Back

Artikel

Home

Productiviteit en loon gaan gelijk op over de levensloop

15 feb 2010
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
De moeilijke arbeidsmarktpositie van de oudere werknemer wordt vaak toegeschreven aan de kloof tussen productiviteit en loonkosten. Maar bestaat die kloof echt? Om die vraag te beantwoorden, heeft de Tilburgse econoom Van Ours voor de periode 2000-2005 een databestand gecreëerd met Nederlandse bedrijfsgegevens gekoppeld aan individuele werknemers. Zijn conclusie is dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een loon-productiviteitskloof voor oudere werknemers.

Hoe ouder, hoe minder productief?

Het idee dat de productiviteit van een werknemer vanaf een bepaalde leeftijd daalt, is wijd verbreid. Als dat zo zou zijn, is dat een zorgelijk toekomstperspectief. Met het ouder worden van de Nederlandse beroepsbevolking zou een afnemende economische groei het gevolg kunnen zijn. Immers, er komen dan verhoudingsgewijs steeds meer minder-productieve werknemers. Daar komt nog bij dat arbeidskosten veelal toenemen met de leeftijd van een werknemer zodat er bij oudere werknemers productiviteit-loonkosten kloof kan ontstaan met negatieve effecten op de winstgevendheid van bedrijven met oudere werknemers.

Verband leeftijd-productiviteit

In een vergrijzende samenleving is kennis over de relatie tussen leeftijd en productiviteit van groot belang. Helaas is economisch onderzoek ter zake nogal beperkt in omvang en diepgang (OECD, 2006). Dit hangt voor een niet onbelangrijk deel samen met het probleem dat productiviteit een groepsverschijnsel is en leeftijd een individuele karakteristiek. Produceren is een gezamenlijke activiteit en productiviteit is eigenlijk alleen meetbaar op bedrijfsniveau, uitzonderingen daargelaten.(1) Aangezien het werknemersbestand van een bedrijf qua leeftijd zelden homogeen is, is de relatie tussen leeftijd en productiviteit nogal indirect. Onderzoekers relateren karakteristieken van de leeftijdsverdeling van een werknemersbestand (gemiddelde, spreiding) aan de productiviteit van een bedrijf en proberen hieruit conclusies te verbinden over het causale effect van de een op de ander.

Onderzoek in het buitenland

Een gemeenschappelijk kenmerk van studies naar de relatie tussen leeftijd en productiviteit is dat er gebruik wordt gemaakt van gegevensbestanden waarin informatie over individuele bedrijven gekoppeld is aan informatie over individuele werknemers van die bedrijven. Door ontwikkelingen in de tijd te bezien kan rekening worden gehouden met verschillen in bedrijfskarakteristieken en mogelijke andere oorzaken voor een eventueel gevonden verband tussen leeftijd en de productiviteitskloof. In de internationale literatuur zijn er weinig studies te vinden en de resultaten van de zeldzame studies zijn verre van eenduidig. Er zijn Franse en Finse studies die laten zien dat de kloof ontstaat bij werknemers ouder dan 50 jaar. Er zijn echter ook een Franse en een Duitse studie die niet zo’n kloof vinden en er is een Zweedse studie die vindt dat de productiviteit van een bedrijf toeneemt met de leeftijd van het personeel (zie voor een overzicht Van Ours en Stoeldraijer, 2010).

Onderzoek in Nederland

In Van Ours en Stoeldraijer (2010) wordt een analyse gepresenteerd van de relatie tussen leeftijd, loon en productiviteit in industriële bedrijven. Door CBS-gegevens over bedrijven uit de 'Productie Statistieken Industrie' te koppelen aan informatie over werknemers uit het Sociaal Statistisch Bestand Banen en persoonsgegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie is een analysebestand gecreëerd met bijna 14.000 bedrijven dat informatie bevat over ontwikkelingen in de periode 2000-2005.(2)

Figuur 1. Productiviteit en arbeidskosten op bedrijfsniveau als functie van de gemiddelde leeftijd van het werknemersbestand

Figuur 1. Productiviteit en arbeidskosten op bedrijfsniveau als functie van de gemiddelde leeftijd van het werknemersbestand

Noot: Productiviteit en loonkosten zijn gemeten in duizenden Euro per werknemer; het aantal waarnemingen aan de uiteinden van de leeftijdsverdeling is beperkt; voor het -25 interval zijn er 261 waarnemingen, voor het 50-56 interval zijn er 189 waarnemingen en voor het 57+ interval slechts 9. Het grootste aantal waarnemingen is er voor het 35-39 interval, waarvoor 19.100 waarnemingen beschikbaar zijn

In figuur 1 wordt een overzicht gegeven van de relatie op bedrijfsniveau tussen de gemiddelde leeftijd van het werknemersbestand en de loonkosten en productiviteit in duizenden Euro per werknemer, gemeten in voltijdsequivalenten.(3) Duidelijk is te zien dat de productiviteit oploopt met de gemiddelde leeftijd tot die mid 40 bedraagt; daarna daalt de productiviteit. Ook de loonkosten per werknemer tonen een dergelijk verband, maar de stijging van de loonkosten is sterker dan die van de productiviteit, zodat het verschil tussen beiden kleiner wordt als de gemiddelde leeftijd toeneemt. Figuur 1 geeft onvolledige informatie over de mogelijke relaties tussen leeftijd, loon en productiviteit, al was het alleen maar omdat alleen de gemiddelde leeftijd van het werknemersbestand in beschouwing wordt genomen en niet de spreiding van de leeftijd.

Dwarsdoorsnede analyse

Om de relatie tussen leeftijd, loon en productiviteit beter te kwantificeren is geschat hoe productiviteit en loonkosten samenhangen met de leeftijdsverdeling van het personeelsbestand.(4) Er zijn drie typen analyses uitgevoerd. In de eerste plaats een recht-toe-recht-aan tijdreeks-dwarsdoorsnede analyse waarin gegevens van bedrijven uit verschillende jaren zijn gecombineerd zonder rekening te houden met bedrijfsspecifieke kenmerken (behalve de omvang van het bedrijf, de leeftijdsverdeling van het werknemersbestand en het percentage vrouwelijke werknemers). De aldus geschatte relaties tussen leeftijd, loon en productiviteit worden weergegeven in Figuur 2a.

Figuur 2a. Geschatte relatie tussen productiviteit, loonkosten en leeftijd - tijdreeks-dwarsdoorsnede

Figuur 2a. Geschatte relatie tussen productiviteit, loonkosten en leeftijd - tijdreeks-dwarsdoorsnede

De relaties in deze figuur lijken sterk op die weergegeven in Figuur 1. Ook nu stijgen de loonkosten sneller dan de productiviteit en daalt de productiviteit voor werknemers boven de 40.

Rekening houden met bedrijfsspecifieke effecten

Het probleem met deze analyse is dat er geen rekening wordt gehouden met verschillen in niet-waargenomen bedrijfskarakteristieken. Sommige bedrijven zullen vooral jongere werknemers in dienst hebben, andere vooral oudere. Indien bedrijven met oudere werknemers minder productief zijn dan bedrijven met jonge werknemers lijkt het wel alsof dit door het verschil in leeftijd komt. Het kan echter ook zijn dat het bedrijf met de oudere werknemers andere, minder winstgevende producten maakt of zich in een meer concurrerende markt bevindt. Om met zulke verschillen rekening te houden, worden in de tweede analyse de schattingen gecorrigeerd voor de zogenaamde vaste effecten (‘fixed effects’) voor elk bedrijf. Dan wordt als het ware het gemiddelde effect van een verandering in de leeftijdsverdeling op productiviteit en loonkosten binnen een bedrijf bekeken. De resultaten van deze analyse worden weergegeven in Figuur 2b. Zowel de relatie tussen leeftijd en productiviteit als die tussen leeftijd en loonkosten is vrij vlak. Het lijkt erop dat de leeftijd van het werknemersbestand geen effect heeft op productiviteit en loonkosten.

Figuur 2b. Correctie voor bedrijfsverschillen

Figuur 2b. Correctie voor bedrijfsverschillen

Rekening houden met endogene leeftijdsverdeling

Figuur 2b geeft een betere weergave van de mogelijke leeftijdseffecten dan figuur 2a, omdat 2b rekening houdt met niet-waargenomen verschillen in bedrijfskarakteristieken. Hierdoor wordt een factor die zorgt voor een schijnverband tussen leeftijd en productiviteit uitgeschakeld. Het is echter ook mogelijk dat een dergelijk schijnverband ontstaat omdat de leeftijdsverdeling en de bedrijfsproductiviteit beïnvloed worden door een derde factor. Een negatieve economische schok kan een negatief effect hebben op de productiviteit en leiden tot ontslag van jonge werknemers. Dan daalt de productiviteit en neemt de gemiddelde leeftijd toe, zonder dat die twee rechtstreeks met elkaar te maken hebben. Met andere woorden: veranderingen in de leeftijdsverdeling zijn niet altijd exogeen ten opzichte van veranderingen in productiviteit.

Figuur 2c. Correctie voor bedrijfsverschillen en endogeniteit leeftijdsstructuur

Figuur 2c. Correctie voor bedrijfsverschillen en endogeniteit leeftijdsstructuur

Noot: Productiviteit en loonkosten zijn gemeten in duizenden Euro per werknemer; de grafieken zijn gebaseerd op schattingsresultaten in Van Ours en Stoeldraijer (2010), waarbij de ligging van de lijnen genormaliseerd is op het steekproefgemiddelde voor de leeftijdscategorie 35-39 jaar.

In de derde analyse is rekening gehouden met mogelijke endogeniteit van de leeftijdsverdeling. De resultaten van die analyse zijn weergegeven in Figuur 2c. Nu is er wederom sprake van positieve leeftijdseffecten zij het dat beide profielen nagenoeg parallel lopen. Alleen boven de 57 lijkt er sprake van een daling van de productiviteit maar die daling is statistisch gezien niet significant. De schattingen in de derde analyse worden gekenmerkt door grote onzekerheidsmarges, waardoor alleen al daarom een gelijkheid van profielen niet verworpen kan worden.

Conclusies

De arbeidsmarktpositie van oudere werknemers in Nederland is problematisch. De kans dat een oudere werknemer zijn baan kwijtraakt is niet groot, maar als dat toch gebeurt duurt het lang voor een nieuwe baan gevonden is. Oudere werklozen zijn kennelijk niet aantrekkelijk voor werkgevers. Vaak wordt dit toegeschreven aan de kloof tussen leeftijd en productiviteit: oudere werknemers zijn te duur in vergelijking met hun productiviteit. Uit een analyse van recente ontwikkelingen in Nederland volgen slechts geringe aanwijzingen dat productiviteit en loonkosten een verschillend leeftijdsprofiel hebben. Voor zover productiviteit en loonkosten beïnvloed worden door leeftijd, is die invloed identiek. Met andere woorden: er zijn geen aanwijzingen voor het bestaan van een productiviteit-loonkosten kloof voor oudere werknemers.

De vraag is waarom de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers dan zo problematisch is. Een voor de hand liggende verklaring is dat het onderzoek niet de essentie van de relatie tussen leeftijd en productiviteit blootlegt. Als het zo is dat de meest productieve werknemers hun baan houden en minder productieve hun baan verliezen, verklaart dat tegelijkertijd waarom de productiviteit niet daalt en oudere werklozen niet zo aantrekkelijk zijn voor werkgevers – ze zijn niet voor niets werkloos geworden. Een verklaring die recht doet aan de gevonden resultaten is dat oudere werknemers productief zijn in de context van een personeelsbestand met werknemers van verschillende leeftijden. Productiviteit kan moeilijk rechtstreeks worden toegeschreven aan individuele werknemers. De combinatie van jong en oud is belangrijk en in die context kan een groter aandeel oudere werknemers leiden tot een grotere productiviteit. Een derde verklaring van de spanning tussen de gevonden relaties en de slechte arbeidsmarktpositie van oudere werknemers, is (mis)perceptie. Werkgevers zijn ervan overtuigd zijn dat de productiviteit van oudere werknemers daalt en dus is dat een probleem. Van Dalen et al. (2008) laten bijvoorbeeld zien dat Britse werkgevers veel minder dan Nederlandse werkgevers oudere werknemers als problematisch ervaren. In verhouding tot Nederlandse werkgevers zijn Britse werkgevers meer gericht op het benutten en vergroten van het arbeidspotentieel van ouderen. Van Dalen et al. (2009) laten zien dat, in de perceptie van werkgevers èn werknemers, ouderen hoger scoren qua productiviteit op het gebied van betrouwbaarheid, betrokkenheid bij de organisatie, klantvriendelijkheid en sociale vaardigheden. Jongeren scoren hoger qua creativiteit, flexibiliteit, nieuwe technische vaardigheden, fysieke capaciteiten en bereidheid om te leren. Blijkbaar wegen laatstgenoemde “harde” componenten, waarin jongeren hoger scoren in de perceptie, zwaarder dan de “zachtere” componenten waarin de oudere werknemer productiever is. Het zou kunnen zijn dat de resultaten gevonden in Van Ours en Stoeldraijer (2010) aangeven dat in feitelijke productiviteit de “zachtere” componenten wel degelijk van belang zijn en zwaarder meewegen in de productiviteit dan werkgevers – en ook werknemers zelf – denken. Een laatste verklaring van de spanning tussen het ontbreken van een loon-productiviteitskloof voor oudere werknemers en de slechts arbeidsmarktpositie van die werknemers is gelegen in bedrijfsspecifieke kennis. Oudere werknemers kunnen nog prima mee in hun huidige baan vanwege hun bedrijfsspecifieke kennis en ervaring. Als ze die baan echter verliezen raken ze die productiviteit kwijt en staan ze achter aan de rij van sollicitanten op zoek naar een nieuwe baan.

Voetnoten

  1. Voor sommige werknemers is het mogelijk hun individuele productie te meten. Wetenschappers werkzaam op de universiteit vormen zo’n groep. Zie hiervoor: Van Ours (2009a, 2009b).
  2. Het is een zogenaamd “unbalanced” databestand, dat wil zeggen niet van elk bedrijf is over elk jaar informatie bekend. Gemiddeld komt een bedrijf 3.2 keer in het databestand voor. De productiviteit is gemeten als toegevoegde waarde per werknemer.
  3. De loonkosten betreffen de totale loonkosten en de productiviteit is gemeten als bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten.
  4. Hierbij is de leeftijdsverdeling gekarakteriseerd met de percentages werknemers – gemeten in voltijdsequivalenten – in 8 leeftijdscategorieën.

Referenties

OECD (2006) Ageing and Employment Policies: Live Longer, Work Longer, Paris.

Van Dalen, H., K.Henkens en J. Schippers (2008) Leeftijdsbewust personeelsbeleid van Nederlandse werkgevers mist doel, Kwartaalschrift Economie, 1, 21-45.

Van Dalen, H., K.Henkens en J. Schippers (2009) Unraveling the age-productivity relationship; perceptions of employers and employees, mimeo, Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut.

Van Ours, J.C. (2009a) “Oudere kenniswerker doet niet onder voor jongere”, Me Judice, 5 november 2009.

Van Ours, J.C. (2009b) “Will you still need me – when I'm 64?” De Economist, 157.

Van Ours, J.C. en L. Stoeldraijer (2010) “Age, wage and productivity”, CentER, Discussion Paper, 2010-12.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik