Back

Artikel

Home

Pensioenfondsen moeten hun kans grijpen

14 jul 2009
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Openbare financiën, Pensioen
Nu minister Bos de hulp van de fondsen nodig heeft, kunnen zij eisen stellen aan rendementen. Laten de pensioenfondsen niet te snel nee zeggen tegen het verzoek van minister Bos om deel te nemen in het bankwezen. Ze kunnen nu eisen stellen, aldus de Amsterdamse econoom Van Praag.

Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Daar moest ik aan denken toen ik las dat minister Bos (Financiën, PvdA) de pensioenfondsen en verzekeraars wil bewegen tot steun aan het bankwezen en aan de infrastructuur. De nood moet dan wel hoog gestegen zijn.

Het is duidelijk dat de overheidsfinanciën in zwaar weer verkeren. Er zijn miljarden aan steun verstrekt aan het bankwezen en er dreigt een begrotingstekort dat meer dan tweemaal zo groot is als het Stabiliteitspact toelaat. Dat is treurig, maar het was onvermijdelijk – het was de enige manier om ineenstorting van het financiële systeem te vermijden. En nog is het niet duidelijk of de maatregelen afdoende zijn geweest. Minister Bos vindt kennelijk dat er nu maar eens uit andere bronnen dan de overheid moet worden geput om de stabiliteit van het banksysteem en de infrastructuur te verzekeren. Het gaat hierbij niet alleen om meer geld, maar vooral om betrokkenheid. De minister wenst dat vaderlandse institutionele beleggers pakketten aandelen kopen in bijvoorbeeld ABN Amro of participeren in de aanleg en exploitatie van infrastructurele werken. En hij wil dat zij die aandelen of participaties langdurig in bezit houden, zodat onze banken niet weer een speelbal worden van internationale hedgefondsen.

Bos doet daarbij in de eerste plaats een oproep aan de grote pensioenfondsen, zoals het ABP, dat ambtenaren een pensioen moet garanderen, en PGGM, dat verantwoordelijk is voor de oude dag van het personeel in de zorg. Samen zijn die goed voor enige honderden miljarden. Maar de fondsen hebben slechts één belang te vertegenwoordigen – het belang van hun verzekerden die mettertijd moeten kunnen genieten van een waardevast of welvaartsvast pensioen. Iedereen weet wat daar de laatste jaren van terechtgekomen is.

De positie van de fondsen is afhankelijk van twee factoren: de hoogte van de premie die de werkgevers en werknemers storten en de kwaliteit van de beleggingen. Het kabinet heeft bij de vaststelling van de premies bij ABP en PGGM een forse vinger in de pap. Bij de ambtenaren is de overheid de directe werkgever en bij de zorg is de overheid de belangrijkste subsidiënt en regelgever. In beide sectoren is de premie in de laatste decennia zo afgeknepen dat de fondsen de indexatie (aanpassing van de pensioenuitkering aan de gemiddelde loonstijging) niet meer kunnen garanderen. Bij de ambtenaren wordt het ABP zelfs in feite gechanteerd door minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA): of het moet zijn eisen matigen, of het wordt medeverantwoordelijk voor het ontslag van een flink aantal ambtenaren dat nu nog werkzaam is in rijksdienst.

De vraag is of aandelen in ABN Amro voor de pensioenfondsen aantrekkelijk beleggingsmateriaal zijn en of de fondsen überhaupt een algemene verantwoordelijkheid hebben voor het drijvend houden van de overheid. Mijns inziens zou het wel degelijk zo kunnen zijn dat beleggen in vaderlandse banken of infrastructuur een aantrekkelijke propositie is voor een pensioenfonds, maar het hangt natuurlijk helemaal af van de geboden voorwaarden.

Zou het bijvoorbeeld gaan in de vorm van indexobligaties met door de staat gegarandeerde rente en aflossingen, dan zou het bij een aantrekkelijke rente voor de fondsen wel eens heel interessant kunnen zijn. Het probleem zit echter in de staatsgaranties, want de staat wenst het uiteindelijke risico juist af te schuiven op de rug van de fondsen. Vanuit het standpunt van de fondsen zou het echter hoogst onverantwoordelijk zijn tegenover hun verzekerden om dergelijke risico’s te accepteren zonder ijzersterke garanties ter dekking van de te nemen risico’s.

In feite zitten de pensioenfondsen – of liever gezegd de pensioenverzekerden – al lange tijd in een zwakke positie. Hun belangen worden aan de onderhandelingstafel niet adequaat behartigd, omdat zowel werkgevers als vakbonden belang hebben bij het knijpen op de pensioenpremies. Voor het eerst gloort de mogelijkheid dat verzekerden niet alleen maar wat te vragen hebben aan de staat, maar ook wat te bieden, namelijk de inzet van pensioenspaargelden om de financiële sector te stutten en de infrastructuur op peil te houden. Het lijkt mij dat de pensioenfondsen hier niet een ongeclausuleerd ‘njet’ moeten laten horen. Hun onderhandelingspositie is door deze behoefte van de overheid veel sterker geworden en zij dienen daar gebruik van te maken.

Pensioenfondsen moeten zich realiseren dat de machtsverhoudingen aan het verschuiven zijn. Serieuze onderhandelingen waarbij tegemoetgekomen wordt aan de wensen van de staat in ruil voor serieuze tegemoetkomingen aan de pensioenfondsen lijken een waardevolle 'window of opportunity' voor de pensioenfondsen en hun eigenaren: de verzekerden. Eindelijk hebben ze een troef in handen. Het gaat er dan om serieuze afspraken te maken omtrent staatsgegarandeerde rendementen en afspraken over het indexatiebeleid van pensioenen in ruil voor de gewenste participaties. Daarnaast dient er voor de fondsen een exit te zijn als de overheid zich niet aan de afspraken zou houden.

* Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad op 13 juli 2009

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik