Back

Artikel

Home

Laat pensioendebat niet verzieken door spookverhalen rond solidariteit

20 jan 2016
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen

Het debat over de toekomst van het pensioenstelsel is nog lang niet voltooid. Het pensioenstelsel kreunt onder de lage rente en te hoge ambities. Maar de pensioenplannen om de solidariteit tussen jong en oud over boord te gooien zijn veel te voorbarig. Aldus APG-econoom Peter Vlaar. Hij berekent op basis van ABP-data dat jongeren de laatste acht jaar nauwelijks slechter af zijn geweest als gevolg van solidariteitsstromen. De impliciete overdrachten in het huidige systeem zijn vooral van gepensioneerden naar middengroepen gegaan.

Pensioenstelsel onrechtvaardig voor jongeren?

In de discussie over de toekomst van ons pensioenstelsel wordt veelvuldig beweerd dat het huidige stelsel onrechtvaardig voor jongeren zou zijn. De belangrijkste argumenten die deze veronderstelling voeden zijn het toepassen van de doorsneesystematiek, de aanpassingen in de disconteringsvoet (introductie van de ultimate forward rate (UFR)) en het feit dat fondsen in onderdekking niet meteen hoeven te korten. Daarnaast wordt beweerd dat de vergrijzing collectieve fondsen minder aantrekkelijk zou maken voor jongeren omdat de wens naar (nominale) zekerheid van ouderen de mogelijkheden om risico’s te nemen in de belleggingsmix van het fonds te veel zou beperken.

Dit laatste argument - jongeren kunnen te weinig risico nemen - is in tegenspraak met het argument dat jongeren te veel risico’s van ouderen moeten overnemen zodat zij bijvoorbeeld minder gekort hoeven te worden. In termen van het kunnen nemen van risico blijft een collectief contract aantrekkelijker dan een individueel contract, ook bij een sterk vergrijsd fonds. Effectief kunnen jongeren immers meer dan 100% worden blootgesteld aan de risico’s van aandelen doordat zij risico’s van ouderen overnemen. Dit is een gevolg van de 10-jaars hersteltermijnen die fondsen hebben om negatieve schokken op te vangen. Hierdoor delen jongeren zelfs al in financiële risico’s voor ze gaan werken. Deze hogere blootstelling aan aandelenrisico van jongeren is een verbetering volgens de life-cycle theorie, omdat zo een betere balans tussen menselijk kapitaal en financieel kapitaal wordt bereikt. Bovendien zorgt dit er voor dat in een collectief contract gemiddeld meer risico genomen kan worden dan in een individueel contract.

De overige argumenten gaan over overdrachten tussen generaties. Een belangrijke doelstelling die met deze overdrachten wordt nagestreefd is het voorkomen van pech- en gelukgeneraties. Dit heeft alles te maken met onderlinge solidariteit, een term die helaas steeds minder populair is geworden. Ten onrechte wordt vaak gedacht dat deze solidariteit alleen van jong naar oud loopt. Ter illustratie van de feitelijke intergenerationele transfers wordt in dit artikel uiteen gezet hoe de financiële positie van verschillende cohorten uit de ABP-populatie zou zijn verlopen indien het fonds eind 2007 zou zijn opgesplitst naar geboortejaar van de deelnemers. Met andere woorden: iedere generatie zou zichzelf redden en de spreiding van risico’s over generaties is verdwenen.

Rente-effect op initiële verplichtingen

Verreweg de belangrijkste bron voor relatieve waardeverschuivingen binnen een fonds is de rente. Aangezien de toezegging van een vaste uitkering in toekomst makkelijker is waar te maken naar mate de rente hoger is, moet het fonds meer geld reserveren als de rente daalt. Dit rente-effect is groter als de beleggingshorizon groter wordt. Aangezien de rente het afgelopen decennium structureel is gedaald zijn de verplichtingen van pensioenfondsen sterk gestegen. Dit wordt geïllustreerd door figuur 1. Hierin wordt de ontwikkeling van de waarde van een vaste set pensioenaanspraken (die van eind december 2007) per leeftijdsgroep getoond. Zowel een index van de waarde bij door DNB gehanteerde rentes (doorgetrokken lijnen) als die bij het gebruik van marktrentes (gestippelde lijnen) zijn opgenomen. Ter bevordering van de vergelijkbaarheid is de initiële waarde voor alle gevallen op 100 gesteld.

Alleen al als gevolg van de gedaalde rente zijn de verplichtingen van ABP met 70% toegenomen tussen december 2007 en december 2015. Bestandsontwikkelingen als gevolg van bijvoorbeeld oprenting, nieuwe aanspraken, uitkeringen, indexatie en nieuwe sterftetrends laten we hierbij buiten beschouwing. Voor jongeren is de groei nog veel groter geweest. De benodigde reservering voor de groep 30-minners is zelfs verdrievoudigd als gevolg van de aangepaste disconteringsvoet. Dit betekent overigens niet dat deze groep daarmee een groot gewicht heeft gekregen in het fonds. Het gewicht is toegenomen van 0,4% tot 0,7%. De relatieve waarde van de verplichtingen van jongeren ten opzichte van ouderen is echter wel duidelijk toegenomen. Zo is het gewicht van de groep 65-plussers als gevolg van renteontwikkelingen afgenomen van 33% naar 26% terwijl die van de groep 50-minners is toegenomen van 17% naar 23%.

Figuur 1: Impact van rente-ontwikkeling op waarde pensioenverplichtingen, naar leeftijdsgroepen (december 2007=100)

Gebruikte disconteringsvoet: stippellijn=marktrentes, doorgetrokken lijn=DNB-rentes.

Of deze relatieve waardeverschuiving ook gezien moet worden als een overdracht van oud naar jong valt te bezien. In principe veranderen de pensioenrechten van zowel ouderen als jongeren niet als gevolg van een renteverandering. Alleen de waardering van de rechten (en daarmee de verplichtingen) verandert. In het verleden werden negatieve schokken vooral opgelost door extra stortingen en was zelfs het nalaten van indexatie een uitzondering. De huidige situatie lijkt echter meer op een collectieve premie-overeenkomst, waarbij negatieve schokken door de deelnemers zelf opgevangen moeten worden. De lagere dekkingsgraad vertaalt zich hierbij direct in minder indexatie en mogelijk in kortingen. De hogere waardering van aanspraken van jongeren leidt aldus wel tot daling van rechten van ouderen (en jongeren), oftewel een overdracht van waarde. Bij het gebruik van marktrentes zijn deze transfers nog groter (zie stippellijnen). In dat geval zouden de rechten van 30-minners zelfs zijn verzesvoudigd in maart 2015 ten opzichte van december 2007.

De introductie van de UFR als grondslag voor de berekening van verplichtingen wordt vaak gezien als een onverantwoorde reductie van pensioenwaarde van jongeren en daarmee een overdracht naar ouderen. Hier kan echter tegenin worden gebracht dat de waardestijging van de aanspraken van jongeren als gevolg van de rentedaling veel groter was dan men van te voren voor mogelijk had gehouden. De introductie van de UFR kan dan ook gezien worden als een correctie van een (gedeeltelijk) onbedoelde overdracht van waarde van ouderen naar jongeren.

In theorie zou deze aanpassing ongepast zijn als het huidige contract het beste te beschrijven zou zijn als een nominale pensioengarantie. Als gevolg van het afgenomen belang van herstelpremies - dus de stijging van premies om tegenslagen op te vangen - zijn eventuele nominale kortingen tegenwoordig echter bij de meeste fondsen een integraal onderdeel van het beleid geworden, al blijft het een ultimate remedie. Feitelijk wordt dus al geen garantie meer gegeven. De contracten en regulering zijn momenteel zo ingericht dat kortingen (en indexering) op korte termijn onwaarschijnlijk zijn. In die zin is de waardering van deze pensioenrechten tegen een nominale risicovrije rente gerechtvaardigd. Op lange termijn zijn kortingen niet uit te sluiten, maar wordt ook indexatie waarschijnlijker. Fondsen nemen immers risico met de beleggingen waardoor gemiddeld een hoger rendement wordt behaald, tegen de prijs van een slechter resultaat als het tegenzit. Een risicopremie in de disconteringsvoet is dan ook niet onredelijk. Ook vanuit de verschillende voorkeuren van jongeren en ouderen wat betreft hun pensioen is differentiatie in de disconteringsvoet gewenst. Voor ouderen Is de nominale “garantie” waardevol (dus discontering tegen nominale risicovrije rente), maar voor jongeren is indexatie belangrijk, terwijl zekerheid minder relevant is (dus disconteren tegen verwacht reëel rendement). De nominale rentecurve met oude (vaste 4,2%) UFR voldeed (onbedoeld) redelijk aan dit streven.

Dekkingsgraadontwikkeling bij opsplitsing

De analyse in de vorige paragraaf behandelt alleen de gevolgen van een veranderende rente voor dezelfde set van verwachte kasstromen (die van december 2007) per leeftijdsgroep. In de volgende stap nemen we ook enige elementen van de ontwikkeling van het vermogen en de bestandsontwikkeling in de analyse mee. Concreet veronderstellen we dat het fonds eind 2007 zou zijn opgesplitst naar geboortejaar van de deelnemers. Vervolgens bekijken we hoe de dekkingsgraad voor de verschillende leeftijdsgroepen zich ontwikkeld zou hebben. Om de resultaten eenduidig interpreteerbaar te maken gaan we hierbij uit van de oorspronkelijk geprognotiseerde bestandsontwikkeling (dus zonder rekening te houden met onverwachte sterfte, werkgelegenheid of veranderingen in de regeling) en hetzelfde beleid voor alle cohorten. Voor de rendementen, loonontwikkeling en indexatie nemen we hiervoor de feitelijk gerealiseerde waarden, terwijl voor de premie wordt uitgegaan van een vaste 3,25% disconteringsvoet zonder eventuele herstelopslagen.

We beschouwen twee premievarianten. In de eerste variant betaalt iedere generatie de kosten van zijn opbouw, waardoor jongeren een lagere premie betalen dan ouderen (conform de huidige situatie bij premieregelingen). In de tweede variant betaalt iedereen dezelfde premie. Anders dan bij de huidige Defined Benefit (DB)-regelingen komt dit premiebedrag volledig ten goede aan de eigen generatie, waardoor jongeren feitelijk meer en ouderen minder dan de kostprijs betalen voor nieuwe opbouw (aangezien de opbouw in deze analyse voor alle cohorten gelijk is).

Figuur 2: Hypothetische dekkingsgraadontwikkeling bij opsplitsing eind 2007, naar generaties

Gebruikte premiehoogte: stippellijn = uniform (zonder overdracht), doorgetrokken lijn = cohortspecifiek.

De gevolgen van de renteontwikkelingen komen het duidelijkste naar voren bij de cohortspecifieke premie (doorgetrokken lijnen). Hoe jonger het cohort, hoe groter de stijging van de verplichtingen zou zijn geweest en dus hoe slechter de dekkingsgraad er voor zou staan. Voor de groep die eind 2007 jonger dan 31 jaar was zou de dekkingsgraad 28% lager zijn dan voor het ongesplitste fonds. In het ongesplitste fonds heeft men echter te maken met de doorsneepremie. Als we deze premie toerekenen aan het generatiefondsen (stippellijnen) zou de jongste groep er 15% beter voor staan dan het gemiddelde [1]. De cohorten van geboortejaren 1950 tot en met 1977 zouden er alle slechter voor staan, terwijl de gepensioneerden een 50% hogere dekkingsgraad zouden hebben. Hieruit kunnen we afleiden dat de grootste impliciete overdrachten de afgelopen 8 jaar zijn gegaan van de gepensioneerden naar de cohorten 1950 tot en met 1977. [2]

Generatieverschillen

De vraag doet zich nu voor of deze overdrachten gerechtvaardigd zijn? Een belangrijke reden voor overdrachten is het voorkomen van grote verschillen in pensioeninkomen voor verschillende generaties. Als gevolg van de gedaalde rente is het opbouwen van pensioen een stuk duurder geworden. De te verwachten rendementen voor de toekomst zijn immers lager. De transfers van oud naar jong mitigeren de impact die dit heeft op het toekomstig pensioeninkomen van jongeren. De gewenste omvang van de transfer hangt mede af van de mate waarin verwachte toekomstige rendementen afhangen van de risicovrije rente. Voor Staatsleningen is dit verband vrijwel een op een, maar voor aandelen is dit verband veel minder duidelijk, vooral ten tijde van Centrale Bank experimenten. Een transfer die volledig gebaseerd is op marktwaarden zou dan ook ongepast zijn.

Doorsneepremie

Een andere bron van overdrachten is het gebruik van de doorsneepremiesystematiek. Anders dan de overdrachten als gevolg van renteveranderingen vinden deze transfers altijd plaats, ongeacht de economische omstandigheden. Indien iedereen zijn hele leven bij het fonds zou blijven hoeft dit geen probleem te zijn. De praktijk is echter dat steeds minder mensen een leven lang bij een fonds denken te blijven zitten, al is het alleen maar omdat de meeste mensen er geen vertrouwen in hebben dat het fonds in zijn huidige hoedanigheid blijft bestaan. Vandaar dat het kabinet feitelijk al besloten heeft de doorsneepremie op te heffen en over te gaan naar een systeem met degressieve opbouw. Nog afgezien van de overgangsproblematiek die dit met zich meebrengt zal dit in ieder geval ook de inkomensschokken bij pensionering doen toenemen. Iemands pensioen hangt dan namelijk meer af van de inleg aan het begin van de loopbaan, waardoor de link met het eindloon kleiner wordt en de invloed van financiële schokken groter.

Sterfteontwikkelingen

Een andere bron van overdrachten tussen generaties betreft aanpassingen in sterfteprognoses. Tot voor kort waren sterfteprognoses altijd te negatief in de zin dat de voorspelde levensverwachting altijd achterbleef bij de realisatie. Figuur 3 toont de impact van aanpassingen van CBS-prognosetafels op de prijs van een (uitgestelde) annuïteit. Het totaalcijfer in de figuur geeft de opsomming weer van alle prijsaanpassingen in de jaren 2006-2014. Hierbij gaan we uit van een constante rekenrente van 3,25%. De impact van aanpassingen op de dekkingsgraad van ABP was over deze periode circa 11%. Het gewogen gemiddelde dat volgt uit figuur 3 is 14%. Het verschil heeft vooral te maken met het achterwege laten van nabestaandepensioen in figuur 3. Een lagere sterftekans voor 65 beperkt immers de kosten van het nabestaandepensioen. Bovendien is de levensverwachting van mannen meer toegenomen dan die voor vrouwen waardoor het nabestaandepensioen eveneens goedkoper is geworden.

Figuur 3: Aanpassingen in prijs (uitgestelde) annuïteit als gevolg van aanpassingen sterfteprognoses, naar leeftijd verzekerde

Uit figuur 3 blijkt dat de aanpassingen van sterfteprognoses de kosten van pensioen voor jongeren meer hebben doen toenemen dan die voor ouderen. Ook dit effect heeft een deel van de subsidie als gevolg van de doorsneesystematiek gecompenseerd. Het rente-effect is echter vele malen groter geweest.

En hoe nu verder?

Collectieve pensioenfondsen zijn momenteel niet populair. Jongeren klagen dat zij meer aan het pensioenfonds afdragen dan zij er aan waarde voor terug krijgen, vooral als gevolg van de doorsneepremie, en zijn (ten onrechte) bang dat het potje leeg zal zijn tegen de tijd dat zij met pensioen gaan. Ouderen klagen dat zij niet geïndexeerd krijgen omdat het disconteren tegen de huidige lage rente (het “arm rekenen”) de verplichtingen aan jongeren te veel heeft doen opblazen. Middengroepen klagen dat zij het grootste deel van de transitielast naar een ander systeem moeten dragen. Uit het feit dat niemand echt tevreden is, terwijl het probleem toch niet kan zijn dat er weinig verdiend is, blijkt al dat het probleem niet eenvoudig is op te lossen met een ander pensioensysteem. Het financieren van een oudedagsvoorziening is nu eenmaal veel duurder geworden als gevolg van de gedaalde rente en toegenomen levensverwachting. Bij premieregelingen is dit probleem nog veel explicieter naar voren gekomen (kijk maar naar de reacties bij stichting Beerputpensioen).

Een deel van de onvrede hebben pensioenfondsen aan zichzelf te wijten. Er is onvoldoende gecommuniceerd dat er risico’s zitten aan het pensioen en dat indexatie dus geen zekerheid is. Daarnaast weigert men in te zien dat de doelstelling te ambitieus is geworden in het huidige economische klimaat. Een indexatieambitie wordt een lege huls indien de kans dat deze wordt waargemaakt te klein wordt. Het inbakken van teleurstellingen leidt aldus niet tot een herstel van vertrouwen.

Naar jongeren toe kan het helpen om niet alleen meer te communiceren in termen van aanspraken, maar ook in termen van vermogen. Dit kan immers de mythe dat “het potje straks leeg is” ontkrachten. Hiervoor hoeft men niet een ander pensioensysteem met individuele eigendomsrechten te introduceren, het vermelden van de waarde van de aanspraken vermenigvuldigd met de actuele dekkingsgraad voldoet. De ervaringen van de afgelopen jaren tonen aan dat solidariteitsstromen wel degelijk hebben geholpen bij het reduceren van pensioenverschillen tussen generaties. Het pensioenstelsel heeft grosso modo goed gewerkt ondanks zeer veel tegenwind. De bewering dat het systeem niet meer houdbaar zou zijn is dan ook ongegrond. Ik pleit daarom voor een pensioenevolutie en geen pensioenrevolutie.

Voetnoten

[1] Als we nog zouden rekenen met marktrentes zou deze groep er ook bij een uniforme premie 7% slechter voor hebben gestaan dan het gemiddelde.

[2] Een voor de hand liggende kritiek op deze analyse is dat jongeren een ander beleggingsbeleid zouden hebben gekozen als zij een afgesplitst fonds zouden hebben. Het is echter zeer de vraag of dit de conclusies zou beïnvloeden. Het gemiddelde netto rendement van ABP sinds eind 2007 was 6% per jaar, terwijl een belegging in 100% aandelen circa 7% opgeleverd zou hebben. Alleen als de jongeren hun renterisico substantieel hadden afgedekt zouden zij een fors hoger rendement hebben gerealiseerd. Dit wordt door veel voorstanders van individuele systemen echter (ten onrechte) juist gezien als onverstandig beleid omdat dit het inflatierisico te veel zou doen toenemen.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik