Back

Artikel

Home

Op de bres voor buitenlandse banken

26 mei 2009
Onderwerpen: Financiële markten
Het stereotype beeld van buitenlandse banken die opkomende economieën in de steek laten na jaren van financieel gewin is niet juist. De econoom Ralph de Haas van de Europese Ontwikkelingsbank stelt dat de aanwezigheid van buitenlandse banken eerder bijdraagt dan afbreuk doet aan financiële stabiliteit van een land.

Beelden van buitenlandse bankiers

Het woord ‘bankier’ heeft recentelijk voor velen een wat nare bijsmaak gekregen en dat geldt in het bijzonder voor de term ‘buitenlandse bankier’. In de afgelopen maanden zijn buitenlandse banken er veelvuldig van beschuldigd dat ze juist de opkomende economieën waar ze in de afgelopen jaren een groot deel van hun winst vandaan haalden, in de steek hebben gelaten. Bij economische tegenspoed, zo luidt de kritiek, reduceren internationale banken hun buitenlandse kredietverlening halsoverkop en leggen zich weer grotendeels toe op het bedienen van vertrouwde, binnenlandse klanten. En het is inderdaad waar dat de stroom van grensoverschrijdende leningen richting transitielanden en andere opkomende markten in de afgelopen maanden grotendeels is opgedroogd.

Buitenlandse banken onbetrouwbaar?

Dit werpt de vraag op of kredietverlening door buitenlandse banken inderdaad een inherent instabiele, onbetrouwbare financieringsbron is voor bedrijven in opkomende markten? Als dat zo is, dan vormt de grootschalige toetreding over de afgelopen 15 jaar van buitenlandse banken tot Centraal en Oost Europa en, in mindere mate, Latijns Amerika een serieuze bedreiging voor de financiële stabiliteit in deze regio’s. Bij het beantwoorden van deze vraag is het belangrijk twee dingen in het achterhoofd te houden.

Wanneer is bankieren grensoverschrijdend?

Ten eerste dient er een scherp onderscheid te worden gemaakt tussen grensoverschrijdende kredietverlening enerzijds en lokale kredietverlening door buitenlandse banken anderzijds. In het eerste geval verleent een internationale bank vanuit haar hoofdkantoor (zeg, de ING Bank in Amsterdam) rechtstreeks een krediet aan een buitenlands bedrijf (bijvoorbeeld LOT Polish Airlines). In het tweede geval worden de leningen verstrekt via een lokaal netwerk van dochterbanken en bijkantoren (bijvoorbeeld ING Bank Slaski in Polen). Deze tweede, lokale vorm van buitenlandse kredietverlening blijkt veel stabieler van aard te zijn dan grensoverschrijdendende kredietverlening (García Herrero en Martinez Peria, 2007). Peek en Rosengren (2000) vinden voor Latijns Amerika dat grensoverschrijdende kredietverlening sterk afneemt tijdens lokale periodes van laagconjunctuur (‘sterk procyclisch’ is), terwijl de kredietverlening door lokale buitenlandse bankendochters meestal op peil blijft. De Haas en Van Lelyveld (2006) vinden vergelijkbare resultaten voor Oost-Europa: afnames in grensoverschrijdende kredietverlening worden vaak gecompenseerd door gelijktijdige toenames in de kredietverlening door lokale dochterbanken.

Opkomende economieën die wèl de instroom van grensoverschrijdende kredietverlening toestaan, maar tegelijkertijd (in)formele barrières opwerpen tegen toetreding van buitenlandse bankendochters, snijden zichzelf dus in de vingers. Het totale kredietaanbod richting lokale bedrijfsleven zal minder stabiel zijn dan wanneer het buitenlandse banken was toegestaan om fysieke bankendochters en kantoren op te zetten. Landen kunnen er natuurlijk ook simpelweg voor kiezen om helemáál geen buitenlandse kredietverlening toe te staan: niet grensoverschrijdend en niet lokaal. Dat brengt me bij een tweede belangrijk punt.

Onbetrouwbaar vergeleken met wat?

Discussies over de vermeende onbetrouwbaarheid en instabiliteit van buitenlandse kredietverlening laten meestal gemakshalve buiten beschouwing waarmee buitenlandse banken eigenlijk vergeleken moeten worden. Maar wat is een goede benchmark? Een logische vergelijkingsgroep bestaat natuurlijk uit banken die in binnenlandse handen zijn.

Enerzijds kan buitenlandse kredietverlening minder stabiel zijn dan de kredietverlening door binnenlandse banken, indien moederbanken actief risicokapitaal herverdelen vanuit laagconjunctuur- naar hoogconjunctuurlanden. Veel internationale banken herdistribueren hun kapitaal namelijk over verschillende landen op basis van de, voor risico gecorrigeerde, opbrengsten die zij in ieder land verwachten (De Haas en Naaborg, 2006). Anderzijds geldt dat de kredietverlening door buitenlandse bankendochters ook juist meer stabiel kan zijn dan die van vergelijkbare binnenlandse banken. Dit zal het geval zijn als moederbanken systematisch financiële steun verlenen aan dochters die financieel verzwakt zijn. Zulke steun vindt doorgaans plaats door het verstrekken van korte termijn liquiditeit en van achtergestelde leningen, door hulp bij het opzetten van syndicaatsleningen, of door het injecteren van kapitaal. Binnenlandse banken kunnen natuurlijk niet leunen op dergelijke moederbanken met rijkgevulde zakken.

Welke van de bovenstaande effecten, if any, domineren nou in de praktijk? In een binnenkort te verschijnen artikel, analyseren Iman van Lelyveld en ik een omvangrijke paneldataset met micro-economische informatie over zowel buitenlandse bankendochters als hun binnenlandse concurrenten. De dataset bevat gegevens over 45 internationale banken uit 18 landen met 194 dochterbanken in 46 landen (Figuur 1), alsmede gegevens over een benchmark groep van maximaal vijf binnenlandse banken per gastland. In de empirische analyse bekijken we hoe de jaarlijkse kredietgroei van banken beïnvloed wordt door bankspecifieke financiële variabelen, macro-economische determinanten, alsook een indicator die aangeeft of een bepaald gastland in een bepaald jaar een bankencrisis doormaakte of niet.

Figuur 1: Moederbanken (zwart) en hun buitenlandse dochterbanken (wit)

Moederbanken (zwart) en hun buitenlandse dochterbanken (wit)

We vinden dat dochters van financieel sterkere moederbanken – moederbanken met hoge netto rentemarges of lage voorzieningen voor slechte leningen – sneller groeien. Buitenlandse bankendochters hoeven gemiddeld genomen hun kredietverlening ook niet terug te schroeven tijdens een lokale bankencrisis, terwijl de kredietverlening door binnenlandse banken daarentegen sterk afneemt tijdens zulke crises. Blijkbaar kunnen dochterbanken rekenen op financiële steun van moederbanken tijdens een crisis, terwijl dergelijke steun niet beschikbaar is voor banken met vrijwel alleen binnenlandse aandeelhouders. Deze bevindingen bevestigen eerdere, gelijksoortige bevindingen voor een kleinere dataset met gegevens over transitielanden (De Haas en Van Lelyveld, 2006).

Buitenlandse banken doorgaans juist bron van stabiliteit

Onze resultaten impliceren dat gastlanden over het algemeen baat hebben bij het openen van hun grenzen voor buitenlandse bankendochters. Buitenlandse banken vormen vooral een stabiliserende factor tijdens periodes van financiële onrust. Het is echter belangrijk te onderstrepen dat onze empirische resultaten ook laten zien dat de financiële gezondheid van de moederbank bepalend is voor de mate waarin zij haar buitenlandse dochterbanken kan, danwel wil, blijven steunen. Financieel zwakke moederbanken geven minder steun en hun dochters groeien dientengevolge minder snel. In extreme gevallen kunnen dochters zelfs worden gedwongen hun moederbanken te steunen (bijvoorbeeld door een ‘superdividend’ aan de moeder uit te keren). Met minder eigen kapitaal zal de dochterbank dan worden gedwongen om vervolgens het eigen kredietaanbod te rantsoeneren. Financiële ‘besmetting’ van thuis- naar gastland is het gevolg. Deze kanttekening is natuurlijk extra actueel tegen de achtergrond van de huidige wereldwijde kredietcrisis; een crisis die overduidelijk een test vormt voor de intrabancaire steunmechanismen die ons onderzoek vindt op basis van historische data voor een groot aantal landen en jaren.

Ook nu in tijden van crisis

Tot dusverre lijken internationale banken zich te gedragen in lijn met wat verwacht kan worden op basis van historische patronen. Dat wil zeggen: grensoverschrijdende kredietverlening – met name syndicaatleningen – is zeer sterk afgenomen, terwijl de meeste internationale banken hun buitenlandse dochterbanken financieel te hulp zijn geschoten om hun kredietverlening op peil te houden. (1) En, net als tijdens eerdere crisisperiodes, is de kredietverlening door veel binnenlandse banken in opkomende markten sterk afgenomen. In verschillende transitielanden bijvoorbeeld – variërend van Letland, Hongarije, Oekraïne tot Kazachstan – zijn binnenlandse aandeelhouders vaak niet in staat gebleken om de extra kapitaalsteun op te hoesten die hun banken nodig hadden om de snel oplopende kredietverliezen te absorberen. Het eindresultaat is dat de kredietverlening door deze banken sterk is afgenomen, sommige banken (bijna) failliet zijn gegaan en dat de overheid in bepaalde gevallen bij heeft moeten springen. Hoewel toetreding door buitenlandse banken geen oplossing is voor alle problemen waar opkomende markten mee worstelen in hun financiële sector, suggereert zowel de empirische literatuur als de recente praktijk dat de aanwezigheid van buitenlandse bankendochters eerder bijdraagt dan afbreuk doet aan financiële stabiliteit.

Voetnoot:

(1) Gegeven de extreme crisisomstandigheden is deze steun door moederbanken in sommige landen gepaard gegaan met een gecoördineerde aanpak van een aantal multilaterale ontwikkelingsbanken.

Referenties:

De Haas, Ralph en Iman van Lelyveld (2004), Foreign bank penetration and private sector credit in Central and Eastern Europe, Journal of Emerging Market Finance, 3(2), 125-151.

De Haas, Ralph en Iman van Lelyveld (2006), Foreign banks and credit stability in Central and Eastern Europe. A panel data analysis, Journal of Banking & Finance, 30, 1927-1952.

De Haas, Ralph en Iman van Lelyveld (2009), Internal capital markets and lending by multinational bank subsidiaries, Journal of Financial Intermediation, te verschijnen.

De Haas, Ralph en Ilko Naaborg (2006), Foreign banks in transition countries: To whom do they lend and how are they financed?, Financial Markets, Institutions & Instruments, 15(4), 159-199.

García Herrero, Alicia en Maria Soledad Martínez Pería (2007), The mix of international banks' foreign claims: determinants and implications, Journal of Banking & Finance, 31(6), 1613-1631.

Peek, Joe en Eric Rosengren (2000), Implications of the globalization of the banking sector: The Latin American experience, New England Economic Review, September/October, 45-63.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik