Back

Artikel

Home

Richt innovatiebeleid op type economische activiteit, niet op de traditionele bedrijfstak

4 dec 2010
Onderwerpen: Innovatie
Binnen het innovatiebeleid staat de traditionele bedrijfstak nog altijd centraal – omdat in de statistieken de economische activiteiten zo zijn geordend. De Amsterdamse econoom Frank den Butter laat zien dat de transitie van productiebanen naar transactiebanen binnen veel bedrijfstakken zo sterk is, dat het zinniger is om economische activiteiten naar functie op te delen. Iemand werkt dan niet in ‘de bouw’, bijvoorbeeld, maar binnen de functie ‘technisch personeel’ of ‘administratief-ondersteunend’. Het is tijd voor een herordening van de Nationale Rekeningen langs functionele lijnen.

Bedrijfstak centraal

Bij de registratie in de Nationale Rekeningen van waar Nederland zijn geld mee verdient ligt de nadruk bij de bedrijfstakken. Het economisch onderzoek richt zich op deze benadering. Allerhande economische bureaus maken analyses waarbij de sterke en zwakke punten van de bedrijfstakken worden besproken. Ook het innovatie- en industriebeleid is op de bedrijfstakken gericht. Daarbij gaat de aandacht vooral uit naar hoogtechnologische vernieuwingen die als de belangrijkste stuwende kracht voor de Nederlandse economie worden gezien. Nederland kennisland wordt met dit type innovaties geassocieerd.

Dit laatste blijkt uit de keuze die het innovatieplatform heeft gemaakt voor de sectoren die ons land terug moeten te brengen in de top 5 van de duurzame kenniseconomieën (Innovatieplatform, 2010). Deze sleutelgebieden zijn: high tech systemen en materialen, flowers & food, water, chemie, en de creatieve industrie. Het huidige kabinet sluit zich hierbij aan. Het coalitieakkoord meldt dat de regering tot taak heeft “een concurrerend, algemeen ondernemingsklimaat te bevorderen en zal - in aanvulling daarop - een stimulerend beleid ontwikkelen voor de huidige en toekomstige economische topgebieden van Nederland, zoals water, voedsel, tuinbouw, high tech, life sciences, chemie, energie, logistiek en creatieve industrie”.

Bedrijfstak Aandeel van de totale productie (%) Aandeel van de totale toegevoegde waarde (%)

1998 2009 1998 2009
Landbouw 3,1 2,4 3 1,7
Delfstoffenwinning 1,5 2,4 2,2 3
Industrie 26,9 22,6 16,1 12,6
Energie 2,8 3,5 1,5 2,3
Bouwnijverheid 7,3 7,6 5,3 6
Handel, horeca, reparatie enz. 13 11,8 15,4 14
Vervoer, communicatie 7,1 6,6 7,4 6,3
Financiële en zakelijke dienstverlening 21,8 24,1 26,6 28,1
Overheid 8 9,3 11,3 12,1
Zorg en overige dienstverlening 8,5 10,2 11 13,8

Bron: CBS Statline (Nationale Rekeningen)

Deze aandacht voor bedrijfstakken is begrijpelijk. De gegevens zijn immers per bedrijfstak beschikbaar voor een flinke tijdsperiode en internationaal vergelijkbaar. Het is makkelijker onderzoeksvragen te beantwoorden en beleid te maken onder het licht van de lantaarn dan in het duister. Nederland is echter volgens de bedrijfstakgegevens uit de Nationale Rekeningen steeds minder een industriële natie. Volgens tabel 1 is het aandeel van de industrie in de productie tussen 1998 en 2009 flink gedaald. Dit geldt ook, en relatief nog sterker, voor het aandeel in de toegevoegde waarde. Bovendien is het aandeel in de toegevoegde waarde van de industrie veel kleiner dan het aandeel in de productie. Dit toont dat de industrie veel gebruik maakt van intermediaire leveringen, wat op een belangrijke rol voor de handelsfunctie in de industrie kan duiden. Opmerkelijk in dat verband is dat de aandelen van de handel, horeca en reparatie, en van vervoer en communicatie, niet toenemen. Wel blijkt uit een meer uitgebreide splitsing in bedrijfstakken dat de aandelen in de toegevoegde waarde van de groothandel, vervoer, opslag en communicatie, en dienstverlening t.b.v. het vervoer in de afgelopen periode zijn toegenomen. Dit geldt ook voor de financiële en zakelijke dienstverlening. Deze “bedrijfstak” levert momenteel de grootste bijdrage aan de productie in ons land. Dat blijkt nog sterker bij de gegevens over de toegevoegde waarde.

Transactiebanen sterk gegroeid

Maar hoe staat het met de beroepen van de mensen die voor de verdiensten zorgen? Daartoe is in tabel 2, zo goed en zo kwaad als dat vanuit de opstelling van de bedrijfstakken gaat, een onderscheid gemaakt tussen werknemers die hun geld direct in de productie verdienen en werknemers in zogeheten transactiebanen. Dat betreft banen in de sfeer van de handel, transport, dienstverlening, administratie en marketing waarbij het vooral over de coördinatie en organisatie van de productie gaat. Anders gezegd gaat het om banen die betrekking hebben op de kosten van transacties en handel. De tabel laat zien dat in de afgelopen twee decennia de verhouding tussen het aantal transactiebanen en productiebanen sterk is toegenomen. Momenteel zijn er in de commerciële bedrijfstakken – overheid, zorg en overige niet-commerciële dienstverlening zijn buiten deze opstelling gelaten – meer transactiebanen dan productiebanen. Dit hangt samen met de positie die Nederland als open economie en op de handel georiënteerd land in de wereld inneemt. Dankzij het geleidelijk wegnemen van handelsbelemmeringen, logistieke innovaties, standaardisering en toepassingen van ICT wordt de productieketen in dit tijdperk van globalisering steeds verder opgesplitst. Delen van de keten worden daar geproduceerd waar dat het goedkoopst is en waar de lagere productiekosten opwegen tegen de toename van de handels- en coördinatiekosten. Deze wereldwijde fragmentatie van productie heeft tot gevolg dat handel veelal niet langer een handel in producten, maar een handel in taken is (Grossman en Rossi Hansberg, 2008).

Jaar Transactiebanen in de commerciële bedrijfstakken (x1000) Productiebanen in de commerciële bedrijfstakken (x1000) Verhouding tussen transactiebanen en productiebanen
1987 1582 1950 0,81
1990 1807 2105 0,86
1995 2026 2181 0,94
2000 2558 2404 1,06
2005 2544 2276 1,12
2008 2790 2391 1,17

Bron: berekend uit gegevens CBS.

Het vooruitzicht is dat Nederlanders in de toekomst hun geld vooral in transactiebanen zullen verdienen. Direct zij daarbij aangetekend dat het niet betekent dat de kenniseconomie en de nadruk op innovatie daarbij minder belangrijk wordt. Integendeel, de nadruk op regievoering en de organisatie van de productie vereist grote technische kennis, zowel over de producten zelf als over de afhandeling van transacties. De centrale rol die Nederland in de productie en handel van snijbloemen speelt, is daarbij een mooi voorbeeld (Bunte et al., 2010).

Kaderpersoneel in de bouw

De opdeling van de nationale productie en toegevoegde waarde vanuit de bedrijfstakken wordt de institutionele benadering genoemd. Om een goed beeld te krijgen van de economische toekomst van ons land en van de bekwaamheden die voor de verwezenlijking van een goede toekomst vereist zijn, is een andere opstelling van de gegevens uit de Nationale Rekeningen nodig. Het gaat dan om een functionele indeling waarbij productie en toegevoegde waarde vanuit de verschillende activiteiten worden bezien (Compaijen en Den Butter, 1994). Zo’n opstelling geeft veel meer duidelijkheid dan de huidige indeling naar bedrijfstakken over de mate waarin de regie- en handelsfunctie in ons land aan gewicht wint. In de huidige indeling naar bedrijfstakken worden immers transactiebanen niet afzonderlijk geregistreerd. Het laat zich aanzien dat ook binnen de industriële bedrijven vanwege de toegenomen fragmentatie van productie en uitbesteding van taken, het aantal transactiebanen ten opzichte van het aantal productiebanen is toegenomen. Zo weerspiegelt de tendens van een steeds verdergaande uitbesteding en specialisatie zich in het personeel van de bouwbedrijven. Kok (2004) heeft aan de hand van arbeidsmarktgegevens van het EIB berekend dat het personeelsbestand van het uitvoerend, technisch en administratief personeel (UTA) in de bouw in de periode 1990-2001 met ruim 20% is toegenomen. In diezelfde periode bedroeg de groei van het direct bij de productie op de bouwplaats betrokken personeel nog geen 10%. Deze groei van het UTA personeel is in belangrijke mate toe te schrijven aan één categorie, namelijk het kaderpersoneel, waarvan de groei in de genoemde periode 80% bedroeg. Dit is een rechtstreeks gevolg van de uitbreiding van het aantal taken op het gebied van werkverwerving, calculatie, projectvoorbereiding, organisatie, coördinatie en administratie/registratie. Dus van een uitbreiding van de transactiebanen.

Herziening Nationale Rekeningen

Het feit dat ook binnen bedrijfstakken en bedrijven verschuivingen van productiebanen naar transactiebanen lijken plaats te vinden, duidt er op dat een focus van het beleid op sterktes en zwaktes van bedrijfstakken misleidend kan zijn. Een functionele benadering van de Nationale Rekeningen biedt daarentegen goed zicht op dit soort verschuivingen. Op basis van zulke gegevens kan het innovatiebeleid zich richten op de competenties die Nederland voor de toekomst nodig heeft en hoeft er geen keuze tussen bedrijfstakken te worden gemaakt: richt het beleid op sleutelcompetenties in plaats van (of in aanvulling op) sleutelgebieden. Overigens gaat de keuze voor de “creatieve industrie” als sleutel- of topgebied al in de richting van een functionele indeling. De creatieve industrie is immers helemaal geen in de Nationale Rekeningen onderscheiden bedrijfstak. Het betreft bekwaamheden die in alle bedrijven en bedrijfstakken aan te treffen zijn. Een functionele indeling kan aangeven welke bekwaamheden er nog meer voor de handels- en regiefunctie nodig zijn en in hoeverre deze gekoppeld zijn aan competenties in de productiesfeer. Wanneer functionele gegevens van de Nationale Rekeningen beschikbaar zijn, wordt een koers in de richting van het dwaallicht van de bedrijfstakanalyses vermeden.

Referenties

Bunte, F.H.J., F.A.G. den Butter en Y. Dijkxhoorn, 2010, De Nederlandse regiefunctie in de bloemenhandel, Economisch Statistische Berichten, 95, blz. 710-713.

Compaijen, B. en F.A.G. den Butter, 1994, De Nederlandse Economie 1; De Nationale Rekeningen (Zesde druk) (Wolters-Noordhoff, Groningen.

Grossman, G. en E. Rossi-Hansberg, 2008, Trading tasks: a simple theory of offshoring, American Economic Review, 98,(5), blz. 1978-1999.

Innovatieplatform, 2010, Nederland 2020: Terug in de top 5; de Economische Agenda: Innovatief, Internationaal, Involverend. http://www.innovatieplatform.nl/pers/persberichten2010/Nederland2020.pdf

Kok, K., 2004, Het UTA-personeel in de Bouwnijverheid, Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid, juli 2004.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik