Back

Artikel

Home

Minder uitgeven aan re-integratie werklozen is geen ramp

15 mrt 2010
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
Afgelopen week maakte het UWV bekend dat het geld voor reïntegratie van werklozen op begint te raken. Voor kortdurend werklozen zijn geen trajecten meer beschikbaar. De Tweede Kamer heeft vragen gesteld aan demissionair minister Donner, die op zijn beurt een pittig gesprek met het UWV aankondigde. Hoewel de politiek bevreesd is voor negatieve gevolgen is het volgens de Amsterdamse econoom Van der Klaauw nog maar zeer de vraag hoe dramatisch het is als het UWV zuiniger om moet gaan met het budget voor re-integratie.

Nederlandse situatie in perspectief

De uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid in Nederland zijn hoog. Uit figuur 1 blijkt dat de Nederlandse uitgaven het hoogst zijn van alle OECD landen. Dat betekent dat Nederland landen als Denemarken en Zweden die algemeen bekend staan als landen met erg veel reïntegratie achter zich houdt. Sinds 2002 wordt er naar gestreefd de re-integratiemarkt zoveel mogelijk te privatiseren (zie Koning, 2009). Maar desondanks zit Nederland nog steeds in de kopgroep als het om uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid gaat.

Figuur 1: Uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid in de OECD in 2002.

Figuur 1: Uitgaven aan activerend arbeidsmarktbeleid in de OECD in 2002.

Bron: OECD

Figuur 2 laat zien dat Nederland een van de laagste werkloosheidspercentages binnen de Europese Unie heeft. Dit is al een paar jaar het geval en dat zou geïnterpreteerd kunnen worden als een succes van het Nederlandse activerend arbeidsmarktbeleid.

Activering werkt niet of nauwelijks

Deze conclusie lijkt voorbarig omdat het niet ondersteund wordt door empirische evaluatie op microniveau. Gorter en Kalb (1996) en Van den Berg en Van der Klaauw (2006) vinden een niet-significant marginaal positief effect van activeringsbeleid op de kans dat een WW-er werk vindt. Kastoryano en Van der Klaauw (2010) vinden dat trajecten aangeboden door commerciële reïntegratiebedrijven een significant negatief effect hebben op de werkhervatting van WW-ers. Van der Klaauw en Van Ours (2010) laten zien dat werkhervattingpremies voor bijstandsgerechtigden geen significant effect hebben op werkhervatting. De eerste conclusie van deze empirische studies op micro niveau is dat er geen overtuigend bewijs is voor het nut van investeren in re-integratie.

Figuur 2: Werkloosheidspercentage in EU landen.

Figuur 2: Werkloosheidspercentage in EU landen.

Bron: OECD

Strenger beleid werkt wel

Waar het helpen van werklozen bij het vinden van werk nauwelijks effectief blijkt te zijn, blijkt strenger beleid wel degelijk een positief effect uit uitstroom te hebben. Het opleggen van sancties verkort de werkloosheidsduur zowel voor WW-ers (Abbring, Van den Berg en Van Ours, 2005) als voor bijstandsgerechtigden (Van den Berg, Van der Klaauw en Van Ours, 2004). Daarnaast vinden De Jong, Lindeboom en Van der Klaauw (2010) dat een strengere poortwachterfunctie de instroom in de WAO beperkte.

Evaluatie beleid staat in kinderschoenen

Een derde conclusie is dat het aantal studies dat overtuigend corrigeert voor selectieve deelname aan reÏntegratietrajecten in Nederland erg beperkt is. Nederland mag dan een reputatie hebben als land dat veel investeert in activerend arbeidsmarktbeleid, maar het heeft zeker geen traditie van evaluatie van dit beleid. Het gevolg is dat beleid vaak verandert voordat eigenlijk bekend is hoe effectief het oude beleid was. Werkhervattingspremies hebben enkele jaren bestaan. Deze zijn ooit ad hoc geïntroduceerd en daarna zonder enig empirisch bewijs over de effectiviteit ook weer afgeschaft. De strengere poortwachterfunctie die door De Jong, Lindeboom en Van der Klaauw (2010) positief werd geëvalueerd werd in dezelfde maand afgeschaft als dat de data voor het onderzoek beschikbaar kwamen.

Voor goede beleidsevaluatie zijn twee vereisten. Ten eerste moet er gedurende een periode een bepaalde mate van exogene variatie zijn in het participeren in trajecten. Dat wil zeggen dat er werklozen worden geobserveerd die identiek zijn met de uitzondering dat de ene geparticipeerd heeft in een traject, terwijl de andere dat niet heeft gedaan. Het beste voorbeeld van zulke exogene variatie is het willekeurig toewijzen van trajecten in een experiment. De tweede voorwaarde voor een degelijke beleidsevaluatie is de beschikbaarheid van goede administratieve data. In Nederland wordt door het CBS veel data verzameld en gekoppeld, maar gebruik van de data is vaak duur en gecompliceerd. Daarnaast wordt op micro niveau geen informatie verzameld over welke individuen geparticipeerd hebben in welk traject.

In het licht van deze resultaten is het de vraag hoe erg het is dat er door het UWV minder werklozen naar re-integratietrajecten gestuurd worden. De resultaten van empirische beleidsevaluaties in Nederland laten geen positief beeld zien, maar buitenlandse studies laten zien dat reïntegratie niet altijd ineffectief is (zie bijvoorbeeld Kluve et al., 2007). Al dient daarbij te worden opgemerkt dat er nauwelijks activerend arbeidsmarktbeleid is te bedenken waarvan is aangetoond dat de baten de kosten overtreffen (zie Van Ours, 2009). De beperkte middelen voor het UWV geven wel een goede aanleiding voor een cultuuromslag naar goede evaluatie van activerend arbeidsmarktbeleid.

Een grove schatting is dat in 2007 in Nederland ongeveer 8.5 miljard euro werd besteed aan activerend arbeidsmarktbeleid. In hetzelfde jaar waren de uitgaven aan uitkeringen (WW, bijstand en arbeidsongeschiktheid) ongeveer 16.9 miljard euro. Voor een positieve kosten-baten analyse zouden de uitgaven aan uitkeringen dus 50% hoger moeten liggen als er helemaal geen activerend arbeidsmarktbeleid zou zijn geweest. In de wereld is nog nooit een beleidsprogramma uitgevoerd dat het presteerde om de uitkeringsduur met een derde te beperken. Voor de toestand van de openbare financiën is het daarom zeker geen ramp als het UWV wat zuiniger moet omspringen met het aanbieden van trajecten.

Referenties:

Abbring, J.H., G.J. van den Berg, en J.C. van Ours (2005), “The Effect of Unemployment Insurance Sanctions on the Transition Rate from Unemployment to Employment,” Economic Journal 115 (2005), 602–30.

Berg, G.J. van den, en B. van der Klaauw (2006), “Counseling and monitoring of unemployed workers: theory and evidence from a controlled social experiment”, International Economic Review 47, 895-936.

Berg, G.J. van den, B. van der Klaauw, en J.C. van Ours (2004) “Punitive sanctions and the transition rate from welfare to work”, Journal of Labor Economics 22, 211-241.

Gorter, C., en G. Kalb (1996), “Estimating the Effect of Counseling and Monitoring the Unemployed using a Job Search Model”, Journal of Human Resources 31, 590-610.

Jong, Ph. De, M. Lindeboom, en B. van der Klaauw (2010) “Screening Disability Insurance Applications”, Journal of the European Economic Association, forthcoming.

Kastoryano, S., en B. van der Klaauw (2010) “Dynamic Evaluation of Job Search Assistance”, Vrije Universiteit, Mimeo.

Klaauw, B. van der, en J.C. van Ours (2010) “Carrot and Stick: How Reemployment Bonuses and Benefit Sanctions Affect Job Finding Rates” Vrije Universiteit, Mimeo

Kluve, J., D. Card, M. Fertig, M. Gora, L. Jacobi, P. Jensen, R. Leetmaa, L. Nima, E. Patacchini, S. Schaffner, C.M. Schmidt, B. van der Klaauw & A. Weber (2007) Active Labor Market Policy in Europe: Performance and Perspective, Springer, Berlijn.

Koning, P., 2009, "De stille nationalisatie van de re-integratie", Me Judice, jaargang 2, 16 februari 2010.

Ours, J.C. van, 2009, “Nederland besteedt miljarden om werklozen aan een baan te helpen, zonder zicht op succes”, Me Judice, jaargang 2, 25 november 2009.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik