale partners zetten grote stappen op weg naar robuust pensioenstelsel

24 jun 2011
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
Afbeelding van een kruiwagenbak aan een rolater Het pensioenakkoord splijt de geesten in de polder. De pensioenspecialisten Bovenberg, Frijns, Goudswaard en Nijman noemen het pensioenakkoord moedig. Het bevat volgens hen drie historische stappen voorwaarts: eerlijk over risico's, koppeling van pensioenleeftijd aan levensverwachting en het ontzien van lage inkomensgroepen.

Eerlijk over onzekerheid

Het pensioenakkoord bevat drie historische stappen. In de eerste plaats gaan pensioenfondsen beter communiceren over de onvermijdelijke koopkrachtrisico’s die nu eenmaal verbonden zijn aan langetermijn pensioenbesparingen. In plaats van de kop in het zand te steken kiest het pensioenakkoord de moedige weg om risico’s te benoemen, te verdelen en te communiceren. Zo dicht het akkoord de kloof tussen de onrealistische verwachtingen van de deelnemers die hun pensioen gegarandeerd wanen en de harde realiteit dat de toekomstige koopkracht van pensioenen onzeker is.

Het akkoord neemt daarmee terecht afstand van het verzekeringsmodel. De hoge nominale garanties in dat model geven een veilig gevoel maar draaien de deelnemers een rad voor ogen. Deelnemers staan namelijk bloot aan drie belangrijke risico’s. In de eerste plaats het risico dat inflatie de koopkracht van hun pensioen erodeert. Een tweede risico is dat de nominale rechten onverhoopt worden afgestempeld. Veel fondsen blijven ook bij lage dekkingsgraden beleggen in aandelen en laten renterisico’s open staan. Dat is begrijpelijk want zo wordt indexatiepotentieel behouden en dekken fondsen zich in tegen het risico van oplopende inflatie. Maar de keerzijde is dat fondsen willens en wetens het risico nemen van het verlagen van nominale pensioenen. Een derde risico is dat de verdeling van de risico’s onhelder is.

Het akkoord maakt aan deze derde onzekerheid gelukkig een einde door van te voren verdelingsregels af te spreken. De helderheid over het verdelen van eventuele toekomstige pijn leidt nu wel tot het nodige ongenoegen bij belanghebbenden. Dit komt omdat fondsen nu nog niet duidelijk zijn over wie bij lage dekkingsgraden de eigenaren zijn van neerwaartse risico’s. Verschillende partijen interpreteren de oude, onduidelijke contracten in hun voordeel en claimen daarom dat ze er op achter uit gaan door de nieuwe afspraken. Zo nemen gepensioneerden gegarandeerde pensioenen als uitgangspunt waarbij de premiebetalers de eventuele neerwaartse schokken opvangen. Jongeren daarentegen gaan er van uit dat ze onder het huidige contract noch via herstelpremies noch via lagere aanspraken zullen worden gevraagd neerwaartse risico’s te dragen. In het nieuwe pensioencontract vangen de werkenden de beleggingsrisico’s niet meer op via fluctuaties in de premie en dus de loonruimte maar wel via een relatief groot effect op hun tot dan toe opgebouwde pensioenaanspraken. De aanspraken van gepensioneerden worden ontzien omdat schokken over een periode van maximaal tien jaar worden uitgesmeerd. Zo delen werkenden en gepensioneerden in de pijn van het dichten van de huidige verwachtingskloof: gepensioneerden kunnen niet meer uitgaan van een gegarandeerd nominaal pensioen maar werkenden dragen een groter deel van de risico’s.

Koppeling pensioenleeftijd aan levensverwachting

Een tweede groot winstpunt van het akkoord is het koppelen van de AOW leeftijd en pensioenleeftijd aan de levensverwachting. Jongeren krijgen later pensioen maar profiteren doordat ze langer leven toch nog langer van hun pensioen dan de huidige ouderen. Door de kostenstijgingen die voortvloeien uit de langere levensverwachting te stoppen, beëindigen sociale partners de voortdurende druk op de loonruimte. De vakbeweging krijgt meer mogelijkheden om betere arbeidsvoorwaarden uit het vuur te slepen in plaats van haar leden steeds maar weer te moeten overvallen met onverwachte versoberingen.

Ontzien lage inkomens

Last but not least is het derde winstpunt dat het akkoord lage inkomens ontziet door de AOW extra te indexeren. Deze ruimere koppeling zorgt ervoor dat ook mensen met een klein aanvullend pensioen met vaak een kortere levensverwachting al voor de AOW leeftijd hun AOW kunnen opvragen zonder daardoor door het sociale minimum te zakken.

Resterende problemen

Maar er is nog veel werk te doen. Zo moet de communicatie van de pensioenonzekerheid naar deelnemers nog worden uitgewerkt. Met name jongere werkenden maar ook werknemers tussen de 45 en 60 jaar zullen onaangenaam worden verrast door de grote onzekerheid over de koopkracht van hun pensioen. Dat is een extra reden om hard te werken aan de emancipatie van oudere werknemers op de arbeidsmarkt. Dit om hen de kans te geven eventuele schokken op te vangen door wat langer door te werken en/of extra premie te storten.

Verdeling tekort

Het meeste gevoelige politieke punt betreft de verdeling van het huidige financieringstekort dat het spiegelbeeld is van de huidige verwachtingskloof. De keuze van de discontovoet en de daarbij horende sturingsregels spelen een belangrijke rol bij de verdeling van dat tekort. Nu afscheid genomen wordt van het verzekeringsmodel hoeft niet meer de lage nominale marktrente als discontovoet te worden gebruikt waardoor de verplichtingen lager lijken. Maar als de discontovoet gelijk gesteld zou mogen worden aan het hogere verwachte rendement (inclusief de risicopremie) dreigt het pensioenakkoord naast de doorsneesystematiek een tweede overdracht van jong naar oud in het pensioenstelsel te institutionaliseren. Terwijl werkenden door de uitsmeerperiode de meeste risico’s dragen wordt de beloning voor dat risico dan namelijk ook uitgekeerd aan de gepensioneerden die door de uitsmeerperiode minder van dat risico dragen. Deze tweede overdracht van jong naar oud komt de robuustheid van het pensioenstelsel in een vergrijzende samenleving niet ten goede. Dit gevaar kan echter worden bezworen door een prudente disconteringsvoet te kiezen die hoger ligt dan de risicovrije rentevoet maar lager dan het verwachte rendement.

Definiëren eigendomsrechten

Een ander probleem van het akkoord is het ontbreken van helder gedefinieerde eigendomsrechten nu deelnemers geen nominale pensioenrechten meer kunnen ontlenen aan het collectieve pensioenfonds. Het zal duidelijk moeten zijn wat een deelnemer heeft opgebouwd en wat hij mee kan nemen als hij bijvoorbeeld van baan verandert of zzp-er wordt. Onze voorkeur gaat uit naar individuele rekeningen die op elke moment in geld gewaardeerd kunnen worden. Naast de huidige waarde van deze rekeningen wordt ook de bandbreedte voor het individuele pensioenresultaat (als percentage van het loon) gecommuniceerd en kunnen deelnemers desgewenst inzicht krijgen in hoe zowel hun pensioenresultaat als de waarde van hun pensioenaanspraak varieert met de belangrijkste onzekerheden.

Moedig pensioenakkoord

Het historische pensioenakkoord neemt drie belangrijke stappen voorwaarts en toont moed door moeilijke boodschappen te brengen ten behoeve van de lange-termijn houdbaarheid van het pensioenstelsel. Er is nog veel werk te doen om het hoofdlijnenakkoord verder uit te werken en te komen tot een pensioenstelsel dat de vergrijzing kan doorstaan. Maar er is een goede basis gelegd.

* Dit is een uitgebreide versie van het artikel dat in NRC Handelsblad van 23 juni 2011 verscheen.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik