Back

Artikel

Home

Wie is er bang voor bevolkingskrimp?

24 sep 2009
Onderwerpen: Migratie en integratie, Ruimtelijke ordening
Bevolkingskrimp is een verschijnsel dat gepaard gaat met emoties en opportunistisch gedrag. De meeste Nederlanders zijn sterk voor bevolkingskrimp op wereldniveau, maar zodra krimp in de woonplaats voordoet, is die voorkeur verdwenen en hecht men aan de status quo. Voorstanders van krimp, de status quo of groei hebben sterk uiteenlopende inschattingen van wat krimp met een land of de eigen woonplaats doet. Vooral PVV-kiezers zijn sterk voor krimp, ingegeven door de ervaren bevolkingsdruk en de angst voor buitenlanders.

Krimp is nieuwe realiteit

De tijd dat de Nederlandse bevolking alleen maar zal groeien lijkt voorbij. Langzaam maar zeker vlakt de groei van de bevolking af, wordt de bevolkingsstructuur grijzer, en in 2025 heeft ruim de helft van de gemeenten minder inwoners dan nu het geval is. Dreigende krimp van een bevolking leidt traditioneel tot allerlei sombere toekomstbespiegelingen. Minister Van der Laan kwam na een werkbezoek in februari van dit jaar aan Heerlen tamelijk depressief terug naar Den Haag. In Heerlen had hij de bevolkingskrimp met eigen ogen aanschouwd en concludeerde hij dat “spookdorpen hier kunnen komen als we op deze ontwikkeling niet goed reageren.” Een opvallend kenmerk van het debat is dat de boventoon in discussies wordt bepaald door bezorgde bestuurders in de provincie, wetenschappers en intellectuelen. Directe aanwijzingen over hoe de bevolking denkt over het aantal inwoners zijn er echter niet of nauwelijks en daarmee is de Nederlandse burger een opvallende afwezige in dit debat. De burger is uiteraard wel belangrijk, omdat de kwaliteit van de leefomgeving bij uitstek een factor is die het stemgedrag bepaalt, is het niet via de stembus dan wel door te verhuizen of te emigreren (NICIS, 2009; Van Dalen en Henkens, 2008). En in het laatste geval, kunnen ontstane migratiebewegingen de krimp van regio’s die al te kampen hebben met krimp weer verder versterken. De vraag die daarom centraal staat is: wie is bang voor bevolkingskrimp?

Economie en krimp

Zorgen over bevolkingskrimp worden traditioneel gevoed door de verwachte negatieve economische effecten. De wegen waarlangs bevolkingskrimp de economie beïnvloedt, vallen te herleiden tot drie belangrijke transmissiemechanismen. Allereerst betreft dit de wijze waarop bevolkingsomvang de overheidsfinanciën treft, zowel op nationaal als lokaal niveau. Financiering van publieke goederen en diensten, waar schaalvoordelen een belangrijke rol spelen, is eenvoudiger met een sterk groeiende bevolking, omdat de belastingvoet over meer mensen kan worden uitgesmeerd en een jongere bevolking levert relatief meer netto publieke baten op dan een vergrijsde of vergrijzende bevolking. Ten tweede kan de bevolkingsdichtheid de relatieve prijs van een goed of dienst beïnvloeden. Dit doet zich bijvoorbeeld duidelijk voor in het geval van de huizenmarkt, waar het aanbod van woningen zich met grote vertraging aanpast aan de vraag, die sterk leeftijdsgebonden is. (Eichholtz en Lindenthal, 2009). Over het algemeen wordt verwacht dat krimp zich zal openbaren via leegstand, segregatie, lagere huizenprijzen, en beperkte doorstroming (Van Dam et al., 2008). Een derde mechanisme waar in de economische theorie de nadruk op wordt gelegd is de relatie tussen schaalvoordelen, technische vooruitgang en bevolkingsomvang. Er zijn tal van auteurs die deze relatie leggen met ieder weer een specifiek transmissiemechanisme. Vooral economen als Alfred Marshall, Jane Jacobs, Julian Simon, Robert Lucas, en Paul Krugman hebben deze link gelegd. In grote lijnen komt het er op neer dat bevolkingsgroei vooral een stimulans tot innovatie kan zijn, omdat door een groeiende bevolkingsomvang schaalvoordelen behaald kunnen worden en derhalve economische groei een stimulans krijgt.

Maar er zijn ook positieve effecten van krimp te verwachten, vooral op het terrein van het milieu en de opwarming van de aarde. De ecoloog Garett Hardin (1968) heeft dat ooit eens uiteengezet en betitelt als de ‘tragedy of the commons’: wanneer schaarste niet geprijsd wordt dreigt het gevaar van overgebruik van de publieke ruimte (de 'commons'). Hardin bracht het publieke goed probleem direct in relatie tot het probleem van overbevolking en zijn conclusie is dan ook duidelijk: “Freedom to breed will bring ruin to us all.” (1968, blz. 1248). Bevolkingskrimp kan in dat opzicht alleen maar als de droom van Hardin worden opgevat.

Voorkeur bevolkingsomvang

Voor een mening over bevolkingsgroei is het van wezenlijk belang of het de groei op wereldniveau betreft of over Nederland en de eigen woonplaats. Figuur 1 geeft weer hoe belangrijk de geografische dimensie is en hoe sterk de voorkeuren veranderen naarmate de bevolkingsontwikkelingdichter bij de eigen woonplaats komt.

Figuur 1: Gewenste bevolkingsontwikkeling in de wereld, Nederland en eigen woonplaats, 2009.

Gewenste bevolkingsontwikkeling in de wereld, Nederland en eigen woonplaats, 2009.

De meerderheid van de Nederlanders is van mening dat de wereldbevolking moet krimpen. In 2008 omvatte de wereldbevolking 6,7 miljard inwoners. De gewenste krimp is minder groot zodra de focus dichter bij huis geplaatst wordt: 31 procent wenst een kleinere Nederlandse bevolking en zodra het over de eigen woonplaats gaat is nog maar 16 procent van de Nederlanders voorstander van een kleinere bevolking. De meeste Nederlanders wensen dan ook veeleer dat de status quo wordt gehandhaafd op het huidige inwonertal en de hang naar de status quo is sterker naarmate het dichter bij de eigen woonplaats komt. Een nadere analyse van de voorkeuren (Van Dalen en Henkens, 2009) wijst uit dat voorstanders van groei en krimp grote verschillen van mening hebben hoe bevolkingskrimp een land, de openbare financiën of de publieke voorzieningen op lokaal niveau beïnvloeden.

Migratie en milieu

De groep 'krimpvoorstanders' is echter een merkwaardige coalitie. Krimpvoorstanders lijken bevolkingskrimp als panacee voor knellende maatschappelijke vraagstukken te zien. Daarbij zijn twee thema’s dominant: milieu en migratie. In Van Dalen en Henkens (2005) hebben wij reeds eerder laten zien aan de hand van data voor het jaar 2002 hoe sterk bevolkingsdruk en attitudes ten aanzien van immigranten en immigratiepolitiek zijn verknoopt. 'Vol = vol' was een beladen begrip maar het vatte voor rechtse partijen handzaam samen hoe men over bevolkingdruk dacht, en in zekere zin lijkt dat vandaag de dag nog steeds te gelden. Niettemin blijft het opvallend hoe sterk de krimpwens is bij degenen die vooral schaduwzijden zien aan de multiculturele samenleving. Degenen die de integratie van migranten in Nederland als negatief beoordelen zijn in ruim veertig procent van de gevallen voor bevolkingskrimp. Het verlangen naar een krimpende bevolking wordt daarnaast gevoed door zorgen over de toestand van de natuur en het milieu. Om een voorbeeld te geven: 51 procent van de mensen die negatief oordelen over de kwaliteit van natuur en ruimte is voor bevolkingskrimp, terwijl maar 23 procent van de Nederlanders die positief over het milieu oordelen voor krimp is. De integratie van allochtonen, criminaliteit en de multiculturele samenleving zijn begrippen die de in hoge mate het oordeel over krimp beïnvloeden.

Opvallend genoeg houden opvattingen over migratie en milieu niet of nauwelijks verband met elkaar. Migratie en milieuoverwegingen zijn twee onafhankelijke krachten die krimpvoorkeuren beïnvloeden. De verdeeldheid in voorstanders voor groei en krimp zien we ook in hoge mate terug in de (voorgenomen) politieke partijkeuze (zie figuur 2). Vooral standpunten over migratie en integratie en ruimtelijke ordening en milieu lijken een verband met de verschijnselen van bevolkingsgroei en krimp te vertonen.

De partijen van Geert Wilders (PVV) en Rita Verdonk (TON) profileren zich sterk als krimppartij en dat zal ongetwijfeld te maken hebben met hun standpunten om immigratie te beperken en sterk in te spelen op gevoelens dat immigratie en criminaliteit ook sterk verbonden zijn. De stelling "de groei van het aantal buitenlanders draagt bij aan criminaliteit en terrorisme" wordt bijvoorbeeld door 94 procent van de PVV-kiezers ondersteund, terwijl bij Groen Links of de PvdA deze stelling 'slechts' door ongeveer 25-30 procent van de aanhang wordt onderschreven. Daarnaast zien we onwaarschijnlijke bondgenoten in de vorm van milieupartijen of anti-groeipartijen zoals Groen Links en de SP die vooral de voordelen voor ruimte en natuur zien. De regeringspartijen (CDA, PvdA en CU) bevinden zich onderaan de lijst en zijn het meest geporteerd van (enige) bevolkingsgroei. Van de christelijke partijen zouden we dat wel verwachten, gezien de uitlatingen en beleidsinitiatieven van de minister van Jeugd en Gezin, André Rouvoet (zie De Pers, 2008), maar waar de belangstelling van PvdA-kiezers vandaan komt, is vooralsnog onduidelijk en wellicht ook onbelangrijk, omdat de verschillen met meer liberale partijen zoals de VVD en D66 klein zijn.

Figuur 2. Voor- en tegenstanders van nationale bevolkingsgroei naar voorgenomen partijkeuze Tweede Kamer, gerangschikt naar voorstanders bevolkingskrimp per partij, 2009

Voor- en tegenstanders van nationale bevolkingsgroei naar voorgenomen partijkeuze Tweede Kamer, gerangschikt naar voorstanders bevolkingskrimp per partij, 2009

Waar migratie en milieu de belangrijkst motieven vormen voor de krimpvoorstanders, worden de economische gevolgen door hen klein geacht en opvallend genoeg lang niet altijd negatief. Slechts 20 procent van de voorstanders van krimp verwacht een afname van de economische groei en een op de tien verwacht een afname van het innovatievermogen. Daarentegen ziet een ruime meerderheid van hen (60 procent) de werkloosheid dalen. Een toename van de belastingdruk die door veertig procent krimpvoorstanders wel wordt verwacht wordt kennelijk op de koop toe genomen.

Kloof kiezer-politicus

Wie de meningen van de bevolking over krimp nader bestudeert stelt vast dat bevolkingskrimp opportunisme of het NIMBY-effect oproept: krimp is prima op wereldniveau, maar Not-In-My-Back-Yard. De meest opvallende bevinding is dat achter neutrale en saaie begrippen als bevolkingsgroei en –krimp associaties en verwachtingen schuil gaan die veel verder gaan dan menigeen denkt. Voor sommigen betekent krimp verlichting van de milieudruk, voor een ander is het weer nauw verbonden met een toekomst waarin de immigratiestromen beperkt zijn. Toch zullen deze beelden gaan wringen in de praktijk wanneer gevolgen van krimp reëel worden en zichtbaar in de dorpen en woonwijken. Krimpvoorstanders zijn vooral te vinden aan de uiteinden van het politieke spectrum waar vooral bij de aanhang van de PVV een krimpende bevolking wordt toegejuicht. Dit is op zicht vreemd omdat het Planbureau voor de Leefomgeving de meest reële gevolgen voor krimpende gemeenten inschat als: "leegstand, verpaupering, en concentratie van lagere-inkomensgroepen" (Verwest et al. 2009, blz. 139). Voorwaar geen recept voor blije burgers. Het laatste waar men op zich te wachten is concurrentie tussen gemeenten die ieder voor zich de willen groeien ten koste van de ander. Een dergelijke 'race to the bottom' kan alleen maar worden voorkomen door gecoördineerde aanpak, zoals ook het zogenaamde 'Top Team Krimp' afgelopen maandag voorstelde in zijn rapport Krimp als structureel probleem voor de regio Parkstad Limburg. De PVV zelf heeft vooralsnog geen standpunt over het verschijnsel bevolkingskrimp of de wijze hoe men met krimp om kan gaan. Wellicht dat de PVV-ers net als zoveel gemeentebestuurders in de ontkenningsfase zitten die de omslag van bevolkingsgroei naar bevolkingskrimp kenmerkt.

Referenties:

Dalen, H.P. van (2008) De angst voor bevolkingskrimp, vergrijzing en bevolkingspolitiek, Beleid en maatschappij, 35, 257-273.

Dalen, H. P. van and K. Henkens (2005), The rationality behind immigration policy preferences, De Economist, 153 (1): 67-83.

Dalen, H.P. van en K. Henkens (2008) Waarom weg uit Nederland? Hedendaagse emigratie verklaard. Mens en maatschappij, 83, 213-238.

Dalen, H.P. van, en K. Henkens (2009), De onvermoede baten van bevolkingskrimp, Economisch Statistische Berichten 94 (4562): 358-361.

Dam, F. van, F. Verwest en C. de Groot (2008) De ruimtelijke gevolgen van krimp. Beleid en maatschappij, 35, 322-329.

Eichholtz, P., en T. Lindenthal (2009) Demografische krimp en woningprijzen, Economisch Statistische Berichten, 94, 249-251.

Hardin, G. (1968) The tragedy of the commons. Science, 162, 1243-1248.

NICIS (2009) De nieuwe groei heet krimp – Een perspectief op Parkstad Limburg. Den Haag: NICIS Institute.

Verwest, F., N. Sorel en E. Buitelaar (2009), Beleidsreacties in krimpregios', in: N. van Nimwegen en L. Heering (red.), Van groei naar krimp - Een demografische omslag in beeld, KNAW Press, Amsterdam, blz. 113-144, te verschijnen.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik