Back

Artikel

Home

Stop ontspoord ondernemersgedrag met een economisch en niet een moreel appel

9 nov 2009
Onderwerpen: Regulering, Bedrijfsethiek
Normoverschrijdend ondernemersgedrag vormt een belangrijke oorzaak van de huidige crisis. Dit gedrag dient in hoge mate via zelfregulering op basis van berekenend vertrouwen te worden voorkomen, aldus de Amsterdamse econoom Den Butter. Een moreel appel zal niet gaan werken.

Ondernemers onder vuur

Na de bankiers zijn nu ook ondernemers en managers die zich zelf hoge salarissen en bonussen toedelen, onder vuur komen te liggen. Het Tweede Kamerlid Ten Hoopen van het CDA bepleitte dat ondernemers, bestuurders en managers een cursus “normen en waarden” dienen te volgen (NRC Handelsblad, 29 oktober 2009). Zij moeten worden bijgeschoold op het gebied van integriteit en ethiek. Dit naar aanleiding van een onderzoek van KPMG, waaruit blijkt dat er nogal wat schort aan het normbesef van jonge managers. Minister Van der Hoeven, ook CDA, is het in grote lijnen met deze opvatting eens. Volgens de Minister was gebrek aan ethisch en moreel verantwoord handelen een van de bepalende factoren in de kredietcrisis. ‘We moeten ethiek en ondernemerschap beter verbinden en af van de korte termijn focus die nu nog te vaak regeert’ aldus de Minister. In een broederlijke gezamenlijkheid reageerden de voorzitters van de drie werkgeversorganisaties furieus. Zij hadden er geen enkel begrip voor dat de Minister die toch voor de belangen van het bedrijfsleven staat, zo in wilde weg beschuldigend op ondernemend Nederland aan het schieten was.

Ministeriële aandacht terecht

Toch is de aandacht die de Minister vraagt voor het besef voor waarden en normen bij de op aandeelhouderswaarde en vaak ook op het eigen inkomen gerichte beleid van verschillende Nederlandse bedrijven, wel terecht. Voor zover winsten en daarvan afhankelijk gestelde bonussen worden verkregen uit waardetoevoeging door goed ondernemerschap, waarbij die waardetoevoeging voor een belangrijk deel de maatschappij ten goede komt, is er niets mis met die winsten en bonussen. Anders wordt het wanneer, zoals zeker in de financiële wereld de afgelopen periode het geval was, de winsten, en dus ook de bonussen, ten koste gaan van de maatschappelijke welvaart (Den Butter, 2009). Dan is sprake van zogenaamde negatieve externe effecten. Het is de taak van de overheid om die negatieve effecten te voorkomen dan wel te neutraliseren (te “internaliseren”). In de financiële wereld dient het toezicht hiervoor zorg te dragen, maar bij de rest van het bedrijfsleven draagt de regering, en in dit geval in eerste instantie de Minister van Economische Zaken, de verantwoordelijkheid.

Hoe krijg je greep op moreel handelen?

Die verantwoordelijk kan worden ingevuld door strengere regelgeving,die het meest efficiënt is wanneer deze direct aangrijpt bij de externe effecten. In het verleden bestond meestal duidelijkheid over de aard van de externe effecten. Dit heeft regelgeving opgeleverd op het gebied van het milieu, veiligheid en arbeidsomstandigheden. Daarentegen is het bij hebzuchtig gedrag en een focus op korte termijn winstgevendheid moeilijker om sluitende regels te vinden die dit gedrag verhinderen. De speurtocht naar passende wet- en regelgeving op het gebied van de “governance” van bedrijven is in dit opzicht van belang, maar lost niet het hele probleem op van de scheiding tussen maatschappelijke waardecreatie en winstbelustheid ten koste van anderen. Vandaar dat zelfregulering, met een beroep op waarden en normen, en op ethisch gedrag, voor de overheid de gemakkelijkste manier is om het probleem op te lossen.

De cruciale vraag is of dat effectief is en helpt. Gezien de enorme bedragen aan bonussen die bij voorbeeld in het Verenigd Koninkrijk in de financiële wereld weer worden uitgedeeld – in 2009 bijna 7 miljard Euro – is in die sector een beroep op ethisch gedrag en een verzoek tot matiging kennelijk tegen dovemansoren gericht. Daar is krachtdadig ingrijpen van de toezichthouders noodzakelijk, zodat geen excessieve winsten ten koste van anderen worden behaald.

De last van ontspoord ondernemersgedrag

Hopelijk liggen de zaken bij het overige bedrijfsleven anders en wordt daar de urgentie van ethisch handelen sterker gevoeld. Immers, het maatschappelijk verantwoord ondernemen heeft in de afgelopen periode in ondernemend Nederland flink aan populariteit gewonnen. Ontegenzeggelijk heeft dit te maken met de aandacht die er in het publieke debat in ons land is geweest voor waarden en normen. Zo heeft de WRR (2003) er op gewezen dat de waarden en normen vooral in verband moeten worden gezien met normoverschrijdend gedrag waar de maatschappij last van heeft. Vandaar de titel van het WRR-rapport: Waarden, normen en de last van het gedrag. In dit specifieke geval die de irritatie bij Minister en Kamerlid heeft opgeroepen, gaat het dus om de last van het ondernemersgedrag. De WRR geeft een aantal aanbevelingen om normoverschrijdend gedrag tegen te gaan. Deze hebben vooral betrekking op aandacht voor waarden en normen, en ook de pluriformiteit daarvan, in het onderwijs, en op een institutionele inbedding van het debat over normoverschrijdend gedrag. Binnen bedrijven kan een dergelijke zelfreflectie leiden tot een betere internalisering van de externe effecten die normoverschrijdend gedrag oplevert. In dit verband wijst Kimman (2009) er op dat praktische economische ethiek zich richt op instellingen die bemiddelen tussen staat en burgers. Vanuit dat perspectief vervult dus het maatschappelijke middenveld een belangrijke functie.

Moreel appel niet voldoende

Zelfregulering om normoverschrijdend gedrag en graaizucht van ondernemers te voorkomen past dus in de Nederlandse poldertraditie. Het is echter twijfelachtig of zo’n ethisch appèl momenteel voldoende is, zeker nu het polderoverleg met de AOW in een dip is geraakt. Het alternatief is een strenge regelgeving met harde gebods- en verbodsbepalingen. Implementatie van dergelijke maatregelen, die eerst nog eens geconcretiseerd en via lange procedures rechtsgeldig moeten worden gemaakt, is zeer kostbaar. Bovendien verziekt het de sfeer. Beter is het dat overheid en bedrijfsleven een vertrouwensrelatie opbouwen, ofwel de bestaande vertrouwensrelatie herstellen, om tot afspraken te komen over het uitbannen van normoverschrijdend ondernemersgedrag. Immers, wanneer afspraken gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen, verlaagt dat de transactiekosten. In dit geval zijn dat de uitvoeringskosten van overheidsbeleid. Dat vormt de essentie van het poldermodel.

Vertrouwen op basis van wederzijds profijt als motor

Nu zit hier zit wel een addertje onder het gras. De theorie maakt een onderscheid tussen berekend vertrouwen en moreel vertrouwen. Moreel vertrouwen berust op gedeelde waarden en normen, en uit zich in wederkerigheid en altruïstisch gedrag. Het zou natuurlijk mooi zijn wanneer de overheid het bedrijfsleven tot ethisch handelen kan aanzetten door een beroep te doen op moreel vertrouwen. Dat is echter te mooi om waar te zijn. Het risico is dat er dan niets van het indammen van de graaizucht terecht komt. Een cursus waarden en normen voor ondernemers en jonge managers helpt echt niet.

Beter is het de zelfregulering te baseren op berekend vertrouwen. Hierbij vertrouwt men de partner waarmee een afspraak wordt gemaakt, omdat men weet dat schending van het vertrouwen deze partner meer schade berokkent dan dat men zelf aan schade ondervindt (zie Williamson, 1985). Dit besef is de drijvende kracht achter een maatschappelijk gunstig evenwicht van wederzijds vertrouwen. In feite is dit ook de economische rationaliteit achter het maatschappelijk verantwoord ondernemen. De publieke aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zorgt ervoor dat kosten voor bedrijven om bij normoverschrijdend gedrag te schande te worden gezet, hoger zijn dan de kosten om normoverschrijdend gedrag te vermijden. Zo kan de overheid bijdragen aan effectieve zelfregulering door te dreigen om ontspoord ondernemersgedrag publiekelijk aan de kaak te stellen. Dan laten de ondernemers het wel uit hun hoofd om winsten ten koste van de maatschappij te behalen. Het is gewenst dat deze les ter harte wordt genomen in het polderoverleg over zelfregulering van het bedrijfsleven. Laat ondernemers en jonge managers leren dat normoverschrijdend gedrag op den duur kostbaar is en dat het rationeel is om dat gedrag te vermijden.

Referenties:

Butter, F.A.G. den, 2009, Stop de zeepbellen; de bonussen zijn niet het probleem, De Groene Amsterdammer, 133 (37), blz. 16-17.

Kimman, E. 2009, De economische crisis en de ethiek, Vuurwerk, 5, nr. 9, blz. 10-14.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), 2003, Waarden, normen en de last van het gedrag, Rapporten aan de Regering nr. 68, Amsterdam: Amsterdam University Press.

Williamson, O.E., 1985, The Economic Institutions of Capitalism, New York: Free Press.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik