Back

Artikel

Home

Waarom Paul Krugman de Nobelprijs Economie verdient

15 okt 2008
Onderwerpen: Economisch denken, Globalisering, Internationale handel
Paul Krugman heeft de Nobelprijs Economie voor het jaar 2008 gekregen. Voor velen is hij de econoom die in populair wetenschappelijke boeken hele en halve onwaarheden over actuele economische vraagstukken genadeloos ontrafelt. Voor vakgenoten is hij echter de man die voor een revolutie in de economische theorie heeft gezorgd door met eenvoudige modellen de complexe wereld van globalisering en geografie te doorgronden.

“A funny thing happened to me this morning…” valt te lezen op Paul Krugmans blog op maandag 13 oktober. Krugman werd maandagochtend gebeld door het Nobelprijscomité met de mededeling dat hij dit jaar de Nobelprijs voor economie had gewonnen. Krugmans onderkoelde reactie is natuurlijk deels schijn. In huize Krugman ergens in de buurt van Princeton University waar hij sinds 2000 als hoogleraar Economic and International Affairs werkt, zal heus wel een juichkreet hebben geklonken na het telefoontje uit Zweden. Maar echt verbaasd zal Krugman inderdaad niet zijn geweest. Tegenover de New York Times, waarvoor hij twee keer per week een column schrijft, verklaarde hij na de toekenning “To be absolutely, totally honest, I thought this day might come some day, but I was absolutely convinced it wasn’t going to be this day”(1). Krugman verwoordt hier wat veel economen al jaren dachten, namelijk dat hij ooit de Nobelprijs zou moeten krijgen.

Scherp debater

Bij het grote publiek is Krugman vooral bekend door zijn columns in de New York Times en zijn populair wetenschappelijke boeken (2) waarin hij hele en halve onwaarheden over actuele economische vraagstukken genadeloos ontrafelt. In de VS staat hij bekend als een echte “liberal” die de laatste jaren het beleid van Bush en zijn regering zeer fel heeft bekritiseerd. Maar de Nobelprijs is hem natuurlijk toegekend voor zijn wetenschappelijke werk en wie het juryrapport goed leest moet tot de conclusie komen dat Krugman de prijs te danken heeft aan slechts drie van zijn artikelen (Krugman 1979, 1980 en 1991). Bij elkaar hebben deze drie papers niet alleen tot fundamenteel nieuwe inzichten geleid op het gebied van de internationale handel maar ook tot de (her)ontdekking door de internationale economie van het belang van de geografie.

Handelseconoom die intra-industriehandel doorgrondt

Traditioneel, dat wil zeggen vòòr de publicatie van Krugman (1979), wist de internationale handelstheorie eigenlijk alleen maar een verklaring te bieden voor handel als landen duidelijk van elkaar verschilden in termen van hun productiviteit of hun grondstoffen en hulpbronnen. Frankrijk verkoopt wijn aan Zweden en Zweden exporteert hout naar Frankrijk. Het probleem met deze traditionele visie was dat ze steeds minder goed aansloot bij de feiten. De bulk van internationale handel vindt namelijk plaats tussen gelijksoortige landen die wat betreft hun productiviteit of grondstoffen niet of nauwelijks van elkaar verschillen. Frankrijk export auto’s naar Duitsland maar Duitsland exporteert op zijn beurt ook auto’s naar Frankrijk. In Krugman (1979) wordt in slechts tien pagina’s via een elegant model een verklaring geboden voor dergelijke intra-industrie handel. In het model produceren bedrijven onder interne schaalvoordelen en consumenten prefereren zoveel mogelijk variëteiten van een product. Handel biedt bedrijven de mogelijkheid om efficiënter, dat wil zeggen op een grotere schaal, te produceren en consumenten kunnen door internationale handel kiezen uit meer variëteiten.

...en vestigingsplaatsen

In Krugman (1980) wordt het model uit 1979 uitgebreid met transportkosten. Dit is een cruciale uitbreiding van het model. Zonder transportkosten en met alleen interne schaalvoordelen, zullen bedrijven hun productie willen concentreren op één plek maar zijn ze onverschillig over de vraag waar ze dat doen. Ook al bevindt de afzetmarkt zich in Europa, je kunt met je fabriek ook op de Noordpool gaan zitten. Als echter het vervoer van goederen tussen landen niet langer kosteloos is, doet de locatiebeslissing er wel toe. De Noordpool is dan opeens een hele slechte locatie! Krugman (1980) laat zien dat de combinatie tussen schaalvoordelen en transportkosten maakt dat bedrijven zich (meer dan evenredig) vestigen in landen met een voor hun product relatief grote afzetmarkt. Bijgevolg zullen landen die goederen exporteren waarvoor ze een verhoudingsgewijs grote binnenlandse afzetmarkt hebben. Dit centrale resultaat uit Krugman (1980) staat in de literatuur bekend onder de naam home market effect. ’De handelsmodellen uit 1979 en 1980 vormen een knap staaltje vakmanschap, de analyse blijft strak en helder en de technische details zijn tot een minimum beperkt. Dit laatste is vooral knap, omdat bij de introductie van interne schaalvoordelen de marktvorm er een van onvolledige mededinging moet zijn. (3) Totdat Krugman (1979, 1980) op het toneel verscheen bleek de modellering van deze marktvorm een analytisch struikelblok gebleken in de internationale handeltheorie.

…en economische geografie

Krugman (1979) en Krugman (1980) liggen aan de basis van de zogenaamde nieuwe handelstheorie die een verklaring biedt voor intra-industriehandel. (4) Had Krugman de Nobelprijs alleen voor dit werk gekregen dan had de prijs met (bijna) evenveel recht aan collega-economen als Dixit, Norman en Helpman kunnen worden toegekend, die op het gebied van de nieuwe handelstheorie ook belangrijk werk hebben verricht. Krugman ging, met enige vertraging, echter nog een wezenlijke stap verder dan zijn onderzoekscollega’s. En het is deze derde stap in Krugman (1991) die hem samen met Krugman (1979, 1980) dus de prijs heeft opgeleverd. In Krugman (1991) wordt aan het model van Krugman (1980) met zijn twee hoofdelementen van schaalvoordelen en transportkosten een derde element toegevoegd, te weten factormobiliteit. In Krugman (1980) verschillen zoals gezegd landen qua marktomvang, maar de vraag waarom het ene land een grotere afzetmarkt heeft dan het andere land blijft onbeantwoord. In Krugman (1991) wordt het antwoord gegeven: doordat productiefactoren (in het model, industriële arbeiders) mobiel zijn, dat wil zeggen arbeiders moeten zelf beslissen waar ze zich vestigen. De vraag naar goederen wordt (deels) uitgeoefend door de mobiele arbeiders en daarmee wordt niet langer opgelegd welk land een grotere afzetmarkt biedt, dat is nu als gevolg van de factormobiliteit tot een uitkomst van het model verworden. Waar gaan bedrijven en arbeiders zich vestigen? Het antwoord is niet vooraf te geven maar voor lage transportkosten blijkt bijvoorbeeld dat in een setting met twee landen, een zogenaamde core-periphery, evenwicht de uitkomst is: alle mobiele bedrijven en arbeiders vestigen zich in één van beide landen.

Ontstaan van nieuwe economische geografie

Door in Krugman (1991) zijn model uit 1980 uit te breiden met factormobiliteit wordt de ruimtelijke of geografische verdeling van economische activiteit - wie zit waarom waar? - het onderwerp van de analyse. (5) In de internationale economie was de geografie lange tijd een onderschoven kindje. Empirisch was weliswaar al langer duidelijk dat afstand of geografie ertoe doet ter verklaring van handelsstromen, maar theoretisch bleef het behelpen. Krugman (1991) bracht daar in één klap verandering in. Met de gereedschapskist van de moderne handelstheorie wist hij in zijn artikel uit 1991 de geografie (weer) een plaats te geven in de internationale economische theorie en empirie. Krugman (1991) was het startschot voor een heuse nieuwe stroming, de new economic geography, die onder meer de grenzen tussen de vakgebieden van de internationale economie en de regionale economie heeft geslecht en ook tot (soms felle) discussies met de “oude” economisch geografen heeft geleid die meestal deze nieuwlichterij maar niks vonden. Belangrijk is dat Krugman (1991) een zeer nuttige basis biedt om belangrijke vraagstukken ten aanzien van globalisering, migratie en andere voorbeelden van structurele veranderingen met mogelijk ruimtelijke of geografische consequenties te analyseren. Dit is niet alleen theoretisch interessant maar heeft ook beleidstoepassingen (zie bijvoorbeeld de Wereldbank, 2008). Ten aanzien van globalisering biedt het ook weerwerk tegen populaire verhalen als zou de wereld “plat” zijn geworden door globalisering (zie reeds Krugman en Venables, 1995).

Drie-eenheid levert Nobelprijs op

Drie papers met bij elkaar genomen drie hoofdingrediënten (schaalvoordelen, transportkosten en factormobiliteit) hebben Paul Krugman dus dit jaar de Nobelprijs voor economie opgeleverd. Op de vraag waarom het maar liefst elf jaar duurde voordat hij deze (naar nu blijkt winnende) drie-eenheid in 1 model had weten samen te voegen, merkte hij zelf het volgende op: “It is obvious-in retrospect-that something special happens when factor mobility interacts with increasing returns (…). This observation is, as I suggested, obvious in retrospect; but it certainly took me a while to see it. Why exactly I spent a decade between showing how the interaction of transport costs and increasing returns at the level of the plant could lead to the “home market effect” (Krugman, 1980) and realizing that the techniques developed there led naturally to simple models of regional divergence (Krugman, 1991) remains a mystery to me. The only good news was that nobody else picked up that $100 bill lying on the sidewalk in the interim.” (Krugman, 1999, p. 6) Sinds maandag is duidelijk dat 100 dollar een onderschatting was, met de toekenning van de Nobelprijs economie is een geldbedrag van $1,4 miljoen gemoeid!

Krugman is een brede econoom

Naast zijn bekroonde papers heeft Krugman nog talrijke toonaangevende en veel geciteerde papers en boeken geschreven op het terrein van handel en geografie. Daarnaast heeft hij belangrijk werk gedaan op het terrein van handelsbeleid, wisselkoersen en, zeer actueel, valuta- en financiële crises. Nadat hij in 2000 als columnist bij de New York Times begon, kwam zijn wetenschappelijke productie (helaas) vrijwel stil te liggen. Zijn laatste grote wetenschappelijke publicatie is het standaardboek over nieuwe economische geografie uit 1999 (Fujita, Krugman en Venables, 1999). De meeste Nobelprijswinnaars economie waren al lang met pensioen toen ze de prijs kregen. Krugman is met zijn 55 jaar nog relatief een jonkie. Hij lijkt te hebben gekozen voor zijn rol als commentator van het economische wereldgebeuren, maar soms is daar opeens weer een nieuw Krugman model: helder en boeiend geschreven en met de minimaal benodigde formele analyse om zijn punt te kunnen maken. Zo dook vorige week midden in de financiële crisis op zijn blog een nieuw model op waarin hij zijn visie op de internationale dimensie van de huidige crisis geeft. En die visie past dan kenmerkend genoeg in maar 5 pagina’s tekst met niet meer dan 10 eenvoudige vergelijkingen en 2 figuren. (6)

Het streven om complexe vragen en concepten te vangen in kleine modellen (Krugman 1991 heeft als kern maar 3 vergelijkingen) loopt als een rode draad door zijn wetenschappelijke werk. Zo blijkt zijn model uit 1991 waar alles wat hem de Nobelprijs heeft opgeleverd dus in samenkomt, te zijn geïnspireerd door het werk van de vermaarde bedrijfskundige Michael Porter. Krugman moet hebben gedacht bij lezing van die honderden pagina’s van Porter over zijn clusterconcept “Dat moet helderder en korter kunnen”. Ten minste dat is wat Krugman ons desgevraagd liet weten over de ontstaansgeschiedenis van zijn 1991 model: “Michael Porter had given me a manuscript copy of his book on Competitive Advantage of Nations, probably late 1989. I was much taken by the stuff on clusters, and started trying to make a model - I was on a lecture tour, I recall, and worked on it evenings, I started out with complicated models with intermediate goods and all that, but after a few days I realized that these weren’t necessary ingredients, that my home market stuff basically provide the necessary. I got stumped for a while by the analytics, and tried numerical examples on a spreadsheet to figure them out. It all came together in a hotel in Honolulu…….” (Brakman, Garretsen, en Van Marrwijk 2001, 2008).

Krugman heeft de Nobelprijs meer dan verdiend en gelukkig heeft het Nobelprijscomité zich niet laten afschrikken door geluiden als zou hij de prijs niet kunnen krijgen omdat hij tegenwoordig “te politiek” bezig zou zijn. Met Krugman wordt indirect het onderzoek op het grensvlak van handel en geografie geëerd en dat is ook leuk en motiverend voor alle onderzoekers die zelf op dat terrein actief zijn. Nu de internationale handelstheorie deze Nobelprijs binnen heeft gehaald, zal ons vakgebied voorlopig waarschijnlijk niet meer in de prijzen vallen. (7) Dat geeft echter niet want met de ideeën van Krugman kunnen we nog jaren vooruit.

Voetnoten:

(1) Zie voor het bedoelde artikel in de New York Times.

(2) Een paar van zijn meest bekende titels: The Age of Diminished Expectations, Peddling Prosperity, Pop Internationalism, en The Accidental Theorist.

(3) Hier is Krugman voor het eerst en zeker niet voor het laatst schatplichtig aan het model van monopolistische concurrentie zoals door Dixit en Stiglitz (1997) ontwikkeld.

(4) Voor de synthese van de oude en nieuwe handelstheorie zie Helpman en Krugman (1985).

(5) In welke mate Krugman (1991) vanuit het gezichtspunt van de regionale economie echt nieuw was zie bijv. Fujita en Thisse (2002) of Ottaviano en Thisse (2004).

(6) “The International Finance Multiplier” zie zijn blog.

(7) Hoewel zijn vakgenoten en medekanshebbers Krugman de eer zonder meer gunnen, proef je hier en daar natuurlijk wel enige teleurstelling: “Lots of people are saying to me, ‘Why didn’t you get it?’” said Jagdish Bhagwati economics professor at Columbia who helped Mr. Krugman publish one of his seminal papers when other academics thought it was too simple to be true. “Given the fact that I didn’t get it, this is the next best thing.” Zie.

Kernreferenties:

De drie papers die hem de Nobelprijs opleverden:

Krugman, P.R. (1979), Increasing Returns, Monopolistic Competition, and International Trade, Journal of International Economics, 9, 469-479.

Krugman, P.R. (1980), Scale Economics, Product Differentiation, and Pattern of Trade, American Economic Review, 70, 950-959.

Krugman, P.R. (1991), Increasing returns and economic geography, Journal of Political Economy, 99, 483-499.

Overige referenties:

Brakman, S., H. Garretsen en Ch. Van Marrewijk, 2001, An Introduction to Geographical Economics, Cambridge University Press, Cambridge VK.

Brakman, S., H. Garretsen en Ch. Van Marrewijk, 2008, The New Introduction ot Geographical Economics, Cambridge University Press, Cambridge VK.

Dixit, A. en J. Stiglitz (1977), Monopolistic competition and optimal product diversity, American Economic Review, 67, 297-308.

Fujita, M., P.R. Krugman en A.J. Venables (1999), The spatial economy; Cities, Regions, and Interantional Trade, MIT Press.

Fujita, M. en J-F. Thisse (2002), Economics of Agglomeration: Cities, Regions, and International Trade, MIT press, Cambridge Mass.

Helpman, E. en P.R. Krugman (1985), Market Structure and Foreign Trade, MIT-Press.

Krugman, P.R. en A.J. Venables (1995), Globalization and the inequality of nations, The Quarterly Journal of Economics, vol 110, 857-880.

Ottaviano, G.I.P. en J-F Thisse (2004), Agglomeration and economic geography, in J.V.Henderson en d J-F. Thisse (eds.), Handbook of Regional and Urban Economics, Vol. 4, Elsevier North-Holland, Amsterdam, 2563-2608.

Wereldbank (2008), World Development Report 2009, Washington.

Zie tevens:

Krugman’s blog “The Conscience of a Liberal”

Homepage Nobelprijscomité met informatie over de toekenning van de Nobelprijs aan Krugman

Collega-econoom (en toekomstig Nobelprijswinnaar?) Edward Glaeser legt uit waarom Krugman terecht de prijs heeft gekregen.

Portret van Krugman in de New York Times naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik