Back

Artikel

Home

Regeerakkoord: inkomensafhankelijke zorgpremie frustreert zorg- en arbeidsmarkt

31 okt 2012
Onderwerpen: Gezondheidszorg
Medische chirurgen aan een operatietafel Het sterk inkomensafhankelijk maken van de nominale zorgpremie, een maatregel die is opgenomen in het maandag gepresenteerde Regeerakkoord, heeft grote nadelige effecten voor de zorg- en arbeidsmarkt. Dit stellen Raymond Gradus en Gerard Adelaar. Voor zorgverzekeraars verdwijnt de stimulans om de beste zorg voor de gunstigste prijs in te kopen. Op de arbeidsmarkt geldt dat door de premiedruk op het inkomen werken minder loont. De structurele werkgelegenheid daalt hierdoor volgens berekeningen van het Centraal Planbureau met 1 tot 2 procent.

Zorgpremie wordt grotendeels inkomensafhankelijk

Maar liefst 85 procent van de huidige nominale zorgpremie wordt omgezet in een inkomensafhankelijke premie. De zorgtoeslag verdwijnt. Het tarief in de derde schijf van de inkomensbelasting gaat van 42 naar 38 procent. Met de inkomensafhankelijke premie lijken de partijen het huidige zorgstelsel in feite ten grave te dragen.

Verzekerden dragen nu nog een nominale premie van gemiddeld zo’n 1280 euro per persoon rechtstreeks af aan de zorgverzekeraar. Werkgevers betalen in 2012 voor hun werknemers een inkomensafhankelijke bijdrage van 7,1 procent over het brutoloon tot 50.065 euro[1]. Vanaf 1 januari 2013 wordt met de Wet uniformering Loonbegrip (WUL) deze inkomensafhankelijke bijdrage volledig bij de werkgever geheven. Als gevolg hiervan zullen de belastingtarieven in de eerste en tweede schijf omhooggaan.

Bij uitvoering van deze nivelleringsplannen zullen burgers nog maar gemiddeld 255 euro[2] nominaal afdragen aan een zorgverzekeraar en de rest via een (gefiscaliseerde) inkomensafhankelijke premie van 11,1 procent (zie CPB, 2012)[3].

Nadelige effecten zorg- en arbeidsmarkt

Dit heeft grote nadelen. De huidige nominale zorgverzekeringspremie is de hoeksteen van het zorgstelsel. Binnen de nieuwe lage nominale premie van maar een paar honderd euro kunnen verzekeraars nog nauwelijks op premie concurreren. Verzekerden zullen minder stemmen met de voeten. Dus verdwijnt voor zorgverzekeraars de stimulans om de beste zorg voor de gunstigste prijs in te kopen. En zo verdwijnt in de hele zorgketen de prikkel om op doelmatige wijze kwaliteit te leveren. Het CPB wijst er daarnaast op, dat verzekeraars bepaald niet worden aangemoedigd om te investeren na deze bijna-nationalisatie. Als de nieuwe premie als belasting wordt vormgegeven, worden de private verzekeraars bijna volledig afhankelijk van belastinggelden. Wie garandeert hen dat volledige nationalisatie niet op de loer ligt?

Misschien nog wel schokkender zijn de effecten van de inkomensafhankelijke zorgpremie op de arbeidsmarkt. Omdat de nieuwe lasten op arbeid drukken, loont het minder om te werken. De (structurele) werkgelegenheid daalt hierdoor met 1 tot 2 procent (zie CPB, 2012b, blz. 17). Met compensatie van allerlei belastingmaatregelen en een verkorting van de WW-duur bewerkstelligt het regeerakkoord nog steeds een banenverlies van 0,3 procent (zie CPB, 2012b, blz. 14). De VVD, die met 375.000 banen de verkiezingen inging als banenkampioen, moet een hoge prijs betalen (zie CPB, 2012a).

Ook juridisch zijn er vragen: het overwegend aangewezen zijn van private verzekeraars op belastingmiddelen zou op Europeesrechtelijke complicaties kunnen stuiten.

Alternatief

De nieuwe inkomensafhankelijke premie kan ook zodanig worden vormgegeven dat de verzekerde een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is aan de Belastingdienst. Over deze bijdrage is wel belasting verschuldigd, waarvoor burgers gecompenseerd moeten worden. Dit is in essentie het systeem van voor de WUL - maar dan zonder een compensatie van de werkgever.

Daarmee zou de vermindering van de administratieve lasten voor werkgevers die met de wet WUL wordt bewerkstelligd in één pennenstreek van tafel zijn. De memorie van toelichting op de wet vermeldde een potentiële besparing van zo’n 380 miljoen euro[4]. Bovendien is de Belastingdienst weliswaar verlost van uitvoering van de zorgtoeslag, maar staat daar de uitvoering van een nog gecompliceerdere inkomensafhankelijke premie tegenover. Zeker omdat een dergelijke operatie tot herverdelingseffecten leidt tussen alleenverdieners en meerverdieners in een gezin en tussen gezinnen en alleenstaanden. Die effecten zullen weer gerepareerd moeten worden. Niet voor niets kenden we in het oude ziekenfonds een premiegrens onder toelatingsgrens om te voorkomen dat tweeverdieners ‘oversolidair’ zouden zijn.

Introductie van de nieuwe basisverzekering in 2006 markeerde het einde van een lange discussie. In de loop van de jaren tachtig werd helder dat het aanbodgerichte curatieve zorgstelsel niet voldeed. Veel overheidsbemoeienis en een complexe financierings- en uitvoeringsstructuur stonden effectief zorgaanbod in de weg. Om op de markt voor zorgverzekeringen prijsconcurrentie mogelijk te maken werd voor iedereen een reële nominale premie geïntroduceerd. Dat principe is nu van tafel. Weg basisidee van het zorgstelsel. Een jong stelsel dat nog niet de kans gehad heeft om zich echt te bewijzen. Een stelsel waarvan de toonaangevende veldpartijen wensen dat het blijft voortbestaan (zie Actiz et al., 2012).

Tot slot

Het nieuwe kabinet gaat met zevenmijlslaarzen terug in de tijd. Plots zijn we nog maar één stap verwijderd van het inefficiënte en logge ziekenfondsmodel. Daarvoor betalen we een hard gelag. Efficiëntie en kwaliteit zullen eronder lijden. Als het plan Europeesrechtelijk haalbaar blijkt, heeft het er alle schijn van dat de PvdA de ideologische slag om het zorgstelsel heeft gewonnen. De door de PvdA voorgestane budgettering van de zorg is niet in het regeerakkoord beland, maar dat is een pyrrusoverwinning voor de VVD. Via de achterdeur wordt het zorgstelsel dat minister Hoogervorst (VVD) invoerde alsnog om zeep geholpen. Bovendien zorgt het op het voorstel voor een krimpende arbeidsmarkt. Helaas moeten we concluderen: operatie geslaagd, patiënt overleden.

Een korte versie van dit artikel is verschenen in het Financieele Dagblad van 31 oktober j.l.

Voetnoten

  1. Het regeerakkoord kondigt aan de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke bijdrage wordt opgehoogd van 50.065 naar twee keer modaal (d.i. 68.000 euro).
  2. Het regeerakkoord spreekt de verwachting uit dat de nominale premie uitkomt op 400 euro in 2017. Onduidelijk is hoe dit is gerelateerd aan de in de tekst genoemde CPB-cijfers. Mogelijk is het bedrag na doorrekening door het CPB aangepast. De doorrekening betreft namelijk niet de definitieve versie van het regeerakkoord.
  3. In het regeerakkoord wordt op blz. 58 aangegeven dat de inkomensafhankelijke premie wordt geheven vanaf het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld) (d.i. 28.000 euro) tot een grens van twee keer modaal.
  4. Memorie van toelichting bij Wijziging van een aantal wetten ter uniformering van het loonbegrip (Wet uniformering loonbegrip), Kamerstukken Tweede Kamer 2009 – 2010, 32131-3.

Referenties

Actiz et al (2012). Agenda voor de zorg. Aanbod aan politiek en samenleving van het zorgveld.

CPB (2012). Keuzes in Kaart 2013-2017: Een analyse van tien verkiezingsprogramma's: effecten op economie en milieu VVD, PvdA, PVV, CDA, SP, D66, GL, ChrU, SGP en DKP. CPB: Bijzondere Publicatie en bijlagen.

CPB (2012). Analyse economische effecten financieel kader Regeerakkoord , CPB Notitie, 29‑10‑2012 .

Ministerie van AZ (2012). Bruggen slaan – Regeerakkoord VVD – PvdA

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik