Back

Artikel

Home

Begroting 2010: pappen en nathouden

15 sep 2009
Dossiers: Eurocrisis
Onderwerpen: Openbare financiën
Nederland verkeert in crisis en het kabinet Balkenende IV presteert het om in 2010 alleen maar op de winkel te passen. Het kabinet stelt een aantal commissies in om na te denken over het leven na de crisis. Daarmee zaait de regering slechts maatschappelijke onrust, zonder dat ook maar één concreet probleem wordt opgelost. Balkenende IV geeft daarmee te kennen Nederland niet te kunnen regeren, aldus de Rotterdamse econoom Jacobs.

Nederland in crisis

Nederland gaat door de diepste recessie sinds de grote depressie van de jaren dertig in de vorige eeuw. Het bruto binnenlands product (bbp) krimpt dit jaar met zo’n 4¾ procent. De consumptie daalt ondanks de gestegen koopkracht (min ½ procent bbp), net als de investeringen (min 1½ procent bbp). De grootste klap voor de open Nederlandse economie komt door de terugval van de wereldhandel: de uitvoer daalt met 3¼ procent bbp. De rekenmeesters van het kabinet verwachten dat de economie zich in 2010 zal herstellen door aantrekkende wereldhandel en een licht expansief begrotingsbeleid. De consumptie en bedrijfsinvesteringen blijven echter dalen in 2010, waardoor de Nederlandse economie in 2010 nog steeds niet groeit.

Een dubbele-dip-recessie kan echter niet worden uitgesloten, zoals minister Bos ook al heeft aangegeven. Door stijgende werkloosheid en toenemende bedrijfsfaillissementen kunnen burgers en bedrijven hun kredietverplichtingen minder goed nakomen. Daardoor draaien banken de kredietkraan langduriger dicht en kan het broze economische herstel in 2010 in de knop worden gebroken.

Koopkracht daalt nauwelijks

In 2009 stijgt de koopkracht met bijna twee procent en voor 2010 berekent het CPB een minieme daling van de koopkracht van een kwart procent. Deze koopkrachtplaatjes houden echter geen rekening met de inkomensgevolgen van baanverlies of verdampte privévermogens. Desondanks vormen de gunstige inkomensplaatjes een politiek probleem. Diegenen die hun baan behouden, geen vermogensverliezen incasseren op hun huis of geen vermogen zijn verloren op de beurs, merken vooralsnog niets van de crisis. Zij zullen niet snel bereid zijn offers te brengen om grootschalige werkloosheid en ontsporende overheidsfinanciën te voorkomen. Tegelijkertijd staat bedrijven het water aan de lippen en slaat de crisis grote gaten in de overheidsbegroting.

Werkloosheid loopt op

In 2008 kregen de bedrijven de eerste grote klappen en hun winstquote nam af van ruim 13 naar zo’n 9 procent van het nationaal inkomen. Het CBS schrijft dit jaar recordaantallen faillissementen in de statistieken. Tegelijkertijd stijgen de lonen nog altijd harder dan de inflatie. De werkloosheid zal in het tweede deel van 2009 spectaculair gaan toenemen. In 2008 was de werkloosheid was 3,9 procent van de beroepsbevolking en die zal verdubbelen tot zo’n 8 procent in 2010 (615 duizend mensen). Bovendien wordt de werkloosheid onderschat, omdat werklozen verborgen blijven voor de werkloosheidsstatistieken vanwege de deeltijd-WW.

Overheidsfinanciën uit het lood

De overheidsfinanciën krijgen een nog nooit eerder vertoonde optater: het overheidssaldo slaat om van een overschot van 0,7 procent bbp in 2008, naar een tekort van 4,6 procent in 2009. Dat loopt op naar 6,2 procent bbp in 2010. De hoge tekorten ontstaan omdat de regering voluit de automatische stabilisatoren laat werken: de belastinginkomsten nemen sterk af door de daling van het nationale inkomen en de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen nemen toe. De overheid bezuinigt terecht niet in de huidige, beroerde economische situatie. Dat zou de krimp van de economie alleen maar hebben vergroot.

De staatsschuldquote loopt op van 46 procent bbp in 2008 naar 66 procent bbp in 2010 door de hogere financieringstekorten, de interventies in de financiële sector en de daling van het bbp (‘noemereffect’). Daar tegenover staan ook deelnemingen in de financiële sector. Bezien moet worden of de overheid zijn geld terugkrijgt bij verkoop van bijvoorbeeld ABN Amro en Fortis. Bovendien zorgen de staatsdeelnemingen en garanties aan de banken (ING Alt-A hypotheken, ABN Amro ‘capital relief instrument’, 200 mrd garanties interbancaire transacties, etc) voor aanzienlijke budgettaire risico’s. Als banken onverhoopt toch weer in de problemen zouden komen, zullen de miljarden aan staatsgaranties als een fragmentatiebom de overheidsbegroting ontwrichten.

Door het expansieve begrotingsbeleid en de daling van het bbp stijgt het uitgavenaandeel van de overheid in het bbp met ruim 5 procentpunt tussen 2008 en 2010 – zonder dat hier momenteel belastingopbrengsten tegenover staan. Daarvan zal een aanzienlijk deel structureel worden. Hoeveel precies valt nu lastig in te schatten.

Miljoenennota 2010: passen op de winkel

De Miljoenennota 2010 is – ondanks de crisis – de saaiste in jaren. De uitgaven stijgen met een driekwart miljard euro. Dat is verwaarloosbaar op een totale begroting van zo’n 300 miljard euro in 2010. De lasten stijgen ook met een minimale half miljard euro en de rest wordt gevonden in bezuinigingen. Plasterk, Klink en Donner moeten in 2010 bezuinigen omdat zij de budgettaire kaders overschrijden. Daarom wordt de studiefinanciering bevroren, krijgen publieke omroepen wat minder geld, wordt gesneden in de specialistensalarissen en bezuinigd op reïntegratie. Daarnaast is er 500 miljoen euro minder budget voor ontwikkelingssamenwerking. Netto gebeurt op macroniveau vrijwel niets in 2010.

Op microniveau valt één ding steeds weer op: de almaar expanderende zorgsector. Grote budgettaire overschrijdingen zijn opgetreden doordat de DBC-tarieven te hoog zijn vastgesteld (2,5 miljard euro in 2007, 16 procent van het ziekenhuisbudget), de huisartsen te hoge vergoedingen hebben gekregen (10 procent van de salarissen) en de medisch specialisten teveel hebben gedeclareerd (375 miljoen euro, 20 procent van uitgaven aan medisch specialisten). Klink neemt een aantal maatregelen om herhaling in de toekomst te voorkomen.

Hervormingen urgent, maar uitgesteld

Tijdens de grootste crisis die ons land in decennia teistert, is het nodig dat de regering maatregelen neemt om problemen in de toekomst te voorkomen. Balkenende IV moet daarom nu noodzakelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat

• kwetsbare groepen werknemers structureel werkloos worden,

• de overheidsfinanciën jarenlang uit het lood slaan; en

• de exit uit de financiële sector een molensteen om de nek wordt voor belastingbetalers.

Helaas zien we niets van dit alles.

Hervorm arbeidsmarkt

Met de crisis komen de structurele problemen van de Nederlandse arbeidsmarkt volop aan het licht. Werkgevers ontslaan werknemers die meer verdienen dan ze opleveren. Zonder hervormingen zullen vele ouderen en laaggeschoolden nooit meer aan het werk komen. Ouderen kunnen door goede ontslagbescherming en riante sociale zekerheidsregelingen hoge lonen bedingen die niet in de pas lopen met hun arbeidsproductiviteit. Hervormingen van het ontslagrecht en de WW zijn daarom nog altijd urgent om de gouden kooi van ouderen open te breken en te zorgen dat meer loon naar werk wordt betaald in plaats van leeftijd. Laaggeschoolden kunnen door het minimumloon -- en de daarvan afgeleide laagste cao-schalen - ook te hoge lonen bedingen. Daarom zullen bruto minimumlonen en laagste cao-schalen moeten zakken bij gelijktijdige hogere loonkostensubsidies of arbeidskortingen. Bruto lonen van de laagstbetaalden dalen terwijl hun netto inkomen toch op peil blijft. Alleen door de lonen meer in overeenstemming te brengen met productiviteit houden ouderen en laaggeschoolden perspectief op werk na deze recessie.

Uitermate zorgwekkend is dat de contractlonen nog harder groeien dan de inflatie, terwijl de werkloosheid in rap tempo toeneemt. In de blijkbaar volkomen rigide Nederlandse arbeidsmarkt zullen verdere loonstijgingen slechts uitmonden in structureel hogere en langduriger werkloosheid. Indien de loonontwikkeling niet snel wordt gematigd, zal Nederland zich bovendien internationaal uit de markt prijzen en niet goed kunnen aanhaken bij het voorziene herstel van de wereldhandel.

Weg met deeltijd-WW

Tot slot dient de deeltijd-WW zo snel mogelijk te worden afgebroken, omdat deze maatregel de Nederlandse arbeidsmarkt alleen maar meer verstart. De deeltijd-WW is nauwelijks effectief om vakkrachten te behouden in gezonde bedrijven, omdat de overheid niet goed kan bepalen wat gezonde bedrijven en wie die vakkrachten zijn. Gevolg: zeer gezonde bedrijven krijgen onnodig deeltijd-WW, ongezonde bedrijven die over de kop moeten gaan krijgen deeltijd-WW en bedrijven zonder vakkrachten krijgen deeltijd-WW. De deeltijd-WW genereert hoge kosten die de baten van eventueel baanbehoud van vakkrachten in marginaal gezonde bedrijven ruimschoots tenietdoen.

De nog relatief gunstige werkloosheidscijfers in 2009 zijn het gevolg van het feit dat werkloosheid wordt verborgen in de deeltijd-WW. Zolang deze maatregel tijdelijk is, zal de economische schade binnen de perken blijven. Maar de politieke druk om de maatregel tot in lengte van jaren te continueren neemt toe, zie ook opmerkingen van PvdA-fractievoorzitter Hamer in het NRC Handelsblad van dit weekend. Door subsidies te geven op inactiviteit raken werknemers gevangen in banen die niet levensvatbaar zijn. Deeltijd-WW is dan slechts uitstel van executie en ondermijnt de noodzakelijke aanpassingen op de arbeidsmarkt. Verborgen werklozen in de deeltijd-WW zoeken niet naar een nieuwe baan. Bijgevolg blijven de lonen te lang te hoog waardoor herstel van de winsten en arbeidsvraag uitblijft. Kortom, door de deeltijd-WW neemt de duur van de recessie toe, publiek geld wordt verspild en werknemers wordt slechts valse hoop op behoud van hun baan geboden. Als de maatregel tot in lengte van jaren wordt gecontinueerd, zal de deeltijd-WW de vut van deze economische crisis worden.

Vergroot houdbaarheid overheidsfinanciën

De crisis zal diepe sporen in de overheidsfinanciën nalaten. De overheidsuitgaven zijn met 5 procent van het bbp in twee jaar tijd opgelopen, zonder dat hier belastingopbrengsten tegenover staan. Dat is goed omdat hiermee de economie automatisch wordt gestabiliseerd. In normale omstandigheden zal de uitgavenquote automatisch afnemen als de economie herstelt. Enerzijds omdat de productie toeneemt, anderzijds omdat de belastinginkomsten stijgen en uitgaven aan uitkeringen dalen. Ook zullen de uitgaven aan salarissen en uitkeringen door een gunstige loonontwikkeling minder hard groeien, waardoor het overheidsaandeel eveneens daalt. Maar de huidige crisis zal niet slechts een tijdelijke verslechtering van de overheidsfinanciën te zien geven. Belastingopbrengsten dalen structureel omdat de productie structureel omlaag gaat, terwijl de uitgaven structureel oplopen. Dus niet de hele toename van het tekort kan aan automatische stabilisatie worden toegeschreven.

Er zijn uiteenlopende oorzaken voor de structurele productiedaling. De kapitaalgoederenvoorraad zal afnemen door lagere investeringen en hogere afschrijvingen. Door de crisis lopen kapitaalkosten voor bedrijven hard op: de risicopremies die zij moeten betalen op leningen stijgen door de correctie in financiële markten. Risicopremies zullen niet weer terugzakken naar onhoudbare precrisis niveaus. Daarnaast zal krediet schaars blijven, omdat de banken wereldwijd hun kapitaalbuffers versterken. Het effectieve arbeidsaanbod zal ook dalen omdat een deel van de werkloosheid structureel zal worden, onder meer door de hoge drempels in de arbeidsmarkt voor ouderen en laaggeschoolden. Stijgende loonkosten in rigide arbeidsmarkten veroorzaken structurele werkloosheid. Ook zullen bedrijven over de kop gaan en daarmee zal bedrijfsspecifiek menselijk kapitaal verloren gaan. Investeringen in R&D en de scholing/training van werknemers zullen afnemen, ook weer door hoge kapitaal- en loonkosten. Minder kapitaal, minder arbeidsaanbod, lagere kwaliteit arbeid en minder technologische vooruitgang zullen de structurele groei doen afnemen. Verder zal de deeltijd-WW laagproductieve bedrijven te lang in leven houden, eveneens met negatieve gevolgen voor de productiviteit.

Aan het begin van Balkenende IV was het houdbaarheidstekort nog 2,2 procent van het bbp. Op basis van de meest recente cijfers schat ik dat het houdbaarheidstekort is geëscaleerd naar zo’n 6-7 procent van het bbp, zie ook het tekstkader met de berekening. Deze berekening is met grote onzekerheden omgeven omdat nog niet duidelijk is hoe groot de structurele oploop zal zijn van het begrotingstekort. Dat betekent dat de overheid op termijn zo’n 40 miljard aan bezuinigingen of lastenverzwaringen zou moeten doorvoeren om de overheidsarrangementen tot in lengte van jaren te kunnen blijven continueren. Dit is een enorme opgave.

De regering heeft aangekondigd om in 2011 het financieringstekort met een half procent per jaar van het bbp (circa 3 mrd euro) structureel terug te dringen mits de economische situatie dat toelaat. Overigens is de invulling van die maatregelen nog boterzacht, bijvoorbeeld door de veronderstelde nullijn bij de ambtenarensalarissen. De overheid moet het economisch herstel niet in de kiem smoren door al te snel grote bezuinigingen of lastenverzwaringen in te zetten. Maar de regering moet wel structurele maatregelen die de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn verbeteren, zonder het economische herstel op korte termijn te schaden.

Een flexibele arbeidsmarkt is ook essentieel voor solide overheidsfinanciën. Loonstijgingen werken door in almaar hogere uitgavenkaders, ook in 2010, via de koppelingen van de overheidsuitgaven, ambtenarensalarissen en uitkeringen aan de lonen. Het is van belang dat de contractloonstijging snel wordt gematigd. Zo wordt voorkomen dat de uitgavenstijging bij de overheid structureel wordt.

Structurele ingrepen moeten geloofwaardig zijn door nu politiek pijnlijke en onomkeerbare stappen te nemen. Daardoor stijgt het vertrouwen van financiële markten in de kredietwaardigheid van de Nederlandse overheid, waardoor de rente op de Nederlandse overheidsobligaties niet stijgt. Op dit moment kan de overheid prima nog meer lenen mocht dat nodig zijn. Echter, als problemen optreden bij de financiële sector kan de staatsschuld peilsnel oplopen, zoals we in 2008 ook hebben gezien.

Bovendien neemt de beleidsonzekerheid over toekomstige maatregelen af als de overheid nu maatregelen aankondigt en gefaseerd invoert. Het economische vertrouwen herstelt zich als burgers en bedrijven duidelijkheid krijgen over wat ze de komende jaren boven het hoofd hangt wat betreft werk, de hoogte van belastingen, de overheidsvoorzieningen, de huizenmarkt en de pensioenen. De effectiviteit van de kortetermijnstimulansen wordt bovendien groter als bedrijven en huishoudens minder op hun geld blijven zitten in afwachting van meer economische zekerheid.

Helaas is de enige maatregel uit het aanvullende coalitieakkoord, de AOW-leeftijd naar 67, verworden tot een speelbal in het maatschappelijke debat, terwijl deze maatregel nog amper een vijfde van het houdbaarheidsprobleem oplost. Bovendien draaien de jongere generaties op voor de rekening, want de maatregel wordt veel te traag doorgevoerd om de oudere generaties ook nog een bijdrage te laten leveren.

Het had in de rede gelegen om allerlei maatregelen die al op de plank lagen nu door te voeren. Het was een peulenschil geweest om de aow-premies sneller te fiscaliseren (‘Bosbelasting’). Ook kan de AOW-leeftijd in stappen van 3 maanden per jaar worden doorgevoerd zodat al over 8 jaar de AOW-leeftijd op 67 staat en niet pas over 24 jaar. Vervolgens had deze ook kunnen worden gekoppeld aan de stijging van levensverwachting. Ook de laatste Miljoenennota laat zien dat de stijging van zorgkosten bijkans onbeheersbaar lijkt. Als de zorg doorgroeit op het huidige tempo wordt in 2050 ongeveer een derde van het nationale inkomen aan zorg uitgegeven. De regering had bijvoorbeeld de woonvergoedingen uit de AWBZ kunnen halen – een plan uit het CDA-verkiezingsprogramma. Daarnaast zouden de diverse arbeidsmarktmaatregelen ook hebben bijgedragen aan grotere houdbaarheid zoals de voorstellen van Commissie Bakker hebben laten zien. Hiermee kan al deze kabinetsperiode een deel van de problemen worden weggewerkt, zonder het economisch herstel in de kiem te smoren. Helaas heeft de regering dat nagelaten. In plaats daarvan zijn twintig commissies in het leven geroepen.

Exit financiële sector

De overheid zit tot over haar nek in de problemen van de financiële sector. Het agentschap van het Ministerie van Financiën runt inmiddels direct of indirect leeuwendeel van het Nederlandse banksysteem via de deelnemingen in Fortis en ABN Amro en de kapitaalinjecties bij ING, Aegon en SNS-reaal. De Nederlandse overheid doet verder wat de banken jarenlang hebben gedaan: grote financiële risico’s nemen, buiten de staatsbalans om. De garanties op ALT-A hypotheken (ING), het ‘capital relief’ instrument (ABN Amro) en de garanties op interbancaire kredietverlening (Leaseplan) zadelen belastingbetalers op met risico’s die op financiële markten kennelijk niet meer waren af te dekken. Het is bij dergelijke garanties kop: banken winnen, of munt: belastingbetalers verliezen. Wel betalen de instellingen een premie voor de garanties. Of die premie kostendekkend is hangt uiteindelijk af van de vraag of de overheid falen op financiële markten heeft opgelost. Alleen als financiële markten op hol waren geslagen (en dat waren ze) of ernstig faalden, kan de beprijzing achteraf goed blijken te zijn geweest. Echter, als financiële markten de risico’s correct inschatten dan kan de belastingbetaler alleen maar verliezen als winstgedreven financiële instellingen hun financiële risico’s goedkoop kunnen verzekeren bij de staat. De Europese Commissie heeft bij monde van Neelie Kroes de Nederlandse regering op de vingers getikt voor ongeoorloofde staatssteun aan ING.

Door de slechte economische situatie zullen fragiele banken een tweede ronde problemen krijgen omdat de financiële crisis op de reële economie is overgeslagen. Failliete bedrijven kunnen hun schulden niet aflossen. En werkloze werknemers komen in de problemen met de aflossing van hun hypotheek. Daardoor zullen banken grotere verliezen moeten incasseren. Toekomstige interventies om banken te redden zijn daarom allesbehalve uitgesloten. De overheid moet nu al aankondigen hoe ze in dat geval gaat opereren. De overheid mag niet langer een dumpplaats zijn voor financieel afval waardoor financiële instellingen worden beloond voor falend risicomanagement. De staatsgaranties zijn een potentiële fragmentatiebom in de overheidsbegroting, die moet worden gedemonteerd. De staatsgaranties moeten dus niet worden verlengd.

Essentieel is dat financiële instellingen die in de problemen eerst hun slechte kredieten afboeken en hun kapitaalbuffers op de markt proberen aan te zuiveren. Als dat niet lukt, kan de overheid de vreemd vermogenverschaffers dwingen om aandeelhouders te worden (debt-equity conversion). Ook kan de overheid kapitaalinjecties geven of in het uiterste geval een bank nationaliseren. In al deze gevallen draait de belastingbetaler niet op voor falend risicomanagement, maar worden de aandeelhouders of vreemd vermogenverschaffers geknipt en geschoren. Als de overheid noodgedwongen moet inspringen met kapitaalinjecties of nationalisaties draagt de belastingbetaler niet alleen het neerwaartse risico maar ook het opwaartse risico.

De grootste uitdaging voor het Nederlandse bankensysteem blijft het systeemrisico. Nederlandse banken zijn ‘too big to fail, and too big to save’. Het balanstotaal van de banken overtreft vele malen het nationaal inkomen. Dit is mede het gevolg van de grote fusie- en overnamegolf in het Nederlandse bankwezen gedurende de laatste decennia. Door de shake out in het internationale bankwezen worden bovendien vele kleine, niet-systeembanken opgeslokt door de grote banken. Het kapitaalverkeer kent geen grenzen, maar toezichthouders opereren op nationale schaal. Bij een systeemcrisis heeft Nederland een ‘IJslandprobleem’; de overheid is te klein en kan niet genoeg geld lenen om Nederlandse systeembanken te redden.

Verregaande schaalvergroting zorgt voor oligopolievorming op financiële markten. Een veel scherper mededingingsbeleid, eventueel gekoppeld aan gedwongen schaalverkleining moet het systeemrisico van Nederlandse banken verkleinen. Bovendien worden Nederlandse consumenten dan niet langer een poot uitgedraaid. Alleen als toezicht internationaal wordt georganiseerd, met internationale spreiding van eventuele reddingskosten van banken, kan de schaal van het Nederlandse banksysteem blijven zoals die nu is. De hoop daarop is beperkt. Landen als Engeland en Amerika gaan nog steeds volop de beleidsconcurrentie aan met Europa om financiële instellingen geen strobreed in de weg te leggen.

Daarnaast moeten de financiële prikkels binnen banken verminderen om teveel risico’s te nemen, die uiteindelijk worden afgewenteld op de belastingbetaler. Een eerste stap is gezet met het bonussenbeleid in financiële instellingen. Hoe effectief het afgesloten convenant is, moet nog blijken. Daarnaast moeten de toezichthouders alleen derivaten en financiële producten goedkeuren die zij snappen. De boekhoudregels moeten worden aangescherpt zodat banken niet langer grote risico’s buiten de balans kunnen parkeren. Het is bizar dat wereldwijd de boekhoudregels voor financiële instellingen zijn verslapt om ze wat meer lucht te gunnen. Tot slot dienen banken te worden onderworpen aan hogere, anti-cyclische kapitaalbuffers. Dat betekent dat ze minder prikkels hebben om via een grote hefboom teveel risico te nemen, grotere klappen kunnen opvangen als het tegenzit, en minder de kapitaalbuffers hoeven aan te zuiveren in een neergaande conjunctuur.

Balkenende IV: regering van gemiste kansen

De regering heeft door de interventies in de financiële sector met succes een meltdown van het financiële systeem voorkomen. Daarnaast levert ze door het zeer expansieve budgettaire beleid een positieve bijdrage aan de economische groei. Een economische depressie is voorkomen. Maar met een beleid van voortdurende non-compromissen – wij doen dit niet als jij dat niet doet – bewijst Balkende-IV Nederland momenteel een slechte dienst. Door de economische problemen over de schutting te kieperen naar de volgende regeringen zal het broze economisch vertrouwen niet verbeteren en zal het economisch herstel vertragen. Doordat coalitiepartijen elkaar het licht niet in de ogen gunnen, zal de werkloosheid onnodig oplopen en een onnodig hoge rekening worden doorgeschoven naar de toekomst.

Balkenende, Bos en Rouvoet strompelen al bijna drie jaar visieloos voort. Na maandenlange onderhandelingen over het coalitieakkoord in 2007 moesten ze nog eens 100 dagen nadenken voor de precieze invulling daarvan. Resultaat: 100 dagen lucht verplaatsen en een glossy folder. Bij de problemen rond het ontslagrecht moest commissie Bakker uitkomst bieden, zonder enig resultaat. Toen op 15 september wereldwijd de crisis uitbrak duurde het een half jaar voordat de regering met het aanvullende beleidsakkoord kwam. Dat kon echter binnen twee weken in elkaar worden geknutseld: 6 miljard euro aan matig onderbouwde extra uitgaven inclusief een onbegrijpelijke manoeuvre met de aow-leeftijd. Balkenende IV past in 2010 nog op de winkel en stelt een aantal commissies in om na te denken over het leven na de crisis. Daarmee zaait de regering slechts maatschappelijke onrust, zonder dat ook maar één concreet probleem wordt opgelost. Zelfs in de grootste crisis sinds de jaren 30 van de vorige eeuw lukt het Balkenende cum suis nog steeds niet om over hun eigen schaduw heen te springen. Balkenende IV geeft daarmee te kennen Nederland niet te kunnen regeren. Misschien is het beter dat er vervroegd nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven.

Bijlage: Houdbaarheidstekort in 2011

Het houdbaarheidstekort is gelijk aan het verschil tussen het feitelijke robuuste EMU-saldo en het houdbare robuuste EMU-saldo. Het robuuste EMU-saldo corrigeert het normale EMU-saldo voor de stand van de conjunctuur, de gasbaten en de netto rentelasten van de overheid. Het houdbare robuuste saldo was 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) na verwerking van de maatregelen van Balkenende IV (CPB, 2007). Het houdbare robuuste saldo stijgt met circa 0,5-1,5 procent bbp door verslechteringen ná 2011 onder meer door dalende pensioenvermogens en daarmee afnemende belastingopbrengsten op pensioenen, hogere rentelasten op de staatsschuld, hogere uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen, en lagere opbrengsten van Box-3 heffingen (Van Ewijk en Teulings, 2009, p.89). Het benodigde robuuste saldo voor houdbaarheid in de overheidsfinanciën is daarmee in 2011 ongeveer gelijk aan 3,5-4,5 procent bbp.

Het feitelijke robuuste saldo verslechtert fors vóór 2011. De MEV-cijfers van het CPB laten zien dat het robuuste saldo voor 2010 geraamd wordt op -4,8 procent bbp, zie ook figuur 1.

Figuur 1: Overheidssaldi 1990-2010

Overheidssaldi 1990-2010

Dit is mede het gevolg van het handhaven van de uitgavenkaders, terwijl de belastingopbrengsten fors teruglopen vanwege de crisis. Daardoor kan de uitgavenquote van de overheid in het nationaal inkomen met zo’n 5 procent bbp oplopen tussen 2008 en 2010 (CPB, 2009). In de conjunctuurcorrectie wordt verondersteld dat ongeveer de helft van de verslechtering van het EMU-saldo structureel is en de helft tijdelijk, maar daarover bestaan grote onzekerheden omdat nu moeilijk is vast te stellen hoeveel de feitelijke productie beneden de potentiële productie is gedaald (de zg. output gap). Het robuuste saldo zal in 2011 vermoedelijk niet veel beter zijn doordat de economische klap met aanzienlijke vertraging door blijft werken in de overheidsbegroting. Een deel van de verslechteringen ná 2011 (0,5-1,5 procent bbp) kan zich overigens ook al vóór 2011 voordoen, aangezien ook vóór 2011 de werkloosheid oploopt en de belastingopbrengsten dalen. In dat geval wordt de oploop van het houdbaarheidstekort mogelijk overschat. Het houdbaarheidstekort wordt daarom met 0,5 procent neerwaarts gecorrigeerd. Netto resulteert aldus een houdbaarheidstekort voor 2011 van circa 7,8-8,8 procent bbp.

De regering heeft met het aanvullende coalitieakkoord voor 1,8 procent bbp aan maatregelen in de steigers gezet, waaronder de voorgenomen verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar en het per 2011 wegwerken van het begrotingstekort met 0,5 procent bbp per jaar. Hoe dat laatste precies wordt ingevuld is nog onduidelijk. De door het kabinet aangekondigde houdbaarheidsmaatregelen dekken amper een kwart van het geëscaleerde houdbaarheidstekort. Ook wanneer dit gehele pakket ongeschonden door de volksvertegenwoordiging wordt geloodst, resteert met de nodige slagen om de arm een houdbaarheidstekort ter grootte van ongeveer 6-7 procent bbp. Dat is ongeveer een verdrievoudiging van het houdbaarheidstekort van 2,2 procent bbp bij aanvang van Balkenende IV (CPB, 2007). Pas in de toekomst zal blijken hoe groot dit tekort precies is, maar het zal vermoedelijk binnen de bandbreedte van 4 tot 9 procent bbp vallen.

Referenties:

CPB (2007), “Actualisatie Economische Verkenning 2008-2011”, CPB Document 151, Den Haag: CPB.

CPB (2009), Macro Economische Verkenning 2010, Den Haag: CPB.

Ewijk, Casper van, en Coen Teulings (2009), De Grote Recessie, Amsterdam: Balans.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik