Back

Artikel

Home

Vermogensongelijkheid op recordhoogte

13 apr 2015
Onderwerpen: Inkomensongelijkheid

Het beeld dat de rijken steeds rijker worden klopt niet. Met dat bericht kwam Me Judice onlangs naar buiten over het feit dat de inkomensongelijkheid aan de top stabiel is. Deze conclusie verdient een belangrijke nuancering volgens de Amsterdamse econoom Wiemer Salverda indien men naar de vermogensongelijkheid in Nederland kijkt. De ongelijkheid in nettovermogens is sterk gestegen de afgelopen jaren waarbij vooral opvalt dat het schuldniveau van de onderste 90% huishoudens is gestegen terwijl de waarde van het eigen huis vermogen sterk daalde, in tegenstelling tot de top 10% die zijn schulden stabiliseerde en naast het eigen huis nu meer vermogen bezit dan ooit.

Rijken rijker?

De Leidse economen Caminada, Goudswaard en Knoef (2015) bespraken onlangs in Me Judice de inkomensaandelen van de tien procent huishoudens met de hoogste bruto inkomens. Hun cijfers tonen tussen 1990 en 1999 een vlak verloop en tussen 2001 en 2012 een heel lichte stijging. Voor een effectief publiek debat is het van groot belang om goed te weten waar het eigenlijk over gaat en wat de beperkingen zijn van dergelijke uitkomsten. De 'rijken' worden hier gedefinieerd aan de hand van hun inkomen. In het publieke debat loopt dat door elkaar met rijken die een groot vermogen bezitten. De Quote-500 richt zich bijvoorbeeld op hen (helaas zonder consistent huishoudbegrip). Voor een serieus debat over de vraag of de rijken wel of niet rijker worden, is inzicht in de vermogensverhoudingen essentieel. Inkomen is onzekerder dan vermogen. Het hangt volledig af van leven en gezondheid van de inkomenontvangende persoon (behalve natuurlijk juist bij inkomen uit vermogen). Daarentegen berust vermogen op eigendom, levert het vermogen vrije beschikkingsmacht en is het niet afhankelijk van ziekte of overlijden.

Vermogensongelijkheid[1]

Het topaandeel in en de ongelijkheid van de vermogensverdeling zijn recent juist zeer sterk gestegen (zie figuur 1).[2] Het aandeel van de vermogenstop 10% in alle vermogens in 2013 bedraagt 66 procent, verreweg het hoogste niveau ooit bereikt met de beschikbare cijfers. Twee derde van alle vermogens is in handen van een tiende van alle huishoudens. Dat is ruim vier procentpunten meer dan in 2012, en 10 procentpunten meer dan in 2009 - het laagste punt, dat werd voorafgegaan door een daling met twee procentpunten vanaf 2006.

Dit topaandeel heeft betrekking op het nettovermogen, en betreft de waarde van de juridische eigendommen (brutovermogen) van het huishouden na aftrek van hun schulden. In overeenstemming met deze definitie presenteer ik in de figuur ook de Gini-coëfficiënt als maat van ongelijkheid berekend inclusief negatieve vermogens.[3] De coëfficiënt heeft de waarde nul als de verdeling helemaal vlak is en alle eenheden evenveel vermogen bezitten, en deze coëfficiënt bedraagt 100 procent als alle vermogen in handen van een enkel huishouden is. De ontwikkeling van beide indicatoren, het topaandeel en de Gini-coëfficiënt, verloopt bijna parallel. De Gini legt de nadruk op het midden van de verdeling, maar het topaandeel is zo enorm groot dat het de coëfficiënt sterk beïnvloedt.

Figuur 1: top 10% aandeel en Gini coëfficiënt netto-vermogensverdeling, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 1: top 10% aandeel en Gini coëfficiënt netto-vermogensverdeling, 1993–2000 en 2006–2013

Opmerkingen: Stand per 1 januari van het jaar.[4] Het jaar 2011 is twee maal vermeld om het effect aan te geven van de overstap op integrale telling in plaats van een steekproef van belastingplichtigen. De cijfers voor 2013 betreffen voorlopige cijfers.
Bron:Afgeleid uit CBS data over percentielen en (vanaf 2011) ook de top 0,1% van de vermogensverdeling (weglaten van dat detail maakt overigens nauwelijks verschil). Deze data en opmerkingen gelden ook voor de volgende figuren.

De Gini bereikt in 2013 het niveau van 0,89. Dat is buitengewoon hoog, niet alleen voor ons land maar ook in een internationale vergelijking. Het stijgt nota bene uit boven de uitkomsten voor de Verenigde Staten (0,87 in 2013; Wolff 2014, 12) en Zwitserland (0,85 in 2010, Statistik Schweiz 2014, 69), [5] en ook ver boven het minder goed vergelijkbare Duitsland (0,78 in 2012, Grabka en Westermeier 2014, 153). De conclusie kan niet anders zijn dan dat de vermogensongelijkheid in Nederland een ongekend niveau heeft bereikt.

Topvermogens na aftrek schulden

Betekent dit gegeven dat de topvermogens ook hoger zijn dan ooit? Het zou ook kunnen dat ze minder (hypotheek)schulden hebben. Zoals bekend zijn die omvangrijk in ons land. Figuur 2 toont de nominale omvang van het nettovermogen (na aftrek van schulden) voor de bovenste 10% tegenover de rest. In 2013 bezit de top 701 miljard euro en de rest 359 miljard euro. Beide segmenten bereiken een hoogtepunt in 2008 (resp. 737 en 563 miljard) en dalen daarna. De daling voor de top is echter veel geringer (7%) dan voor de rest (37%).[6] De rijksten lijden hier dus wel maar veel minder en ze handhaven zich beter dan de rest. Als gevolg daarvan is hun vermogensaandeel scherp gestegen en zo ook de algemene ongelijkheid volgens de Gini- coëfficiënt.

Figuur 2: Nominaal netto vermogen van top 10% en de onderste 90%, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 2: Nominaal netto vermogen van top 10% en de onderste 90%, 1993–2000 en 2006–2013


Bij de vermogens- en schuldverhoudingen in de onderste 90% speelt het eigenwoningbezit de hoofdrol (zie figuur 3). Dit bezit, na aftrek van de schulden, bepaalt grotendeels het verloop van hun totale vermogen. Hun overige (voornamelijk financiële) vermogen is stabiel. Het eigenwoningvermogen stijgt van 91 miljard euro in 1993 naar 356 miljard euro op de top van 2008 en daalt daarna met meer dan de helft, in het bijzonder in het jaar 2012. Tegelijk exploderen hun schulden. Die worden na 2008 niet minder maar lopen juist fors verder op en overtreffen het nettovermogen steeds meer - met ruim 300 miljard in 2013. Twee derde van hun juridisch eigendom is dan belegd met schulden. Raghuram Rajan's (2010) "Let them eat credit" is actueler dan ooit voor de onderste 90%.

Figuur 3: Samenstelling netto vermogen en schuld van de onderste 90%, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 3: Samenstelling netto vermogen en schuld van de onderste 90%, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 4: Samenstelling netto vermogen en schuld van de top 10%, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 4: Samenstelling netto vermogen en schuld van de top 10%, 1993–2000 en 2006–2013


De top 10% ziet er volkomen anders uit (zie figuur 4). Hun eigenwoningbezit is aanzienlijk en overtreft aan het einde van de waarnemingsperiode dat van de gehele resterende 90 procent: 201 miljard euro tegen 157 miljard euro. Binnen het vermogen van de top 10% zelf bezien is het belang van het eigen huis echter veel geringer dan voor de onderste 90%, en het fluctueert ook minder over de jaren. Tussen 2008 en 2013 verliest het weliswaar een kwart aan waarde, maar dat is slechts half zoveel als de onderste 90 procent. De reden daarvan is niet een gunstiger prijsontwikkeling van huizen van de top, maar een veel geringere hypotheekschuld. Bovendien stijgt die schuld na 2008 niet maar neemt ze licht af. Schulden vormen slechts 15 procent van het top 10% brutovermogen - tegenover 80% voor de onderste 90%.

Schuld is echter maar een deel van het verhaal. Opvallend is dat het overige (financiële) vermogen van de top 10% na een aanvankelijk daling in 2009 zich snel herstelt en al in 2010 het eerdere topniveau achter zich laat - in 2013 goed voor 500 miljard euro. Zo bezien worden de rijken wel degelijk rijker. Hun aandeel in het totaal van deze vorm van vermogen stijgt naar 71 procent. Hierbij staat hun aandelenbezit voorop (203 miljard euro): zij bezitten 90 procent van alle aandelen.

Figuur 5: top 10% en top 1%: Aandelen in totaal netto vermogen, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 5: top 10% en top 1%: Aandelen in totaal netto vermogen, 1993–2000 en 2006–2013


Tot slot, in een bespreking van de vermogensongelijkheid mag de top 1% natuurlijk niet ontbreken. Hun vermogen steeg naar 282 milard euro oftewel 26,6 procent van het totaal in 2013, en 40 procent van de top 10% (701 miljard). De ontwikkeling van de top 1% ontwikkeling schraagt die van de complete top 10% (figuur 5). De topvermogens zijn verantwoordelijk voor meer dan 60 procent van de spurt omhoog sinds 2009. Vergeleken met eerdere jaren lijkt de rol van de subtop- 9% recent iets aan belang te winnen, daarom is het beeld van de top 10% van belang naast de top 1%.[7] Voor de top 1% geldt nog sterker wat hierboven al gesteld is. Hun huizenbezit (26 miljard euro) omvat slechts 7 procent van het totale huizenbezit (7%) en hun schulden (42 miljard euro) omvat slechts 5% procent van alle schulden. Deze aandelen zijn gering, maar het tegendeel geldt voor hun andere vermogen (256 miljard euro): 36% van het algemeen totaal en 51 procent van het top 10% totaal (500 miljard euro). Dat geldt daarbinnen in het bijzonder voor hun aandelenbezit: het vormt 67 procent van alle aandelen bezit en driekwart van dat van de top-10% (203 miljard euro).

Als de huizenprijzen zich herstellen zijn de top 10% en de top 1% er klaar voor om hun vermogen verder te laten expanderen, terwijl de onderste 90% eerst een nog immer groeiende schuldenberg moet zien kwijt te raken. Daar hoeven ze echter niet op te wachten omdat de waarde van hun aandelenbezit onder invloed van het beleid van 'Quantative Easing' van de Europese Centrale Bank snel zal stijgen.[8]

Kortom, als we kijken naar wat er echt toe doet voor rijkdom: vermogen, dan ziet het verhaal er volkomen anders uit dan voor inkomens. De rijken hebben meer financieel vermogen dan ooit, en ze staan in de startblokken om te profiteren van de gevolgen van Quantative Easing en stijgende huizenprijzen. De vermogensongelijkheid is nu groter dan ooit en er is weinig reden om te verwachten dat dit snel gaat veranderen, integendeel. Rijken doen het echt veel beter.

Voetnoten:


[1] Zie Salverda e.a. (2013, par. 2.4) voor een bredere behandeling van vermogensongelijkheid in Nederland.

[2] In de vermogensstatistiek gaapt helaas een zwart gat tussen 2001 en 2005, waarin de dotcom-crisis verborgen is. Dit gat verdient het om urgent gevuld te worden. Voor verdere problemen met de Nederlandse vermogenstatistiek op de langere termijn zie Coenen (2015).

[3] De Gini exclusief de negatieve waarden is ter vergelijking in de figuur opgenomen. Ze betreft eveneens netto inkomens maar nu nadat alle negatieve waarden op nul gesteld zijn. Velen laten dergelijke negatieve waarden weg in de berekening van de Gini-coëfficient omdat ze groter dan 1 zou kunnen worden en moeilijker te interpreteren zou zijn; dat is hier echter niet aan de orde. Ook deze Gini-coëfficiënt is op recordhoogte in 2013 (0,803).

[4] Data tussen beide reeksen zijn niet gegarandeerd volledig vergelijkbaar; zo wordt bijvoorbeeld pas vanaf 2001 de eigen woning gewaardeerd met de WOZ-waarde, voordien werd ze afgeleid uit het Sociaal-economisch Panel. In 2011 ging het CBS over van de steekproefpopulatie van het IPO-bestand naar integrale telling van alle Nederlandse belastingplichtigen; beide uitkomsten zijn aangegeven.

[5] Net als ons land hebben de VS and Zwitserland een hoogontwikkeld kapitaalgedekt pensioensysteem, dat niet is inbegrepen in de statistiek. Het Amerikaanse cijfer omvat wel defined contribution pensioenen zoals 401(k), maar volgens auteur Wolff drukt dat de ongelijkheid ietwat. Het Amerikaanse cijfer is inclusief negatieve vermogens, het Zwitserse exclusief. Duitsland heeft een ander pensioenstelsel. Voor de problemen van internationale vermogensvergelijking zie Maestri e.a. (2014).

[6] Lineair gecorrigeerd voor de stap naar integrale telling in 2011.

[7] Er is overigens een gerede kans dat de allerhoogste topvermogens minder goed worden waargenomen. Met behulp van de 80/20-regel (vereenvoudigd Pareto principe) bezitten de rijkste 500 huishoudens in de CBS statistiek circa 40 miljard. Daar staat naar schatting mogelijk het dubbele tegenover in de Quote-500 (nog exclusief bankrekeningen, obligatiebezit e.d.).

[8] "Germany's Dax index broke through and closed above the 12,000 barrier for the first time on Monday as German equities emerged as the main beneficiaries of the European Central Bank's quantitative easing programme" Financial Times, 16/3/2015.

Referenties:

Caminada, K., K. Goudswaard, M. Knoef, (2015), "Belasting aan de top: geen spoor van groeiende ongelijkheid", Me Judice, 14 maart 2015.

Coenen, Ann (2015). De ontwikkeling van de Nederlandse vermogensongelijkheid. Economisch-Statistische Berichten, 100 (4704) 26, 120-123.

Grabka, Markus en Christian Westermeier (2014). Anhaltend hohe Vermögensungleichheit in Deutschland.DIW Wochenbericht, Nr 9, 151-164.

Maestri, Virginia, Francesco Bogliacino en Wiemer Salverda (2014). Wealth Inequality and the Accumulation of Debt. In: Wiemer Salverda, Brian Nolan, Daniele Checchi, Ive Marx, Abigail McKnight, István György Tóth, en Herman van de Werfhorst, editors. Changing Inequalities in Rich Countries: Analytical and Comparative Perspectives. Oxford University Press, hoofdstuk 4.

Rajan, Raghuram (2010). Fault Lines. Princeton University Press.

Salverda, Wiemer, Christina Haas, Marloes de Graaf-Zijl, Bram Lancee, Natascha Notten en Tahnee Ooms (2013).Growing Inequalities and Their Impacts in The Netherlands. Country report for the Netherlands. GINI Project.

Statistik Schweiz (2014). Verteilung des Wohlstands in der Schweiz. Bericht des Bundesrates in Erfüllung des Postulats 10.4046 von Jacqueline Fehr vom 07.12.2010.

Wolff, Edward (2014). Household wealth trends in the united states, 1962-2013: What happened over the Great Recession? NBER Working Paper 20733.

Figuur 1: top 10% aandeel en Gini coëfficiënt netto-vermogensverdeling, 1993–2000 en 2006–2013

Figuur 1: top 10% aandeel en Gini coëfficiënt netto-vermogensverdeling, 1993–2000 en 2006–2013

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik