Back

Artikel

Home

Vergrijzing is een bron van private rijkdom en van publieke armoede

6 mei 2010
Onderwerpen: Openbare financiën
Eijffinger en Van de Klundert hadden hun kritiek op het Centraal Planbureau (CPB) even moeten nalezen voor die de wereld in te sturen, stellen Lans Bovenberg en Bas Jacobs. Zo werd vergeten dat de vergrijzing inderdaad baten kent, maar dat die privaat zijn en dat de kosten publiek zijn. En wat te denken van minder dan de voorgestelde 29 miljard te willen bezuinigen, maar tegelijk begrotingsevenwicht willen bereiken aan het einde van de komende kabinetsperiode? Voor dat laatste zouden juist extra bezuinigingen nodig zijn.

CPB wil gat niet in één keer dichten

Eijffinger en Van de Klundert stellen dat het Centraal Planbureau (CPB) de burger misleidt in de discussie over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Het CPB zou ten onrechte suggereren dat er binnen één kabinetsperiode 29 miljard zou moeten worden bezuinigd. Verder zou het CPB de baten van de vergrijzing bagatelliseren en de opbrengst van investeringen in kennis en technologie negeren. Op al deze punten slaan onze collega's de plank mis.

Eerst de stelling dat het CPB zou vinden dat het gat van 29 miljard in één keer zou moeten worden gedicht. Dat is een misvatting. Het houdbaarheidstekort van het CPB geeft aan hoeveel geld er structureel moet worden vrijgespeeld om de huidige overheidsarrangementen tot in lengte van dagen te continueren. Maar het CPB laat zich er niet over uit wanneer deze aanpassing zou moeten plaatsvinden.

Minder bezuinigen, maar wel begrotingsevenwicht?

Eijffinger en Van de Klundert zijn bovendien inconsequent door eerst te beweren dat niet 29 miljard bezuinigd hoeft te worden en vervolgens wel te pleiten voor begrotingsevenwicht aan het einde van de komende kabinetsperiode. Dat vraagt om grote extra bezuinigingen in de periode tot 2015 van zo'n 20 miljard bovenop de lastenverzwaringen van zo'n 10 miljard euro en de ombuigingen van zo'n 4 miljard euro die het CPB voor de komende kabinetsperiode al heeft ingeboekt.

Het is verstandiger om de extra netto bezuinigingen te beperken tot zo'n 10 miljard. Op die manier wordt de volgende kabinetsperiode de schade van de kredietcrisis ingelopen. De resterende 20 miljard zijn de kosten van de vergrijzing. Deze hoeven niet nu al te worden opgebracht, maar politieke partijen moeten zich wel committeren aan geloofwaardige hervormingen om de overheidsfinanciën op de lange termijn houdbaar te maken.

CPB telt kennisinvesteringen gewoon mee

Eijffinger en Van de Klundert verwijten het CPB ten onrechte de opbrengsten van investeringen in kennis en technologie te negeren. De toekomstige generaties zijn welvarender door de productiviteitsgroei. Die productiviteitsgroei is de opbrengst van investeringen in kennis en technologie en wordt gewoon meegenomen in de CPB-berekeningen.

Een hogere economische groei levert bovendien geen bijdrage aan de oplossing van het verdelingsvraagstuk van de vergrijzing, wederom in tegenstelling tot wat Eijffinger en Van de Klundert ons voorhouden. De lonen en (pensioen)uitkeringen zijn gekoppeld aan de economische groei. Als de groei door hogere overheidsinvesteringen in bijvoorbeeld onderwijs en R&D (onderzoek en ontwikkeling) hoger zou worden, dan verbetert de houdbaarheid van de overheidsfinanciën niet omdat de uitgaven net zo hard stijgen. Het is daarom geen wezenlijk probleem dat het CPB de productiviteitsgroei 'vastzet' op 1,75 procent per jaar.

Baten vergrijzing privaat, kosten publiek

Terecht wijzen Eijffinger en Van de Klundert op de baten van de vergrijzing. Door de toename van de levensverwachting neemt de private welvaart toe; de extra levensjaren zorgen voor een hoger potentieel levensinkomen. Daarnaast stijgt ook de kwaliteit van de extra levensjaren als gevolg van een betere gezondheidszorg en hulpmiddelen. Maar Eijffinger en Van de Klundert zetten de lezer op het verkeerde been door niet te melden dat de baten van de vergrijzing privaat zijn, maar de kosten ervan publiek. Het CPB brengt de kosten voor de gemeenschap in kaart met haar houdbaarheidssommen over de overheidsfinanciën. Door het verdelingsprobleem tussen de private en de publieke sector te agenderen, geeft het CPB aan dat onze huidige arrangementen niet duurzaam zijn.

Stijgende zorgkosten en uitgaven en de AOW leiden via hogere premies en belastingen tot sterk oplopende arbeidskosten. Door schaarse collectieve middelen ontstaat verder een voortdurende bezuinigingsdruk op onderwijs en zorg, terwijl dat nu juist sectoren zijn die een belangrijke bijdrage leveren aan de maatschappelijke welvaart door een langer, productiever en gezonder leven mogelijk te maken.

Zolang de stijgende levensverwachting niet wordt omgezet in een hogere effectieve pensioenleeftijd en vrijwel alle kosten van gezondheidszorg publiek worden gefinancierd, zorgt vergrijzing weliswaar voor private rijkdom, maar ook publieke armoede. Daarom dient de feitelijke pensioenleeftijd gelijke tred te houden met de levensverwachting waardoor de belastingbasis wordt verbreed. De private en de publieke sector delen dan in de baten van vergrijzing en kan worden voorkomen dat een voortdurende bezuinigingsdwang de kip met de gouden eieren dreigt te slachten.

Daarnaast zullen generaties die langer leven niet alleen een deel van de extra levensjaren moeten blijven werken, maar ook meer zelf moeten bijdragen aan de zorg en de AOW door hun aanvullende pensioenen aan te spreken. De AWBZ kan bovendien worden teruggebracht tot verzorging en verpleging. Minder welvarende ouderen kunnen worden ontzien met inkomensafhankelijke ondersteuning.

Dit artikel is eerder verschenen in de Volkskrant van 6 mei 2010.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik