Back

Artikel

Home

Nederland-Duitsland: een wedstrijd tussen twee modellen

11 jun 2012
Dossiers: Eurocrisis
Onderwerpen: Macro-economische politiek, Publieke sector
Er zijn opvallende parallellen te noteren in de wijze waarop de Nederlanders en de Duitsers omgaan met tegenslagen in de economie en het voetbal. Aldus de Rabo-economen Van de Belt en Piljic. In plaats van het ‘werkvoetbal’ waarmee Duitsland in 1990 in Italië de laatste wereldtitel veroverde, zijn ze overgestapt op voetbal volgens het Nederlandse totaalmodel. Aanvallend voetbal, domineren op de helft van de tegenstander. Onze oosterburen lijken dit model inmiddels meer omarmd te hebben dan wij zelf. Nederland vertrouwt vooral op de verdediging. Deze catenaccio-tactiek helpt Nederland echter niet aan de overwinning, want door een vertrouwenscrisis en blessureleed is de verdediging niet op sterkte . De Nederlandse coach moet ingrijpen om de wedstrijd alsnog te kunnen winnen.

In de afgelopen twee jaar bleef de Nederlandse toename van het BBP aanzienlijk achter bij de Duitse. Hoewel de recessie er in Duitsland hard inhakte, heeft de Duitse economie zich inmiddels behoorlijk hersteld. De binnenlandse bestedingen zijn redelijk op peil gebleven en de regering Merkel heeft het overheidstekort goed in de hand. Ook opmerkelijk; Duitsland is één van de weinige landen in de eurozone waar de werkloosheid al geruime tijd aan het dalen is. Dan Nederland, dat verhaal kent u. We bevinden ons sinds driekwart jaar in recessie en de binnenlandse bestedingen staan, mede door de problemen op de huizenmarkt, onder druk. En de werkloosheid is sinds medio vorig jaar weer aan het toenemen. Blijft Nederland achterstaan of bestaat de kans dat we nog als winnaar uit de bus gaan komen?

Een goed scorende aanval: 0-1

In de afgelopen twee jaar droeg de netto-handel meer bij aan de groei in Duits­land dan in Neder­land (zie figuren 1 en 2).

Figuur 1: Groeibijdrages Duitsland

Figuur 1: Groeibijdrages Duitsland

Figuur 2: Groeibijdrages Nederland

Figuur 2. Groeibijdrages Nederland

Duitsland wist dus goed te scoren op vijandelijk terrein, terwijl de Nederlandse aanval, ondanks de kwaliteit die zeker aanwezig is, het minder deed. Deze divergentie kan in be­lang­rijke mate wor­den ver­klaard door een verschil in samenstelling van het exportpakket en de geo­grafi­sche oriën­ta­tie van de handelsstromen. De Ne­der­landse ex­port is sterk ge­richt op het Europese achterland, vanwege de geo­gra­fische lig­ging van Ne­der­land aan zee en de goede infrastructurele ver­bin­dingen met de rest van het Eu­ro­pese con­­ti­­nent. Ongeveer driekwart van onze export gaat hier naartoe. Het Duitse be­drijfsleven is zich in de loop der tijd steeds meer gaan richten op op­ko­mende Azia­tische en Latijns-Amerikaanse eco­no­mieën. De op­komen­de eco­no­mieën ken­nen doorgaans een re­­la­tief sterke vraag naar kapi­­taal­­goe­de­ren. De belang­rijk­ste export­pro­duc­ten van Duitsland zijn machines en ver­voer­ma­te­rieel; 49% van de Duit­se export bestaat hieruit. Kapitaalgoederen vor­men ook het belang­rijkste compo­nent van het Neder­landse uit­voer­­­pakket, maar het aan­deel in de totale uitvoer ligt met 28% aanzienlijk lager. Deze vraag naar kapitaalgoederen is zeer gevoelig voor conjuncturele schommelingen. Vandaar de sterkere daling van het exportvolume in Duitsland in 2009, maar ook het snellere herstel in de jaren erna. De Ne­der­­landse uitvoer bestaat daarnaast voor­al uit weder­uit­voer, terwijl Duits­land veel pro­duc­ten van eigen makelij uitvoert. Weder­uitvoer draagt veel minder bij aan de eigen eco­no­mie dan uit­voer van producten van ei­gen makelij.

Hechte defensie: 0-2

Op eigen terrein, de binnenlandse bestedingen, deed de Duitse economie het ook beter. Een solide defensie, in voetbaltermen. De groeibijdragen van de parti­cu­liere consumptie in Duitsland was in de afgelo­pen twee jaar aanmerkelijk groter dan in Nederland (figuur 1 en 2). Dit kan wor­den ver­klaard door de aanzienlijk gun­sti­gere in­ko­mens- en vermogens­ont­wikkeling bij onze oosterburen. In Duitsland staat het be­schik­baar inko­men min­der onder druk, ter­wijl in Ne­der­land de cao-lonen (ex­clu­sief bij­zon­dere be­lo­nin­gen) in de private sec­­tor niet of nauwe­lijks har­der stijgen dan de in­fla­tie. Daarnaast daalt de werk­loosheid in Duitsland, terwijl deze in Nederland oploopt. Het Duitse ‘Ar­beits­markt­wun­der’ kan niet alleen worden verklaard door de arbeids­markt­her­vor­mingen die hebben plaatsgevon­den, maar ook door de krim­pende beroeps­bevol­king. Verder hebben Duitse be­drij­ven,evenals hun Neder­landse collega’s, veel personeel in dienst ge­hou­den tijdens de crisis waar­door de werkloosheid tijdens de Grote Recessie slechts beperkt is toegenomen. Ook werktijd­ver­korting, flexi­bele werk­tijdregelingen en Bündnisse für Arbeit, waarbij naar Hollands model werk­nemers ge­noe­gen namen met loonmatiging in ruil voor baangaranties, hebben hieraan bijge­dra­gen. Door deze koerswijziging zijn de arbeidskosten per eenheid product in Duitsland veel minder hard gestegen dan in andere landen, waaronder Nederland.

Op vermogensgebied scoort Nederland eveneens slechter. Zo zijn de huizenprijzen in Neder­land sinds de top in augustus 2008 met circa 11% ge­daald en dat heeft voor blessureleed gezorgd bij de Ne­derlandse defensie. In Duitsland was de huizen­prijs­ontwikkeling sinds 2007 met een stijging van 9% veel gun­sti­ger. Een stevig fundament voor consumptieontwikkeling. Verder zijn Neder­land­se huishoudens door de inrichting van het Neder­landse pen­sioen­stelsel ge­voe­li­ger voor beursverliezen dan de Duitse. Het Ne­­­der­­­land­se aanvullend pen­sioenstelsel is gebaseerd op ka­pi­­taal­dekking, waar­bij de pen­sioen­premie van de werk­ne­mer door een pensioen­fonds wordt be­legd en de pensioenuit­ke­ring wordt betaald uit de be­leg­de mid­de­len. Als de rente en rende­men­­ten op de beurs laag zijn, nemen de dek­kings­gra­den van Nederlandse pensioen­fondsen af waar­­door de uitbetaling van pen­sioenen in ge­vaar komt. Het Duitse pensioenstelsel is ge­bas­eerd op omslag, waarbij de pre­mie­ont­vang­sten direct worden ge­bruikt om de lopende pensioenuitkeringen te financieren. Dit stelsel heeft dus geen last van be­leggings- en renteschomme­lingen. In de huidige economische tijd is dit een voor­deel, maar op lange ter­mijn is het Duitse pen­sioen­stelsel minder voorbe­reid op toene­men­de pensioen­be­talingen als gevolg van de ver­­grij­zing.

Consumenten zijn niet de enige geblesseerde verdedigers aan Nederlandse zijde. Nederlandse producenten hebben eveneens weinig redenen om ka­pi­taal­goederen aan te schaf­fen. Doordat de productie nog al­tijd 6% onder het ni­veau van voor de Gro­te Recessie ligt, ligt de be­zet­tings­­graad nog altijd onder het lang­jarig ge­mid­delde. In Duitsland ligt de bezettings­graad op het lang­ja­rig gemiddelde van de totale be­schikbare pro­duc­tie­capaciteit. De indus­triële pro­ductie in Duits­land ligt sinds 2011 dan ook al weer boven het ni­veau van voor de crisis. Niet­temin blijft de Duitse investerings­quote, net als die van Neder­land, laag in Euro­pees perspec­tief. Dit, terwijl de financiële positie van het be­drijfs­le­ven in beide landen, me­de dankzij de loonmatiging, op peil is gebleven.

De coaches bezig met zichzelf: nog steeds 0-2

De Grote Recessie heeft de overheidsfinanciën in Nederland en Duitsland hard ge­­raakt.De coaches zijn meer bezig met het op orde brengen van hun eigen huishoudboekje, dan met het motiveren van hun team en het verbeteren van het functioneren van de economie. De over­heids­tekorten zijn voornamelijk toe­ge­no­men door­dat beide regeringen ervoor hebben gekozen om auto­ma­­tische stabi­li­sa­toren vol­ledig te la­ten wer­ken. Daarnaast hebben beide over­he­den een dis­cre­­tionair begrotingsbeleid ge­voerd in de vorm van extra uitgaven en lasten­ver­lich­tin­gen. De OECD (2009) gaat er vanuit dat het Duitse BBP door het sti­mu­le­rings­pakket in 2009 0,5% en in 2010 0,2% hoger uitviel. Het Neder­landse stimuleringsbeleid, inclusief de werking van auto­ma­tische stabilisatoren, heeft ervoor gezorgd dat de economische neer­gang in 2009 1½%-punt min­der diep is geweest en het BBP-niveau in 2010 1% hoger is uitgevallen (CPB, 2011). Door de ver­slech­te­ring van de overheids­financiën zijn Duitsland en Ne­der­land, evenals veel andere Euro­pese lan­den, in een bui­­tensporige tekortprocedure recht­ge­ko­men. Beide landen moeten in 2013 hun be­gro­tingssaldo hebben te­rug­­ge­bracht tot -3% BBP. Met een geraamd be­grotingstekort van 0,7% BBP in 2013 ligt Duitsland goed op schema, terwijl dit voor Nederland, ook met de in het Lente-akkoord afgesproken bezuinigingen, maar zeker de vraag is.

Beide coaches staan voor gelijke problemen. In de komende jaren komt de potentiële econo­mi­sche groei in Nederland en Duitsland niet veel boven de 1,5% uit, wat vooral te wijten is aan de vergrij­zing van de beroeps­bevolking (OECD, 2010). Die slaat in Duitsland zelfs iets meer toe dan in Nederland. En diezelfde ver­grijzing plaatst de overheidsfinanciën eveneens voor een uit­da­ging. Anders dan Duits­land heeft Neder­land relatief genereuze sociale zeker­heids­voor­zie­nin­gen en een uit­ge­breid (pu­bliek) zorgstelsel. Door de vergrij­zing zullen de over­heids­uit­gaven in de pe­riode 2010-2030 in Ne­derland bij onge­wij­zigd beleid met bijna 5%-punt BBP toe­ne­men tot 22,4% BBP. In Duits­land bedraagt de stij­ging naar ver­wachting circa de helft. De houdbaarheid van de over­heidsfinanciën komt, zonder structurele maatregelen, dan ook in beide landen in ge­vaar. De kans bestaat dat, met name, de Nederlandse coach bij een voortzetting van de slechte prestaties wordt ontslagen.

Hoe eindigt de wedstrijd?

Economisch gezien staan we op dit moment duidelijk achter ten opzichte van de Duitsers. De Duitsers zijn erin geslaagd hun economie in de afgelopen jaren goed aan de praat te krijgen en te houden. Totaalvoetbal zou je dat kunnen noemen, omdat alle onderdelen van de economie bijdra­gen aan de groei. De Nederlandse aanval (handel) is minder trefzeker dan die van onze ooster­buren. Ook de Nederlandse defensie (binnenlandse bestedingen) is minder goed op sterkte.

Ne­der­land gaat daarmee de achterstand van 0-2 voorlopig niet inlopen. Wat nu te doen? De samen­stelling van het Neder­landse exportpakket en de exportbestemming is op korte termijn min of meer een gegeven. Dus de aanval zal het niet snel beter doen. Als onze primaire export­markt, de rest van Europa, minder hard groeit zal dit per definitie leiden tot minder gunstige voor­uitzichten voor Neder­land. Het effect van senti­ment op de consumptie, nu fors negatief in Neder­land, zou in het gunstigste geval wel wat minder negatief kun­nen worden. Wel blijven de negatieve effecten vanuit het huizen­ver­mo­gen. Want duidelijkheid daarover gaat per definitie gepaard met hervormingen van en bezuini­gingen op de hypo­theek­renteaftrek waardoor prijzen voorlopig nog niet stabiliseren.

Toch is de wedstrijd nog niet gespeeld. Voor het inlopen van de achterstand kunnen we een duide­lijke parallel met het voetbal trekken. Als je teveel bij het oude laat, dan worden de prestaties er niet beter op. Dat geldt voor zowel het voetbal (te weinig nieuwe spelers) als de economie. De op­lossing voor de Nederlandse coach ligt daarmee meteen voor de hand: de economen­mantra van hervormen, langer doorwerken, investeren in (kennis-)infrastructuur komt hier weer om de hoek kijken. De uitdaging voor Nederland is groot. Maar het voetbalverleden heeft ons laten zien dat Duitsers verslaan mogelijk is.

Referenties

CPB (2011), Effecten stimuleringspakket, CPB Notitie. Den Haag.

OECD (2009), OECD Economic Outlook, No. 86, OECD, Parijs.

OECD (2010), OECD Economic Outlook, No. 88, OECD, Parijs.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik