Back

Artikel

Home

Nobelprijs 2009 opnieuw erkenning voor economie van instituties

16 okt 2009
Onderwerpen: Economisch denken
Oliver E. Williamson, die maandag samen met Elinor Ostrom de Nobelprijs voor de economie kreeg, heeft met zijn theorie van transactiekosten een belangrijke bijdrage geleverd aan het economisch denken, zegt econoom John Groenewegen. Het werk van politicologe Ostrom laat zien dat met een geheel andere aanpak ook inzicht is te bieden in de manier waarop economische transacties tot stand komen.

Derde Nobelprijs voor institutionele economie

Het gerucht ging al enige jaren rond: na Ronald Coase and Douglass North zou ook Oliver Williamson als institutioneel econoom de Nobelprijs van de Zweedse centrale bank behoren te ontvangen. De transactiekostentheorie (TKT) vormde immers één van de pijlers van de Nieuw Institutionele Economie. Sinds het verschijnen van Williamsons Markets and Hierarchies in 1975 heeft die theorie een progressieve theoretische en empirische ontwikkeling doorgemaakt. En zo gebeurde: op maandag 12 oktober 2009 werd de Nobelprijs voor de economie toegekend aan Williamson voor zijn werk op het gebied van governance en in het bijzonder voor de bijdrage aan de theorie van de onderneming.

Theorie van de onderneming

Williamson heeft met zijn theorie van de onderneming baanbrekend werk verricht door de introductie van transactiekosten als centraal begrip bij het verklaren van de grens tussen de onderneming en de markt. Hij start de analyse niet met de traditionele productie- en consumptiehuishoudingen, maar met een kleinere eenheid van analyse: de transactie. In het economisch leven vinden tussen actoren voortdurend transacties plaats, waarbij eigendomsrechten worden gewijzigd of overgedragen. Een onderneming levert bijvoorbeeld grondstoffen aan een andere onderneming, een aandeelhouder levert kapitaal aan een investeerder en de overheid levert diensten aan de consument. Elke transactie moet worden gecoördineerd. Dat gebeurt in een zogeheten governance structure, een beheersstructuur, waarin de rechten en plichten worden vastgelegd. Dat kunnen contracten zijn, maar ook organisatievormen, zoals de onderneming of een strategische alliantie. In de transactiekostenliteratuur wordt in plaats van governance structure ook wel gesproken over ‘ institutionele arrangementen’, of nog algemener van ‘instituties’.

In Williamson (1975) ging het om twee mogelijkheden: de market en de hierarchy. In de eerstgenoemde is sprake van gelijkwaardige partijen, die onderhandelen over een wijziging van de eigendomsrechten. De één draagt bijvoorbeeld kapitaal over en volgens het contract mag de ander onder een aantal voorwaarden daarmee een investering doen. In het geval van de organisatie is sprake van een verticale beslissingstructuur, waarin de principaal opdrachten verschaft aan de lagere eenheden.

Williamson bouwde voort op het gedachtegoed van Ronald Coase (1937), waarin werd uiteen gezet dat de coördinatie van transacties altijd kosten met zich brengt en dat economische actoren beslissen een transactie binnen de onderneming of via een marktcontract te coördineren op basis van de hoogte van de transactiekosten. Williamson heeft dat idee systematisch uitgewerkt: wat zijn de kosten verbonden aan het gebruik van de onderneming of de markt, door welke kenmerken van de transactie worden die kosten beïnvloed en is het niet mogelijk een deductief theoretisch bouwwerk op te zetten uitmondend in hypothesen, die empirisch kunnen worden getoetst?

Wat de kosten van het gebruik van de markt betreft wijst Williamson op de zoek- en informatiekosten, op de onderhandelingskosten, op de kosten van het maken van complexe contracten en op de monitoringskosten verbonden aan het controleren van de naleving van contracten. Idem voor de organisatie: niet alleen de kosten verbonden aan het opzetten van bijvoorbeeld een onderneming spelen een rol, maar ook de kosten het intern coördineren, zoals informatie- en communicatiekosten.

In zijn theorie van de onderneming internaliseert de onderneming transacties, of stoot deze af als de transactiekosten van de onderneming respectievelijk lager dan wel hoger zijn dan de markt. De onderneming is een governance structure waar een bepaald type van transacties efficiënter kunnen worden gecoördineerd dan via een marktcontract. Het toepassingsgebied is niet beperkt gebleven tot de onderneming. Het hele scala van het spot market contract, het relationele contract, de onderneming, via de zogenaamde hybriden (netwerken van ondernemingen, joint ventures, allianties) naar vormen van governance met publieke actoren (regulering door de overheid, concessies, en staatsbedrijven) valt binnen het bereik van de transactiekostentheorie.

Transactiekostentheorie

De theorie is opgebouwd uit actoren met specifieke eigenschappen, uit een omgeving waarin de actoren opereren en uit een aantal specifieke veronderstellingen met betrekking tot de interactie tussen de actoren en hun omgeving.

De actoren kennen niet de volledige rationaliteit van hun neoklassieke collega’s: er is sprake van zogeheten ingeperkte rationaliteit (bounded rationality) duidend op een beperkte capaciteit van de actoren om alle relevante informatie te achterhalen, te verwerken en vervolgens om te zetten een contract, waarin alle onzekerheid is uitgeschakeld. In een complexe en onzekere omgeving zullen contracten onvolledig zijn en of dat als een probleem wordt ervaren hangt af van de tweede eigenschap van de actoren: opportunistisch gedrag.

In de TKT bestaat de mogelijkheid dat actoren bewust verkeerde informatie verschaffen, misbruik maken van een situatie van asymmetrische informatie en elkaar ronduit bedriegen. In geval van een contract met open einden en de kans op opportunistisch gedrag zal de marktpartij zoeken naar bescherming. Hij zal safeguards creëren in de vorm van clausules in het contract, maar naarmate de wereld complexer en onzekerder is zullen daardoor de contractkosten oplopen. Er komt een moment dat het alternatief van de onderneming efficiënter is en de transactie wordt geïnternaliseerd.

Williamson heeft in zijn TKT duidelijk gemaakt welke kenmerken van de transactie er toe leiden dat de onderneming efficiënter wordt. Aan de hand van de drie dimensies van onzekerheid, frequentie en specificiteit van de investeringen (asset specificity), ontwikkelde hij een classificatie van transacties, die konden worden gekoppeld aan coördinatiemechanismen, zoals contracten, hiërarchieën en zogeheten hybride vormen.

De algemene hypothese is dat het efficiënter is transacties te coördineren in hiërarchische structuren als de onzekerheid, de frequentie en de specificiteit van de investeringen hoger zijn. Met name het laatste criterium heeft veel verklaringskracht ten aanzien van de keuze van de organisatievorm. Het criterium duidt op de soort investeringen die partijen doen om de transactie te kunnen voltooien. Als deze investeringen specifiek zijn kan na het beëindigen van de relatie de investering niet of tegen hoge kosten worden aangewend ten behoeve van een andere transactie. Bijvoorbeeld een werknemer, die zich speciale kennis en kunde heeft eigen gemaakt om bij zijn werkgever specifieke arbeid te verrichten, of kapitaal dat is geïnvesteerd in een specifieke technologie, die geen alternatieve aanwendingsmogelijkheden biedt. Een hoge mate van specificiteit maakt de partijen kwetsbaar voor opportunistisch gedrag omdat zij voor de assets geen alternatief hebben. Williamson zet uiteen dat hiërarchische governance structures tegen lagere kosten safeguards kunnen bieden dan marktcontracten.

Eind van de jaren 1970 heeft Oliver Williamson transacties en coördinatiemechanismen geclassificeerd en zodanig aan elkaar gekoppeld dat de theorie toetsbare voorspellingen kon doen: “Als dit de kenmerken zijn van de transactie (in termen van frequentie, onzekerheid en specificiteit van de investeringen), dan is dit het institutioneel arrangement (‘governance structure’) dat het meest efficiënt is.” (Williamson, 1985, 1996).

Om op basis van de theoretische inzichten toetsbare hypothesen te kunnen formuleren volgde Williamson de binnen de economische wetenschap beproefde weg van het construeren van een model dat op methodologisch individualistische leest (actoren hebben exogene karakteristieken en preferenties) is geschoeid en het langs deductieve weg afleiden van hypothesen, die vervolgens als voorspellingen worden getoetst door te zoeken naar bevestigingen in de empirie.

De institutionele omgeving: concurrentie

De omgeving van informele instituties (cultuur, waarden, normen, religie) en van formele instituties (wetten en regulering betreffende bijvoorbeeld de eigendomsrechten en de concurrentie op markten) is in de TKT gegeven. De analyse van de informele instituties is het domein van de social theory (Williamson 1998) en wat de formele instituties betreft heeft de theorie van de eigendomsrechten een belangrijke bijdrage geleverd. De TKT richt zich op de verklaring van de institutionele arrangementen gegeven een specifieke institutionele omgeving.

Williamson zegt over de formele instituties dat de politiek eerst moet zorgen dat de eigendomsrechten transparant en afdwingbaar zijn alvorens de economische actoren efficiënte institutionele arrangementen kunnen maken (de zogeheten first order economizing: “get the institutions right”). Als dat in orde is kunnen private partijen zorgen voor de second order economizing: “get the governance structures right”.

Aangenomen wordt dat in de economische werkelijkheid actoren door de institutionele omgeving en de marktstructuur onder zo’n concurrentiedruk staan dat zij zijn gedwongen de door de theorie voorspelde efficiënte governance structures te kiezen. Doen zij dat niet dan zullen zij de concurrentie niet overleven. Het aloude principe van de survival of the fittest dus (1).

Een specifieke lens

Williamson (2000) maakt nog eens duidelijk dat hij zich bewust is van het hanteren van een specifieke ‘efficiëntie lens’, waardoor hij bepaalde aspecten van de onderneming heel scherp ziet, maar andere aspecten buiten zijn vizier vallen. Zaken als machtspolitiek, padafhankelijke ontwikkelingen en leerprocessen vallen buiten zijn gezichtveld. Hij onderkent die beperkingen net zo goed als hij expliciet is over de noodzaak om voor het verder ontwikkelen van de theorie van de onderneming dieper te graven in de motivatie van de actoren. Williamson spreekt over:

“Indeed, a still earlier zero level of analysis warrants remark: an evolutionary level in which the mechanisms of the mind take shape…..Our evolutionary psychologist and cognitive science colleagues are vital to the exercise.” (Williamson 2000: 600)

Institutioneel economen als Douglass North en Avner Greif zijn die weg ingeslagen. Williamson is dicht bij de mainstream economie gebleven en dat is geen onverstandige keuze gebleken. Het is wel heel goed dat de Nobelprijs 2009 voor de economie mede is toegekend aan Elinor Ostrom, die als politieke wetenschapper laat zien dat met een geheel andere complementaire aanpak ook veel begrepen kan worden van de governance van economische transacties.

(1) Omdat in TKT geen sprake is van volledig rationele, maar van beperkt rationele actoren, kunnen niet ex ante de meest efficiënte arrangementen worden berekend (de daartoe benodigde informatie is niet voor de actoren beschikbaar). Wel zullen die arrangementen overleven die op dat moment op basis van de informatie die dan voorhanden is het meest efficiënt zijn. Williamson vat het onderscheid tussen TKT en neoklassieke theorie samen door te stellen dat het bij TKT niet gaat om het overleven van de ‘fittest’, maar van de ‘fitter’.

Referenties:

Coase, R.H. (1937) ‘The Nature of the Firm’, Economica 4 (16), 386-405.

Williamson, O.E. (1975), Markets and Hierarchies: Analysis and Antitrust Implications, New York: Free Press.

Williamson, O.E. (1985), The Economic Institutions of Capitalism, New York: The Free Press.

Williamson, O.E. (1996), Efficiency, Power, Authority and Economic Organization', in: J. Groenewegen ed., Transaction Cost Economics and Beyond, Kluwer Academic Publishers: Dordrecht /Boston, pp. 11-42.

Williamson, O.E. (1998), Transaction Cost Economics: How It Works: Where It Is Headed, De Economist, vol. 146, no. 1, pp. 23-58.

Williamson, O.E. (2000) ‘The New Institutional Economics: Taking Stock, Looking Ahead’, Journal of Economic Literature 38 (3), 595-613.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik