Back

Artikel

Home

Breng pensioen jongeren niet in gevaar door zekerheid ouderen

3 apr 2014
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen

Het pensioendebat is allerminst gestreden. Aan de ene kant staan jongeren die bang zijn dat er in de toekomst te weinig geld in de pensioenfondsen zal overblijven voor hun pensioen. Daartegenover staan ouderen die vinden dat ze meer dan genoeg hebben bijgedragen en stellen dat zij allerminst potverteren. Joop Hartog heeft op deze plaats dat standpunt vertolkt. Martin Pikaart en Roland van Gaalen hebben de handschoen opgepakt en reageren op zijn stelling. Zij stellen dat jongeren wel degelijk onder de pensioenzekerheid van ouderen lijden. Het ABP heeft momenteel een tekort van 126 miljard euro, tenminste als vastgehouden wordt aan het in het vooruitzicht gestelde pensioen inclusief indexatie. Een tekort dat voortkomt uit de toegenomen levensverwachting, een negatief overrendement en te lage premies.

Ergernis

“Eet ik het pensioen van mijn kinderen op?”, vroeg Joop Hartog zich af in een recente publicatie in Me Judice (Hartog, 2013). Die vraag zal wel retorisch bedoeld zijn, want hij ergerde zich op voorhand al aan de bewering dat de pensioenpremies in het verleden te laag zijn geweest. Om die vraag te weerleggen is Hartog “maar eens gaan rekenen” aan zijn eigen pensioen dat hij bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) heeft opgebouwd. Met behulp van een gestileerd rekenmodel raamt hij het premieniveau dat tijdens zijn dienstverband jaarlijks benodigd was. Dit blijkt veel lager dan zijn schatting van de gemiddelde premie die feitelijk is afgedragen. “Wat een onzin!”, luidt dus Hartogs antwoord op zijn eigen vraag: hij eet het pensioen van zijn kinderen echt niet op, dat is duidelijk.

Kritiek

In het artikel behandelt hij in hoofdlijnen twee vragen: (1) Staat het pensioen in redelijke verhouding tot de premies?; en (2) Lijden de jongeren onder de ouderen? Ons punt van kritiek op zijn analyse is fundamenteel van aard en komt op het volgende neer: hij verwart twee vragen die bij een traditionele pensioenregeling van het type defined benefit - een uitkeringsovereenkomst, zoals die van het ABP - en ondergebracht bij een pensioenfonds niet zonder meer op hetzelfde neerkomen. De eerste vraag is of het pensioen in redelijke verhouding staat tot de ingelegde premies. Daarbij gaat het naar onze mening in eerste instantie om de mate waarin de premies ex ante kostendekkend zijn geweest. De tweede vraag is of de jongeren onder de ouderen lijden. Wij zien dat meer als een kwestie van evenwichtige belangenbehartiging die in beginsel voortdurend aan de orde is, gegeven de bezittingen en de verplichtingen van het pensioenfonds.

Te kort door de bocht

Hartog geeft een bevestigend antwoord op de eerste vraag, in de zin dat zijn pensioen niet onevenredig hoog is, en daaruit leidt hij een ontkennend antwoord op de tweede vraag af, zij het impliciet. Maar het is natuurlijk mogelijk dat premies die in het jaar van storting kostendekkend zijn, op de pensioendatum toch niet voldoende vermogen opleveren, bijvoorbeeld doordat de levensverwachting intussen is gestegen, doordat de rendementen zijn tegengevallen of doordat een deel van het geld is gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor het bedoeld was. Als het tekort dan volledig wordt gefinancierd uit een verhoging van de premie - die alleen voor actieve deelnemers wordt geheven - is de stelling verdedigbaar dat de jongeren wel degelijk onder de ouderen lijden. Dat geldt zelfs indien zo’n eenzijdige herstelmaatregel volledig in overeenstemming is met het pensioenreglement en de wettelijke vereisten. Het nadeel voor de jongeren kan uiteraard lager zijn als en voor zover de werkgever aangesproken kan worden voor het aanvullen van het tekort door middel van onmiddellijke bijstortingen (hetgeen niet van toepassing is bij ABP) of een verhoging van het werkgeversdeel van de jaarlijkse premie.

Rekenrente

Vervolgens maken wij bezwaar tegen de rekenrente waarmee Hartog zijn toekomstige uitkeringen op de pensioendatum verdisconteert. Die stelt hij namelijk gelijk aan het in de periode 1971-2011 gerealiseerde rendement, dat hij in reële termen op 5,1% per jaar schat. Tenzij hij een rendementsafhankelijk en dus variabel pensioen accepteert vinden wij dat hij de lange reële marktrente (van circa 0,1% einde 2011) als rekenrente moet gebruiken in plaats van een historische rendement. Dan blijkt de kostprijs van zijn pensioen ineens zo’n 75% hoger. Stel nu dat we uitgaan van Hartogs model en tevens een gerealiseerd reëel rendement van 5,1% per jaar. Hoeveel bedraagt dan de premie die achteraf bezien benodigd is geweest om het pensioen tegen de actuele kostprijs (tegen reële rekenrente 0,1%) op de pensioendatum te kunnen financieren? Wij komen uit op een premie van 19,2% per jaar ten opzichte van het pensioengevende salaris. Daartegenover staat een effectief betaalde premie van 17,5% per jaar, dus 1,7 procentpunt minder. Zo bezien was de effectief betaalde premie volgens Hartogs eigen model ontoereikend.

Vroegpensioen vergeten

Bovendien vinden wij dat Hartog zijn rechten uit hoofde van vroegpensioen (Vut/FPU) ten onrechte buiten beschouwing laat. Dit extra onderdeel van het pensioenpakket scheelt een slok op een borrel. Het komt erop neer dat de deelnemer op de leeftijd van 61 of 62 met vroegpensioen kon met een uitkering van circa 70 à 80 % van het laatstverdiende loon tot 65. Bij doorwerken tot 65 heeft de deelnemer recht op compensatie voor het niet genoten vroegpensioen. Inclusief vroegpensioen is het verschil tussen de achteraf benodigde en de effectief betaalde premie 2,7 procentpunt. Het verschil kan overigens nog veel groter uitvallen bij een reële salarisontwikkeling hoger dan de veronderstelde 1,48% per jaar en een hogere toetredingsleeftijd dan 25 jaar. Hoewel wij geen gedetailleerde berekeningen hebben uitgevoerd, is onze indruk dat de premiestelling duidelijk te laag is geweest.

Niks aan de hand?

Het voorgaande is wellicht niet voldoende om de indruk helemaal weg te nemen dat het ABP best in staat is om geïndexeerde pensioenen uit te keren, gezien rendementsgemiddelden over tientallen jaren en premies die “kostendekkend” zijn zoals de Pensioenwet vereist. De indruk dat alles op orde is wordt nog versterkt door de officiële dekkingsgraad van ABP van 106% aan het einde van 2013. Maar helaas, dit percentage is de waarde van het fondsvermogen ten opzichte van alleen de nominale pensioenverplichtingen. Die zijn exclusief toekomstige indexatie en ook exclusief compensatie voor de indexatieachterstand van 9% en voor de rechtenkorting met 0,5% die in 2013 is toegepast. Als deze extra verplichtingen wel worden meegerekend, dan heeft ABP een dekkingsgraad van slechts 70% in plaats van 106%. Dit betekent een tekort van €126 miljard.

Groot tekort ABP

Hoe kan er eigenlijk zo’n groot tekort zijn als de premies voldoen aan de wettelijke norm en de rendementen gunstig zijn? Wij hebben het globaal onderzocht, althans vanaf het einde van 1998; de periode daarvoor hebben wij niet bekeken omdat er te weinig informatie beschikbaar is om de geïndexeerde pensioenen die toen werden opgebouwd tegen de toenmalige kostprijs correct te kunnen waarderen. Hoe dan ook, aan het einde van 1998 was de reële dekkingsgraad van ABP ruimschoots boven de 100%, met een extra buffer die einde 2013 zou overeenkomen met een overschot van €23 miljard. Dat overschot is in de tussenliggende vijftien jaren dus omgeslagen naar een tekort van €126 miljard. Uit ons onderzoek, gebaseerd op informatie uit jaarverslagen van het ABP, blijkt dat het verschil van €149 miljard grotendeels is toe te schrijven aan drie oorzaken: toegenomen levensverwachting, negatief overrendement en te lage premies.

De toegenomen levensverwachting verklaart een verlies van €54 miljard. Het overrendement op de bezittingen hebben wij gedefinieerd ten opzichte van het totale rendement dat benodigd is om gelijke tred te houden met de reële verplichtingen. Dat is gelijk aan de rekenrente plus het effect van wijzigingen in de rekenrente op de waarde van de verplichtingen. Wat blijkt? Het totale overrendement was in de jaren 1999-2013 negatief, wat geleid heeft tot een schade van €36 miljard. En dat terwijl de financiële opzet van het ABP uitgaat van positief overrendement. Daar komt nog bij dat het totaal van afgedragen premies ver onder de kostprijs van een waardevast pensioen heeft gelegen. Het resulterende premietekort bedraagt €53 miljard.

Dat de premies in de afgelopen vijftien jaren in totaal ex ante niet kostendekkend waren, bewijst uiteraard niet dat voor Hartogs pensioen te weinig aan premies is ingelegd, want zijn deelnemerschap begon al in 1971. Maar als hij zijn volledige pensioen zou krijgen, inclusief indexatie, terwijl de reële dekkingsgraad van ABP lager is dan 100%, betekent dat voor de jongeren een verdere aantasting van de kapitaaldekking van hun pensioen. In die zin eet Hartog “het pensioen van zijn kinderen” dan wèl op.

Meer informatie over onze kritiek op de berekeningen van Hartog en onze globale ramingen met betrekking tot het tekort van ABP staat in ons rapport “Waar komt dat tekort van het ABP vandaan?”

Referenties:

Hartog, J., 2014, Eet ik het pensioen van mijn kinderen op? Wat een onzin!, Me Judice, 29 november 2013.

 

Naschrift Joop Hartog

Het rekenwerk aan mijn pensioen had twee doelstellingen. Ten eerste ergerde ik me aan de oppervlakkige klachten van de jongeren dat mijn generatie hen aan het beroven is, vaak op agressieve toon geuit, zonder dat ik ergens een feitelijke onderbouwing kon vinden. Om in die mistige discussie houvast te krijgen heb ik mijn gestileerde model opgezet. Met dat model en de reactie van Pikaart en Van Gaalen heb ik mijn eerste doelstelling bereikt: we voeren nu een discussie op basis van feiten en veronderstellingen die voor iedereen controleerbaar zijn. Het verheugt me dat Pikaart en Van Gaalen de handschoen hebben opgenomen. Mijn tweede doelstelling was verificatie van de beschuldiging van roof. Die beschuldiging kwalificeer ik nog steeds als ongegrond, voor mijn specifieke eigen situatie.

In tegenstelling tot wat Pikaart en Van Gaalen stellen ben ik niet geïnteresseerd in de ex ante correcte pensioenpremie: de beschuldiging van roof gaat over de vraag of ik wel genoeg premie heb betaald voor het pensioen dat ik nu geniet. Dat is een legitieme ex post vraag, die beantwoord moet worden met de gerealiseerde rendementen. En mijn antwoord blijft onveranderd “ja”. Pikaart en Van Gaalen hebben gelijk dat ik geen rekening heb gehouden met het vroegpensioen. Maar met de gestegen levensverwachting heb ik wel rekening gehouden. In mijn tabellen is af te lezen dat een stijging van de verwachte pensioenduur van 8 naar 15 jaar een premieverhoging vraagt van zo’n 2 punten. Bij ingang van het pensioen op 65-jarige leeftijd correspondeert dit met levensverwachtingen van 73 en 80 jaar. De meest recente verwachting van het CBS is 79,1 jaar voor mannen en 82,8 voor vrouwen. Dit zijn verwachtingen bij de geboorte, maar verwachtingen op 25- jarige leeftijd wijken daar niet veel van af.

Pikaart en Van Gaalen berekenen het effect van vroegpensioen op 1 punt premie (het verschil tussen een tekort van 1,7 en 2,6 punt). In mijn gepubliceerde tabellen valt af te lezen dat bij een eindloonpensioen een premie nodig is van 6,76 %. Met de VUT-premie erbij zou dit 9,46% worden. Pikaart en Van Gaalen berekenen mijn betaalde premies op een meer verantwoorde manier dan ik zelf deed op een gemiddelde van 17,5 %. Tussen betaalde premie en vereiste premie zit nog zoveel licht voor complicaties, verfijningen en omissies dat ik mijn stelling fier overeind hou.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik