Back

Artikel

Home

Nederlandse banken: hoog niveau leningen ten opzichte van spaartegoeden

12 nov 2012
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Financiële markten, Pensioen
Klif Binnen Europa vallen Nederlandse banken op door een hoog uitgeleend vermogen ten opzichte van de omvang van bij banken gestalde spaartegoeden. Deze hoge ‘leverage ratio’ ligt niet aan een laag niveau van bij de banken gestalde spaartegoeden: die is gemiddeld, zelfs gegeven het relatief hoge niveau van pensioenbesparingen in Nederland. Het probleem zit dus niet aan de spaarkant, maar bij het beleid van de Nederlandse banken, stellen Jurre de Haan en Michiel van Leuvensteijn.

Paradox

Nederlanders staan bekend om hun zuinigheid en spaarzaamheid. Het is dan ook enigszins paradoxaal dat het in Europees perspectief juist de Nederlandse banken zijn die veel uitlenen ten opzichte van de bij de banken gestalde spaartegeoeden. Het verschil tussen het uitgeleende vermogen en de spaartegoeden heet de “funding gap”. De grote Nederlandse pensioenspaarpot wordt wel eens als verklaring genoemd voor de relatief grote funding gap. In dit artikel worden de feiten op een rij gezet en in Europees perspectief geplaatst. Spaart Nederland nu meer dan andere landen voor hun pensioen en hoe komt dat? En wat betekent dit voor het spaargeld bij Nederlandse banken?

Nederlanders spaart zich rijk voor pensioen

Er is geen land ter wereld waar zoveel wordt gespaard door pensioenfondsen als in Nederland. In 2011 bedroeg het totaal aan pensioenbesparingen door pensioenfondsen opgebouwd uit inleg en rendement 138% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Nederland is daarmee nummer 1, gevolgd door IJsland (129%) en Zwitserland (111%). Opvallend zijn de grote verschillen tussen landen tussen de Noord Europese landen en de Zuid Europese landen: in Zuid Europese landen wordt er relatief weinig pensioen opgebouwd via pensioenfondsen (zie Figuur 1).

Een van de redenen waarom Nederlanders veel zelf sparen voor hun pensioen, is doordat het overheidspensioen (AOW) in Nederland relatief laag is vergeleken met andere landen. Om een grote inkomensachteruitgang op het moment van pensionering te voorkomen, dient er daardoor meer zelf gespaard te worden. In figuur 1 is de replacement rate van de overheidspensioenen weergegeven voor een inwoner met een mediaan inkomen. Daarnaast zijn ook de besparingen door pensioenfondsen (% BBP) weergeven. Duidelijk is te zien dat er in de landen waarbij de vervangingsvoet van het laatst verdiende loon relatief laag is, er veel meer besparingen zijn door pensioenfondsen. Finland is hierop de uitzondering, met een replacement rate uit het overheidspensioen van boven de 50% en een vermogen van 75% BBP bij pensioenfondsen.

Naast het niveau van de overheidspensioenen, is sociale wetgeving een belangrijke determinant voor de hoeveelheid pensioenbesparingen binnen een land. In landen waar relatief veel gespaard wordt, geldt veelal een (semi) verplichting voor werknemers om deel te nemen aan de pensioenregeling die de werkgever aanbiedt. Gemiddeld is slechts 40% van de Europese werknemers aangesloten bij een pensioenfonds. In de Europese landen met de meeste pensioenbesparingen ligt dit door (semi) verplichte aansluitingen bij pensioenfondsen veel hoger: in IJsland is 100% van de werknemers aangesloten bij een pensioenfonds, in Nederland is dit 90% en in Zwitserland 86%[1].

Figuur 1. Vervangingsvoeten eerste pijler en pensioenbesparingen door pensioenfondsen

Figuur 1: Vervangingsvoeten eerste pijler en pensioenbesparingen door pensioenfondsen
Bron: OECD 2012

Wat betekent dit nu voor sparen bij banken?

Dat er veel wordt gespaard voor het pensioen betekent nog niet automatisch dat er weinig wordt gespaard bij de bank. Figuur 2 laat de pensioenbesparingen door pensioenfondsen enerzijds zien en de spaartegoeden van consumenten anderzijds. Allereerst is af te lezen dat de spaartegoeden van Nederlandse consumenten bij banken op een gemiddeld niveau ligt. Volgens de gegevens van Eurostat lagen de spaartegoeden bij banken van Nederlandse consumenten in 2007 bijvoorbeeld op 61% van het BBP, terwijl deze in Duitsland op 67%, in Frankrijk op 56% en in Italië op 64% lagen [2]. Ten tweede toont de grafiek aan dat er geen verband te ontdekken is tussen het vermogen bij pensioenfondsen enerzijds en de spaartegoeden van consumenten bij banken anderzijds. De stelling dat erbij Nederlandse banken minder wordt gespaard dan bij andere Europese banken als gevolg van de grote vermogens bij pensioenfondsen is daardoor lastig hard te maken.

Figuur 2. Pensioenbesparingen door pensioenfondsen en spaartegoeden als % BBP (2007)

Figuur 2. Pensioenbesparingen door pensioenfondsen en spaartegoeden als % BBP (2007)Bron: Eurostat (2012) en OECD (2012)

Waar komt het spaartekort bij banken vandaan?

Toch lijkt er een spaartekort bij banken te bestaan. Nederlandse banken kampen met een aanzienlijk ‘funding gap’, het verschil tussen de deposito’s enerzijds en de kredietverlening aan huishoudens en bedrijven anderzijds. Voor Nederlandse banken is de funding gap structureel groter dan voor andere Europese banken, en bedraagt circa 480 miljard euro medio 2011. Dit komt doordat Nederlandse banken tegenover dezelfde spaartegoeden als andere grote Europese landen veel meer hebben uitgeleend[3] . De Nederlandse leningen betreffen met name hypotheken. Medio 2011 bedroeg de totale uitstaande hypotheekschuld van particuliere huishoudens naar schatting 632 miljard euro (of 110% BBP).[4] Tot voor kort hadden deze hypotheken een laag risicoprofiel ondanks dat dit vaak aflossingsvrije hypotheken betreft of spaarhypotheken waarvan het spaargedeelte is ondergebracht op de balans van de levensverzekeraar binnen hetzelfde financiële concern. Kortom, banken hebben met de ontwerp van hun producten hun balansen sterk geleveraged met leningen, sterker dan in andere Europese landen.

Beperken pensioensparen geen oplossing voor het probleem

Onlangs noemde DNB President Klaas Knot het beperken van de fiscale aftrekbaarheid van pensioenbesparingen als mogelijke langetermijnoplossing voor de funding gap van banken[5]. Op korte termijn zal deze maatregel geen bijdrage leveren. Ter illustratie: een zeer forse beperking van bijvoorbeeld 1/3 van de jaarlijkse pensioenopbouw zal op jaarbasis leiden tot een vrijval van “slechts” circa 10 miljard euro aan pensioenpremies ( werkgevers- en de werknemersbijdrage) [6]. Wanneer dit bedrag volledig door Nederlanders op de bank wordt gezet, dan leidt dat tot een stijging van het spaargeld met zo’n 6 miljard euro, uitgaande van een gemiddeld belastingtarief van 40%. Dit is nog geen 1,5 procent van de bancaire funding gap. Het lijkt overigens niet realistisch dat Nederlanders een groot deel van de vrijgevallen pensioenpremies zullen onderbrengen bij banken. Van oudsher zijn het vooral verzekeraars die in Nederland een belangrijke plek hebben op de markt voor vrijwillige pensioenbesparingen. Bovendien toont de literatuur uit de economische psychologie aan dat wanneer mensen de vrijheid hebben tot pensioensparen, zij de verleiding tot consumptie van dit vermogen veelal slecht kunnen weerstaan: de consumptie zal dus stijgen ten kosten van de pensioenbesparingen [7].

Conclusie

In Nederland wordt veel meer gespaard voor het pensioen dan in andere Europese landen, mede als gevolg van een relatief sobere pensioenvoorzieningen van de overheid (de “P”) en het hoge percentage werknemers dat aangesloten is bij een pensioenfonds (de “Q”). Dit leidt er echter niet toe dat er minder bij banken in Nederland wordt gespaard. In tegendeel, hier is Nederland een goede middenmoter. De “funding gap” bij banken komt vooral door dat banken tegenover dezelfde spaartegoeden als in andere landen meer uitlenen dan elders in Europa.

Referenties

  1. EFRP, Workplace pensions – Defined Contribution, Survey, March 2010, Brussels or The Social Protection Committee, Privately managed funded pension provision and their contribution to adequate and sustainable pensions, 2008, Brussels
  2. Eurostat (2012), Zie http://epp.eurostat.ec.europa.eu/statistics_explained/index.php/Household_financial_assets_and_liabilities
  3. CPB, Risicorapportage Financiële Markten, CPB notitie 30 mei 2012
  4. DNB, Overzicht Financiële Stabiliteit Najaar 2011.
  5. Speech Klaas Knot”Financing innovation” voor de conferentie “Create, innovate, dominate”, 28 september 2012, Universiteit Groningen.
  6. DNB – Macro-economische statistiek pensioenfondsen, Kasstroomoverzicht van Pensioenfondsen T8.1.3, www.dnb.nl, 2012
  7. Zie bijvoorbeeld A.H. Munnel en A. Sundén, Coming Up Short – The Challenge of 401(k) Plans, Washington D.C.: Brookings Institution Press 2004.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik