Back

Artikel

Home

Investeer meer in jonge kinderen

27 sep 2012
Onderwerpen: Inkomensongelijkheid, Onderwijs en wetenschap, Sport
Voetballende jeugd op een voetbaldveld De opvoeding van kinderen kost tijd en geld. Hoe vroeger deze investeringen worden gepleegd des te beter voor kind en samenleving, aldus Bas ter Weel. Kinderen kunnen echter niet hun ouders uitkiezen en daarmee ontstaat een van de meest fundamentele ongelijkheden in het leven. De overheid kan op eenvoudige wijze deze ongelijkheid beperken door de leerplicht te verlagen naar vier jaar. Een dergelijk beleid betaalt zich dubbel en dwars terug.

Kinderen vergen investeringen

Ouders houden zielsveel van hun kinderen en hebben het beste met ze voor. Deze goede bedoelingen blijven niet zonder gevolgen. Kinderen zijn geheel afhankelijk van de ouderlijke liefde en aandacht. Dit betekent dat ze afhankelijk zijn van de investeringen van ouders tijdens de opvoeding. Die investeringen kosten zowel tijd, zoals aandacht en liefde, als geld, zoals gezonde voeding en het lidmaatschap van een sportclub. Afhankelijkheid is een belangrijke beperking voor een pasgeboren kind. Het klinkt misschien vreemd, maar het feit dat kinderen hun ouders niet kunnen kiezen is één van de meest fundamentele ongelijkheden in het leven. Kinderen in wie onvoldoende wordt geïnvesteerd door te weinig tijd of geld lopen een achterstand op die later niet of nauwelijks te repareren is.

Investeringen zijn het meest rendabel wanneer ze in de eerste levensjaren worden gedaan. Op jonge leeftijd wordt de basis gelegd. Deze basis hangt voor een deel af van onze genen. Genen leveren de bouwtekening van waaruit de hersenen zich moeten ontwikkelingen. Daarnaast heeft de baarmoeder waarin we groeien een belangrijke invloed (zie Shonkoff en Philips, 2000). Als we eenmaal de bouwtekening hebben, moeten er immers materialen komen die het gebouw in elkaar zetten. Ten slotte bepaalt de omgeving waarin we worden geboren voor een groot deel hoe we gaan functioneren. Als het gebouw er eenmaal is, past het zich aan de wensen van de omgeving aan om bewoond te kunnen worden. Dit betekent dat bij de juiste investeringen ieder kind zijn of haar potentieel benut, niet dat ongelijkheid verdwijnt. Het ene kind heeft immers meer talent en meer capaciteiten dan het andere.

Het belang van vroeg investeren

Het belang van investeringen kan worden geïllustreerd aan de hand van voorbeelden uit de topsport (zie Gladwell (2008) voor soortgelijke analyses). Zulke analyses zijn inzichtelijk, omdat sporters vanaf jonge leeftijd veel hebben geïnvesteerd. Iedere dag, jaar in jaar uit, is gewerkt aan het bereiken van het hoogst haalbare podium. Ouders hebben hun kinderen van wedstrijd naar wedstrijd en van training naar training gebracht en sterk gestimuleerd.

Als de deelnemers aan het EK voetbal van afgelopen zomer worden gerangschikt op geboortemaand komt er een opvallend patroon naar voren. Van de 368 spelers zijn er 106 in de eerste drie maanden van het jaar geboren, tegen 80 in de maanden oktober, november en december. Figuur 1 laat het patroon zien aan de hand van de blauwe bollen. Nu kan dit berusten op toeval. De rode bollen laten eenzelfde patroon zien voor de 229 wielrenners die in 2011 punten hebben gehaald in de ProTour. De ProTour is een selectie van de beste professionele wielerteams in de wereld die jaarlijks een competitie van wedstrijden fietsen. Er zijn 76 renners in januari tot en met maart zijn geboren en slechts 35 in de laatste drie maanden van het jaar.

Figuur 1: Topvoetballers en profwielrenners gerangschikt op geboortedatum

Figuur 1: Topvoetballers en profwielrenners gerangschikt op geboortedatum

Wat heeft dit nu met investeringen te maken? Veel, want de afkapgrens voor sporters in jeugdteams ligt op 1 januari. Dit betekent dat een jongen die is geboren op 31 december in een jeugdteam terechtkomt met alleen maar oudere kinderen, terwijl een jongen die op nieuwjaarsdag wordt geboren in een team terecht komt met slechts jongere kinderen. Een dag verschil kan een carrière maken of breken, omdat het jonge kind fysiek maar moeilijk kan opboksen tegen de oudere kinderen in het team terwijl het oude kind iedereen fysiek de baas is. Cadel Evans en Fabian Cancellara werden in de jeugd gezien als sterke jongens en reden altijd voorop. Ze waren groter en sterker dan hun leeftijdsgenoten in de jeugdteams van Australië en Zwitserland en wonnen op basis van fysieke kenmerken vele wielerwedstrijden. Ze zijn geboren in februari en maart. Rafael van der Vaart en Ron Vlaar waren toppers in de landelijke jeugdselecties van de KNVB, evenals EK-debutant Jetro Willems. Allen geboren in februari en maart.

In ieder cohort hebben oudere kinderen een voordeel ten opzichte van jongere kinderen. Dit betekent dat de selectiedatum bepalend kan zijn voor de investeringen die worden gedaan. Jongens die sterker zijn, worden eerder geselecteerd voor regionale en nationale jeugdteams en komen eerder bij professionele voetbalclubs terecht. In deze selecties krijgen ze training van de beste trainers. Ook oefenen ze met de beste medespelers en wedijveren ze met de beste tegenstanders. De oudere kinderen ontwikkelen zich sneller en bereiken een hoger niveau dan degene die hetzelfde talent hebben, maar toevallig bijna een jaar jonger zijn.

Als we dit vertalen naar investeringen, zijn er twee redenen waarom vroege investeringen hoge opbrengsten hebben. Ten eerste worden vaardigheden die vroeg zijn aangeleerd ingezet in latere periodes. Dit kan direct nuttig zijn, maar stimuleert ook het aanleren van andere vaardigheden. Het leren spreken van een taal is noodzakelijk om te communiceren, maar helpt ook om een tweede taal te leren en om rekensommen beter te begrijpen. Ten tweede bestaat er complementariteit tussen de verschillende dingen die een kind leert. Wanneer nu wordt geïnvesteerd leidt dat tot hogere productiviteit van latere investeringen. Dit betekent dat er naast investeringen ook onderhoud gepleegd moet worden. Rekenen en taal vormen de basis van wiskunde. Wanneer dit nu beter wordt aangeleerd, kan later een hoger niveau worden bereikt. Daarvoor is nog steeds een goed begrip van rekenen en taal vereist. Vroege investeringen zijn dus lonend, maar deze moeten wel worden gecontinueerd (zie Cunha en Heckman, 2007). Bij de topvoetballers en profwielrenners is dit zeker gebeurd. Zij werden vroeg geselecteerd en onder zeer goede condities opgeleid, totdat ze zelf hun brood konden verdienen.

Leerplicht naar vier jaar

Hoe kunnen we realiseren dat ieder kind gelijke investeringskansen krijgt? Dit begint met een simpele notie: “Wie achter de kudde aanloopt, loopt altijd in de stront”. Met andere woorden, laten we selectie op basis van toevalligheden zoveel mogelijk beperken.

Een leerplicht vanaf vier jaar voor iedereen is daarom kansrijk. Op dit moment gaan veruit de meeste kinderen vanaf vier jaar naar school, maar begint de leerplicht pas bij vijf. Laten het nu juist de kinderen uit zwakke gezinnen zijn die vaak later op school komen. Deze ongelijke start is eenvoudig op te lossen door een leerplicht vanaf vier jaar in te voeren. Dit is al eens geopperd en door de Tweede Kamer goedgekeurd, maar door de val van het Kabinet-Kok II controversieel verklaard tijdens behandeling in de Eerste Kamer en later niet doorgezet. De officiële reden voor het afblazen was dat ouders een eigen verantwoordelijkheid hebben om hun kinderen op tijd naar school te sturen.

Natuurlijk is het zo dat ouders een verantwoordelijkheid hebben, maar je zult als kind maar domme ouders hebben die je pas vanaf vijf jaar naar de basisschool sturen. Een toevalligheid die bepaalde kinderen levenslang op achterstand heeft gezet, zonder dat ze hiervoor zelf een keuze hebben kunnen maken. Vanuit het kind geredeneerd bestaat er dus een mogelijke belemmering of een marktfalen dat door een eenvoudige verlaging van de leerplicht kan worden weggenomen. De kosten van deze maatregel zijn nihil, terwijl de baten voor de kinderen die het betreft aanzienlijk zijn.

Voorkomen is beter dan genezen

Achterstanden zijn bij sommige kinderen al op een leeftijd van vier jaar aanwezig. De kosten van opvoeding van een jong kind zijn immers moeilijker te dragen voor armere gezinnen. Deze kosten kunnen worden verlaagd door de inspanningen die de opvoeding vergt te verdelen tussen gezin en overheid.

Het blijkt dat investeringen in zeer jonge kinderen uit zwakkere gezinnen en kinderen uit achterstandswijken positief samenhangen met schoolresultaten en negatief met bijvoorbeeld schooluitval, criminaliteit en drugsgebruik. Uiteindelijk bereiken deze kinderen een betere maatschappelijke positie, die de kosten van het programma ruimschoots overstijgen. Voorschoolse educatie voor bepaalde kinderen lijkt dus zowel effectief als efficiënt (zie Cunha et al., 2006 en Knudsen et al., 2006).

Laten we het sommetje voor Nederland eens maken voor kinderen die 2 jaar extra onderwijs krijgen, omdat ze bijvoorbeeld in een achterstandswijk zijn geboren of het op een andere manier minder getroffen hebben. Stel, deze kinderen gaan voortaan wanneer ze 2 jaar worden 10 uur per week naar een voorschool. Je zou kunnen denken aan 4 ochtenden van half negen tot elf uur. In Nederland kost een gediplomeerde leerkracht die fulltime werkt — met alle toeters en bellen er aan — ongeveer een ton per jaar. Een groep in deze leeftijd bestaat uit 10 kinderen en vergt 2 leerkrachten, zodat er voldoende aandacht is voor ieder kind. Naast onderwijs is er waarschijnlijk ook tijd nodig voor verzorging. Een verhouding van 1 op 5 lijkt dan ook redelijk.

Het programma kost dus 5.000 euro per jaar per kind. Als ieder kind twee jaar naar de voorschool gaat, hebben we het in totaal over een investering van 10.000 euro per kind. Dit is geen goedkope interventie en daarom ook waarschijnlijk slechts effectief voor kinderen die achterop dreigen te raken. In Nederland gaat het in totaal om ongeveer 50.000 kinderen die in de gevarenzone zitten. We zouden dus 250 miljoen euro kwijt zijn aan een dergelijk programma. Dat is een serieus bedrag.

Een eenvoudig oordeel over de effectiviteit van dit bedrag kan op twee manieren worden gegeven. Stel, we doen het niet, wat zijn dan de consequenties? Veel van deze 50.000 kinderen komen terecht op het VMBO of het MBO, waar schooluitval een groot probleem is. Ongeveer 35.000 kinderen vallen ieder jaar uit. Stel dat 20.000 van die uitvallers behoren tot onze risicogroep van 50.000 kinderen. Deze mensen zijn vrijwel kansloos op de arbeidsmarkt en zullen vaker een beroep doen op sociale voorzieningen. Om tot een neutraal effect van het voorgestelde programma voor de voorschool te komen, zouden deze 20.000 uitvallers 12.500 euro in totaal mogen kosten. Een bijstandsuitkering voor een gezin is per jaar al ongeveer gelijk aan dit bedrag. De totale directe kosten zijn waarschijnlijk minstens het dubbele door controle en uitvoeringskosten die gemeentes en centrale overheid moeten maken. Dit alles per jaar per persoon of gezin, terwijl de 10.000 euro slechts eenmalig moet worden geïnvesteerd voor een goede start.

Een tweede oordeel over deze beleidsmaatregel kan worden gegeven door arbeidsmarktkansen in te schatten. Stel dat het programma leidt tot een beter opgeleide beroepsbevolking. Dit heeft een direct positief effect op het inkomen van deze kinderen als ze volwassen zijn, omdat extra onderwijs leidt tot een hoger inkomen en hogere participatie. Daarnaast hebben mensen met een afgeronde opleiding minder kans om zelf in een achterstandpositie terecht te komen. Voor de economie als geheel gaat de productiviteit omhoog en hoeft minder geld te worden besteed aan sociale vangnetten. Waarschijnlijk gaat de criminaliteit ook nog eens omlaag evenals de kosten van een ongezonde leefstijl. Ten slotte zal de maatschappelijke participatie stijgen wat de saamhorigheid in de samenleving ten goede komt. Deze effecten gelden jaar in jaar uit en zullen waarschijnlijk substantieel groter zijn dan de initiële investering van 10.000 euro.

Beleid

Vroege investeringen hebben dus een hoog rendement als we kinderen de kans geven en achterstanden voorkomen is beter dan achteraf herstellen. Snijden in overheidsuitgaven die kinderen belemmeren een eerlijke investeringskans te benutten, zijn daarom maatschappelijk gezien onwenselijk. In Nederland zien we op allerlei terreinen inspanningen om achterstanden te voorkomen, maar een systematische aanpak waarvan de effecten door onderzoekers kunnen worden vastgesteld is afwezig. In Rotterdam is recent gestart met een programma voor zeer jonge kinderen en ook eerder zijn initiatieven genomen die met wisselend succes zijn uitgevoerd.

Een belangrijke voorwaarde om succes aan te tonen, is de mogelijkheid een evaluatie van een programma te maken. Alleen op die manier kan worden vastgesteld of de investeringen effectief en efficiënt zijn. In de Verenigde Staten is dit gelukt binnen het Perry Preschool programma (zie Mervis, 2011). In een school in het stadje Ypsilanti vlakbij Detroit werden 123 kinderen vanaf 3 jaar iedere dag ongeveer 3 uur onderwezen. Ook was er een controlegroep die dit programma is onthouden. Tevens bezochten de onderwijzers iedere week de gezinnen die in ernstige sociaal-maatschappelijke problemen zaten. Ouders staken weinig energie in hun kroost, omdat ze de handen vol hadden om te overleven. Het effect van het programma is uitgebreid bestudeerd. Nu, ruim 50 jaar later, blijkt dat deze kinderen vaker betaald werk hebben, minder vaak in de gevangenis terecht zijn gekomen en gezonder zijn dan de controlegroep. Een kosten-batenanalyse leidt tot de conclusie dat de verhouding tussen kosten en baten minstens 1 staat tot 5 is. Zulke analyses zijn slechts mogelijk als er voldoende durf is om voor een opzet met een behandel- en controlegroep te kiezen. Momenteel wordt in Dublin een soortgelijke studie uitgevoerd door het Geary instituut (zie Doyle et al., 2012, voor de eerste resultaten).

Sommige voornemens zijn echter ook ineffectief en inefficiënt. De Wet Kinderopvang is bedoeld om jonge ouders te stimuleren om te gaan werken door opvang te subsidiëren. Deze opvang heeft geen educatieve functie, want de opvang in Nederland vindt plaats op basis van minimale kwaliteit en kosten.

Toch probeert men op verschillende manieren educatieve elementen in te bouwen. Dat is duur en niet effectief. Ouders die gebruik maken van formele kinderopvang zijn niet de afspiegeling van de samenleving die je wilt bereiken met voorschoolse educatie. Kinderen van hoogopgeleide ouders gaan namelijk vaker naar de kinderopvang dan de kinderen die een risico lopen op een achterstand. Deze kinderen hebben nauwelijks baat bij dit soort onderwijs, omdat ze vanuit huis genoeg bagage meekrijgen. Bovendien is een educatief programma duur, omdat het hoogopgeleide medewerkers vergt en een lesmethode. Dit strookt niet met het doel de opvang te regelen tegen minimale kosten en kwaliteit. En, belangrijker nog, de groep die baat heeft bij voorschoolse educatie wordt niet bereikt.

Noot

Dit artikel is gebaseerd de rede “Het kind van de rekening” uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Social Economics and Labour Market Policy aan de School of Business and Economics van de Universiteit Maastricht, 7 september 2012.

Referenties

Cunha, F. & J.J. Heckman (2007), “The Technology of Skill Formation,” American Economic Review, vol. 97, pp. 31-47.

Cunha, F., J.J. Heckman, L.J. Lochner & D.V. Masterov (2006), “Interpreting the Evidence of Life Cycle Skill Formation,” Handbook of the Economics of Education, Elsevier: Amsterdam, pp. 697-812.

Doyle, O, C. Harmon, J.J. Heckman, C. Logue & S.H. Moon (2012), “Measuring Investment in Human Capital Formation: An Experimental Analysis of Early Life Outcomes,” Working Paper, Geary Institute, Dublin.

Gladwell, M. (2008), Outliers, Penguin Books: New York.

Knudsen, E.I., J.J. Heckman, J. Cameron & J.P. Shonkoff (2006), “Economic, Neurobiological, and Behavioral Perspectives on Building America’s Future Workforce,” Proceedings of the National Academy of Sciences, vol. 103, pp. 10155-10162.

Mervis, J. (2011), “Past Successes Shape Effort to Expand Early Intervention,” Science, vol. 333, pp. 952-956.

Shonkoff, J.P. & D.E. Philips (2000), From Neurons to Neighborhoods. The Science of Early Child Development, National Academy Press: Washington DC.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik