Back

Artikel

Home

Wie gevolgen vergrijzing wil opvangen moet niet xenofoob zijn

29 dec 2010
Onderwerpen: Arbeidsmarkt, Vergrijzing
De vergrijzing en bevolkingskrimp heeft ingrijpende gevolgen voor de arbeidsmarkt van alle Europese landen. De strijd om de hoogopgeleide werknemer zal daarmee losbarsten. Europa is echter niet voorbereid om een dergelijke concurrentieslag en wil men in Europa slagen dan moeten politici en beleidsmakers hun anti-elitaire en xenofobe houding overboord gooien.

Vergrijzing heeft verregaande gevolgen voor onze economie. Helaas is dat inzicht niet of nauwelijks doorgedrongen tot het gedoog- en regeerakkoord. De lopende discussie over de toekomstige betaalbaarheid van de pensioenen is een teken aan de wand. Dat heeft het nieuwe kabinet ertoe aangezet om met de halfbakken maatregel te komen om de pensioenleeftijd naar 66 jaar te verhogen in 2020. Dat is veel te weinig en veel te laat, vooral omdat ook op andere terreinen de demografische veroudering, die vrijwel overal in Europa toeslaat, grote gevolgen zal hebben. De leegloop van perifere gebieden in Nederland is een voorbode van wat ons geografisch te wachten staat: toenemende leegstand in krimpgebieden, onbetaalbare locale voorzieningen, zoals scholen, ziekenhuizen en bejaardentehuizen, en wegkwijnende gemeenschappen. De verwachting is dat deze ontwikkeling krachtig zal doorzetten. Het CBS voorspelt dat vanaf ongeveer 2034 de Nederlandse bevolking ook in absolute zin zal afnemen. De demografische neergang van de buitenrand van Nederland zal dan alleen nog maar pregnantere vormen aannemen.

Arbeidsmarktgevolgen

Nederland staat niet alleen in deze ontwikkeling. Grote delen van Europa ondergaan een soortgelijk demografisch lot. Het vruchtbaarheidscijfer in grote delen van Europa is lager dan 1,8 kind per vrouw, terwijl 2,1 nodig is om de bevolking op peil te houden. Ook daar zijn regionale leegstand en verpaupering van perifere gebieden het onvermijdelijke gevolg. Zorgwekkend is dat deze ontwikkeling grote consequenties zal hebben voor de arbeidsmarkten. Voorspellingen geven aan dat in de Europese Unie rond 2050 ongeveer 30 miljoen werkenden minder de sputterende Europese motor zullen voeden. Als het aanbod van arbeid afneemt ten gevolge van vergrijzing, zal bij gegeven vraag de prijs van arbeid stijgen. Dat betekent voor kennisintensieve landen, zoals Nederland en Duitsland, vooral dat het loonniveau van relatief hooggeschoolde werknemers zal oplopen. Ongestuurde arbeidsmigratie biedt nauwelijks een oplossing. Ouder wordende migranten dragen immers ook bij aan de vergrijzing.

Daarnaast zijn migranten vaak (te) laag geschoold. Omdat de kerneconomieën in Europa min of meer gelijktijdig vergrijzen, zal een onderlinge concurrentiestrijd ontbranden om de hooggeschoolde Europese werknemer. De nieuwe toetreders tot de Europese Unie, zoals Polen, vergrijzen ook sterk. Het synchroon vergrijzende en concurrerende Europa zal daarom een sterk prijsopdrijvend effect hebben op de lonen van de in toenemende mate schaarse en hoogopgeleide werknemer. Ten dele zal deze stijging gecompenseerd kunnen worden door een hogere arbeidsparticipatie van zittende werknemers – zeker in Nederland, dat immers kampioen deeltijdarbeid is. De paradox is echter dat de stijgende lonen juist de arbeidsparticipatie kunnen verminderen, omdat het eerder ‘uitkan’ om minder en minder lang te werken.

Strijd om hoogopgeleiden

Het gevecht om de hooggeschoolde werknemer blijft niet beperkt tot Europa. Landen als Australië, Canada en de Verenigde Staten werken met een veel sterker op de arbeidsmarkt gerichte selectie aan de grens dan gebruikelijk is in Europa. Het gevolg is dat het gemiddelde opleidingsniveau van migranten dat de afslag naar Europa neemt, lager is dan dat van de zittende Europese bevolking. In het Engels sprekende deel van de wereld is juist het omgekeerde het geval. De bijdrage van migranten in Europa is hierdoor minder gunstig voor de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit dan die in Australië, Canada en de Verenigde Staten. Omdat kennisuitwisseling een sterk locaal karakter heeft, is het voor hooggeschoolde migrerende werknemers daardoor aantrekkelijk om zich te vestigen in landen waar de anderen ook naar toe gaan: Australië, Canada en de Verenigde Staten. Grosso modo leidt dat ertoe dat op langere termijn de concurrentiepositie van Europa verdere zal verslechteren – deels door hogere lonen in de kennisintensieve en op export gerichte kernindustrieën en deels door het Europese migratiebeleid. Daar komt bij dat de welvaartsstaat in Europa kostbaarder is dan die in andere delen van de wereld. Dat maakt Europa aantrekkelijk voor relatief laaggeschoolde arbeid, terwijl het daarnaast belastingverhogend werkt. Een hoog opgeleide migrant uit India of Indonesië staat voor vraag waar zich te vestigen: in Europa of in Australië, Canada of de Verenigde Staten. De keuze zal waarschijnlijk niet in het voordeel van Europa uitvallen. Hierdoor komt de concurrentiekracht van Europa weer verder onder druk te staan.

Intussen zit het bedrijfsleven natuurlijk niet stil. Het tekort aan hoogopgeleide werknemers gecombineerd met de hoge lonen zal de locatiekeuze van bedrijven beïnvloeden. Voor zover mogelijk zullen bedrijven zich vestigen in landen waar de lonen minder snel zijn gestegen en waar de arbeidsmarkt minder grote tekorten kent. Dat is weer een element dat leidt tot de ondermijning van de concurrentiekracht van Europa. Uit onderzoek van het CPB blijkt dat het hier vooral om relatief productieve bedrijven gaat: de huidige multinationale en exporterende ondernemingen, die makkelijker in staat zijn om zich aan de demografische consequenties van een verouderend Europa te onttrekken. De achterblijvers zijn verhoudingsgewijs minder productief, hetgeen weer een negatieve invloed heeft op de aantrekkelijkheid van Europa. Een zichzelf versterkende neerwaartse spiraal maakt het van kwaad tot erger.

Wat kan Europa doen om deze malaise te voorkomen?

Het Europese migratiebeleid zou moeten worden hervormd in de richting van het Amerikaanse, Australische en Canadese model door het aantrekken van jonge en goed opgeleide immigranten prioriteit te geven. Hoewel pogingen in deze richting zijn ondernomen, verschilt het Europese beleid per land en wordt het bijna overal steeds xenofober. De uitwerking van voorstellen voor versnelde toelating van hooggeschoolden komt in de dagelijkse praktijk moeizaam van de grond, zoals wij dagelijks aan de universiteit kunnen constateren. De behandeling van talentrijke niet-Europese studenten door immigratie-autoriteiten is vaak dermate respectloos dat de kaken schaamrood kleuren.

Aangezien kennisoverdracht sterk locatiegebonden is, zouden de Europese en Nederlandse kenniscentra juist moeten worden versterkt door de komst van talentrijke niet-Europeanen. Een diploma van Bologna, Heidelberg of Leiden is echter weinig waard in vergelijking met dat van Harvard, Stanford of Yale. De decennialange verwaarlozing van de kennisinfrastructuur gaat Europa opbreken. Alleen na drastische investeringen in die infrastructuur kan de locatiekeuze van de jonge en talentrijke Braziliaan, Chinees of Indiër vaker worden omgebogen in de richting van Europa. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat dit een Europees vraagstuk is. De naar binnengekeerde anti-Europese en anti-elitaire houding van het huidige kabinet getuigt van een struisvogelmentaliteit. De enorme uitdagingen waarvoor vergrijzing de Europese en Nederlandse samenleving stelt, vragen juist om beleid dat vooral niet anti-elitair en niet xenofoob is.

* Dit artikel is eerder in verkorte vorm verschenen als artikel in NRC Handelsblad van 27 december 2010.: Flickr

Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik