Back

Artikel

Home

Remmende werking deeltijd-WW op economisch herstel onbewezen

9 sep 2009
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
De deeltijd-ww vertraagt economisch herstel, schrijft het Centraal Planbureau in het vorige week gepresenteerde boek “De grote recessie”. Versoepeling van het ontslagrecht zou beter helpen de oplopende werkloosheid te bestrijden. Niets is minder waar, stelt arbeidseconoom Ronald Dekker. Een ontslagen werknemer wordt in een nieuwe baan niet automatisch productiever. En een soepeler ontslagrecht zal de werkloosheid niet verlagen, zoals het Planbureau al eerder zelf concludeerde.

Doel van de deeltijd-WW

Het Centraal Planbureau kraakt in het vorige week gepresenteerde boek “De grote recessie” de regeling voor deeltijd-WW. Deze zou fraudegevoelig zijn en bovendien geen bijdrage leveren aan het terugdringen van werkloosheid op de langere termijn.

De regeling voor deeltijd-WW heeft als doel het behoud van werkgelegenheid die slechts door de financiële crisis en vraaguitval wordt bedreigd. Behoud van werkgelegenheid dient een doel, namelijk het behoud van menselijk kapitaal, goed voor bedrijven en werknemers, en het reduceren van de kwalijke gevolgen van werkloosheid (goed voor werknemers). Beoordeeld op deze doelstellingen lijkt de regeling redelijk succesvol. Wel heeft het CPB een punt wanneer het stelt dat de regeling zeer gevoelig is voor fraude.

Aannames achter CPB standpunt

Het voorkomen van de misère voortkomend uit werkloosheid wordt door het CPB als doel wel onderschreven, maar ze maken zich grote zorgen over de gevolgen van de regeling voor de arbeidsmarkt op langere termijn. De kritiek richt zich vooral op de remmende werking die de regeling zou hebben op de arbeidsmobiliteit. Werknemers die onder de regeling vallen, hoeven niet te solliciteren terwijl er nog steeds veel vacatures zijn. Dat remt volgens het CPB de productiviteitsontwikkeling en daarmee de kans op een spoedig herstel. Daarbij maakt het CPB twee aannames. Ten eerste dat werknemers die onder de deeltijd-WW vallen minder mobiel zijn. En ten tweede dat meer mobiliteit zich één op één vertaalt in meer productiviteitsgroei.

Nu is het evident dat werknemers die onder de regeling vallen minder mobiel zijn dan werknemers die ontslagen worden. Maar, zoals het CPB zelf stelt: de arbeidsmarkt is een permanente stoelendans en het is bepaald niet uitgesloten dat deze werknemers ‘gewoon’ meedoen aan die stoelendans, net zoals werknemers die niet onder de deeltijd-WW vallen.

Gedwongen mobiliteit door ontslag leidt lang niet altijd tot een betere ‘match’ in een nieuwe baan. Mensen die werkloos zijn, worden gedwongen om snel een nieuwe baan te accepteren en dit ‘haastwerk’ leidt ook tot productiviteitsverliezen. Die komen onder meer tot uitdrukking in de lagere lonen voor mensen met een werkloosheidsverleden.

Versoepeling ontslagrecht als alternatief

Als alternatieve maatregel om de stijgende werkloosheid te bestrijden stelt het CPB voor om het ontslagrecht te versoepelen. Dat is opmerkelijk want in haar eigen rapport uit 2006 (Deelen et al., 2006) staat te lezen dat een versoepeling van het ontslagrecht niet leidt tot een lagere werkloosheid. In dat rapport staat dat versoepeling van het ontslagrecht alleen leidt tot een hogere arbeidsmobiliteit. Dat betekent dat er uiteindelijk meer mensen werkloos worden, maar korter. Er is dan dus meer gedwongen arbeidsmobiliteit waarvan het de vraag is of die leidt tot productiviteitsgroei.

Het CPB claimt verder dat door een soepeler ontslagrecht de arbeidsmarkt sneller zal aantrekken wanneer de crisis weer op zijn eind loopt. De vraag is of dat kan kloppen wanneer ze zelf concluderen dat de maatregel de werkloosheid niet structureel op een lager niveau brengt. Dat kan ook bijna niet, want de werkloosheid in Nederland was en is nog altijd de laagste van Europa. Dat komt onder meer, omdat de arbeidsmarkt in Nederland flexibel is door de vele flexibele banen. De flexibele schil van de Nederlandse arbeidsmarkt is minimaal zo goed in staat om economische groei snel te vertalen in groei van werkgelegenheid, wanneer de recessie op zijn eind loopt.

Flexibel contract vaak geen eindstation

Een ander argument voor versoepeling van het ontslagrecht wordt ook weer van stal gehaald, onder meer door de Tilburgse hoogleraar Ton Wilthagen, is dat de flexibiliteit in Nederland oneerlijk verdeeld zou zijn. Dit argument is eerder naar voren gebracht, bijvoorbeeld door GroenLinks en het Alternatief Voor Vakbond. Het argument is op het eerste gezicht redelijk en retorisch sterk. Immers, 80 procent van de werkende beroepsbevolking heeft een vaste baan met een daarbij behorend niveau van ontslagbescherming, 20 procent (8 procent flexibel, 12 procent zelfstandig) heeft dat niet, of in veel mindere mate. Verder denken veel mensen dat het aantal flexibele werknemers enorm is toegenomen in de laatste jaren. Dat klopt in absolute aantallen, maar dat geldt ook voor het aantal werknemers met een vast contract. Als percentage van alle werknemers is flexibiliteit de laatste 12 jaar dus niet toegenomen.

Maar de tegenstelling tussen insiders (werknemers met een vast contract) en outsiders (flexibel of zelfstandig) is een valse. De arbeidsmarkt is, zoals eerder gesteld, een stoelendans en dat houdt bijvoorbeeld in dat ongeveer een kwart van de flexibele werknemers elk jaar ‘doorstroomt’ naar een vast contract (Dekker, 2007). Onder gunstige economische omstandigheden is dat percentage nog hoger, in tijden van recessie ligt het wat lager.

Met andere woorden, de flexibiliteit is veel gelijkmatiger verdeeld dan je op basis van ‘rechte tellingen’ zou denken. De meeste vaste werknemers hebben in het begin van hun loopbaan een tijdelijke of anderszins flexibele baan gehad. Het merendeel van de flexibele werknemers heeft een reëel perspectief op een vaste baan binnen enkele jaren ook in deze economisch barre tijden. ZZP’ers en andere zelfstandigen hebben geen belangstelling voor een vaste baan en kiezen zelf voor flexibiliteit en de daarmee samenhangende onzekerheid.

Niet meer werkzekerheid door minder baanzekerheid

Het verslechteren van de baanzekerheid van vaste werknemers door versoepeling van het ontslagrecht levert nauwelijks een bijdrage aan meer werkzekerheid (een grotere kans op een vaste baan) voor flexibele werknemers omdat de werkgelegenheid als totaal niet groeit. Aangezien de groep vaste werknemers al jarenlang acht keer zo groot is als de flexibele groep, ligt het niet voor de hand dat de geaggregeerde welvaartswinst van deze maatregel positief zal zijn. Werknemers hebben immers in het algemeen maar gedurende een klein gedeelte van hun loopbaan een flexibele baan.

Eerlijk verdelen van flexibiliteit is een lovenswaardig streven, maar wanneer het betekent dat de arbeidsvoorwaarden voor iedereen even slecht worden schiet het z’n doel voorbij. Zelfs de Labour regering van Gordon Brown in het liberale Groot-Brittannië beseft dat een ‘race to the bottom’ in termen van arbeidsvoorwaarden niet de juiste strategie is om uit de crisis te komen en concurrerend en innovatief te zijn in de toekomst.

Referenties:

Deelen, Anja, Egbert Jongen en Sabine Visser, 2006, Employment Protection Legislation Lessons from theoretical and empirical studies for the Dutch case, CPB Document No. 135, Centraal Planbureau, Den Haag.

Dekker, Ronald, 2007, Non-standard employment and mobility in the Dutch, German and British labour market, Academisch proefschrift, Universiteit van Tilburg

Ewijk, Casper van en Coen Teulings, 2009, De grote recessie: het Centraal Planbureau over de kredietcrisis, uitgeverij Balans.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik