Back

Artikel

Home

Mislukken van het SER-advies is geen ramp

6 okt 2009
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
De SER is er niet in geslaagd met een eigen alternatief te komen voor de verhoging van de AOW-leeftijd. Gezien de halfbakken alternatieven die dreigden te ontstaan is dat maar goed ook. De bal ligt daarom weer bij de regering, waar deze ook hoort te liggen. De discussie moet zich nu richten op hoe we de ouderen aan het werk houden. Met oog op vergrijzing zijn oudere werknemers hard nodig.

Halfbakken SER-alternatieven

Over het mislukken van het SER-traject moet niet al te dramatisch worden gedaan. Sterker nog, we zijn er beter mee af. Stel dat de SER unaniem overeenstemming had bereikt over een van de drie voorstellen die de afgelopen twee weken naar buiten zijn gekomen. Dan zou het AOW-probleem in het beste geval slechts half opgelost zijn. Met het voorstel van de vakbonden zou de AOW-leeftijd effectief slechts beperkt omhooggaan doordat de mogelijkheid om AOW vanaf het 65ste levensjaar te ontvangen nog steeds open lag. Bovendien zou door de financiële steun voor de lagere inkomens waarschijnlijk grif gebruik gemaakt worden van deze optie. Als de werkgevers hun gelijk hadden gehaald dan zou de AOW-leeftijd in 2025 in één klap naar 67 gaan. Als dit voornemen al geloofwaardig zou zijn, dan nog had hun plan twee nadelige gevolgen. Ten eerste, ten opzichte van een scenario waarin de AOW-leeftijd binnenkort gradueel omhoog zou gaan, zou in het voorstel van de werkgevers de verhoging veel te laat ingaan, met als gevolg een gemiste toename van de arbeidsparticipatie gedurende een lange reeks van jaren en de daarmee gepaard gaande verbetering van de overheidsfinanciën. Het andere nadeel is de oneerlijke behandeling van de verschillende groepen van werknemers. Zij die op 1 januari 2010 vijftig jaar of ouder zijn zouden de dans ontlopen, terwijl zij die 49 zijn de volle mep zouden krijgen. Er bestaan bijna geen maatregelen die niemand benadelen, maar dit zou wel erg bout zijn. De huidige 50-60 jarigen is de rijkste groep van Nederland. Ze hebben een hoog inkomen, geen afhankelijke kinderen meer en hebben vol geprofiteerd van de huizenprijsstijgingen in de jaren negentig. Als de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen, dan moeten zij zeker hun bijdrage leveren. Het uitgelekte voorstel van de SER-kroonleden zou het meest zinvolle alternatief zijn (De Telegraaf, 28 september 2009). De mogelijkheid voor vrijwillige uittreding uit het arbeidsproces op 65-jarige leeftijd zou daarmee echter nog steeds opengehouden worden.

Welk draagvlak heeft de SER nog?

Men kan nog tegenwerpen dat met het mislukken van een SER-alternatief er gebrek aan draagvlak in de samenleving zou zijn voor een verhoging van de AOW-leeftijd. Maar welk draagvlak heeft de SER eigenlijk? Eerder hebben (Beetsma en Romp, 2009) wij beargumenteerd dat de SER de verkeerde plek is om over verhoging van de AOW -leeftijd te praten. De voormannen of vrouwen van de bonden vertegenwoordigen slechts een heel beperkte groep werknemers, en vooral niet de jongeren: 62% van de vakbondsleden is ouder dan 45 jaar. Vakbonden hebben meer leden ouder dan 65 dan leden jonger dan 25! Het zijn overigens de jongeren die het grootste deel van de verhoging van de AOW-leeftijd moeten opvangen. Als je de gemiddelde jongere ernaar vraagt dan is hij/zij niet tegen een verhoging van de AOW-leeftijd. Ze zien simpelweg in dat als de levensverwachting toeneemt en je de oudedagsvoorziening op peil wilt houden zonder de lastendruk onaanvaardbaar zwaar te maken, je maar één ding kunt doen, namelijk de AOW-leeftijd verhogen. Dit is lagere school rekenwerk.

Zoek besparingen niet elders op begroting

Een alternatief voor de AOW-leeftijd verhoging in de vorm van een besparing elders op de rijksbegroting van 4 miljard mist overigens de essentie van waar het om gaat. Ook al is het aantal werkenden van 60-65 jaar niet zo hoog; dit aantal is ruim verdubbeld in 10 jaar tijd. Door de AOW-leeftijd omhoog te trekken trek je als het ware de hele leeftijdspiramide van werkenden aan zijn punt omhoog. Bij elke gegeven leeftijd onder de AOW-leeftijd zal de arbeidsparticipatie omhooggaan doordat werkgevers meer gaan investeren in hun werknemers en mensen weten dat ze bij eerder uittreden het langer zonder hun AOW-uitkering moeten doen. Waar een bedrijf een 63-jarige voorheen nog twee jaar in de WW kon parkeren tot aan zijn pensioen, zal een bedrijf dat in de toekomst pas bij 65 jaar kunnen doen. Daar komt nog bij dat als er nu besparingen elders waren gevonden, deze besparingen voorgoed vergeven zijn en niet meer zouden kunnen worden aangesproken bij nieuwe bezuinigingen in de toekomst.

Richt aandacht op langer werken

De verhoging van de AOW-leeftijd is waarschijnlijk een feit. De discussie moet zich nu richten op hoe we de ouderen aan het werk houden. De grote angst dat de WW als afvalvat voor oudere werknemers wordt gebruikt is onterecht. Door de vergrijzing ontstaat de komende jaren een tekort aan werknemers en hebben werkgevers behoefte aan elke werknemer, ook de oudere. Werkgevers en werknemers zullen daarnaast in overleg moeten treden over omscholingsprogramma’s, terwijl demotie bespreekbaar zou moeten worden. Je kunt van een 60-plusser niet verwachten dat hij net zo dynamisch is als een 40-jarige, maar je kunt net zo min van een werkgever verwachten dat hij diezelfde 60-plusser net zoveel betaalt als die 40-jarige. Toch zit er een enorm arbeidspotentieel en kennis bij ouderen. Ze hebben een schat aan arbeidservaring. Met de vergrijzing voor de deur hebben we deze groep hard nodig.

Referentie:

Beetsma, R. en W. Romp, 2009, “Moderne Pensioenen en AOW geen onderwerp voor de SER”, Me Judice, jaargang 2, 30 maart 2009.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik