Back

Artikel

Home

Massaontslagen hoeven niet te ontaarden in massawerkloosheid

11 feb 2009
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
Massaontslagen zullen het komende jaar onontkoombaar zijn, maar als het verleden een leidraad vormt voor het heden dan valt er veel moed te putten uit de wijze waarop in Nederland tijdens de laatste recessie met massale werkloosheid werd omgesprongen. Volgens de Amsterdamse econoom Theeuwes moet men de werkloosheidsduur zo kort mogelijk maken, is het onverstandig om oudere werknemers aan de kant te zetten en dient men algemene scholing de mobiliteit tussen sectoren te bevorderen.

Soms hoor je de lichte paniek in de stem van de radioverslaggever als hij aankondigt dat er dit jaar massaontslagen zullen vallen. Alsof dit een unieke gebeurtenis is die alleen maar voorkomt in een diepe economische crisis. Alsof we aan massaontslagen kunnen aflezen dat het nu echt slecht met ons gaat. Niets is minder waar. Massaontslagen zijn er ook in economisch goede jaren. Ook tijdens een hoogconjunctuur gaan bedrijven failliet en worden afdelingen gesaneerd. Mensen hebben vaak een zwart-wit voorstelling van hoog- en laagconjunctuur. Voor hen gaat in een hoogconjunctuur alles alleen maar goed op de arbeidsmarkt en in een laagconjunctuur is alles slecht. De werkelijk is anders. Elk jaar worden er in de economie banen vernietigd en worden er banen gecreëerd. Het grote verschil is echter dat er in een hoogconjunctuur meer banen bijkomen dan er vernietigd worden en dat in een laagconjunctuur het omgekeerde geldt.

In economisch slechte jaren komen massaontslagen vaker voor dan in goede jaren. Vergelijk het economisch betere jaar 2007 met het iets mindere 2006. In 2006 werd voor 34 duizend werknemers om bedrijfseconomische redenen ontslag aangevraagd bij het CWI. Voor zeven duizend daarvan betrof dat een collectief ontslag. In 2007 was het aantal aanvragen gehalveerd maar werd nog steeds voor vier duizend werknemers collectief ontslag aangevraagd. De CWI cijfers geven maar een beperkt beeld van het totaal aantal ontslagen op. Zoals bekend loopt slechts een deel daarvan via het arbeidsbureau.

Lessen uit het recente verleden

Hoe dan ook, er zullen in de komende maanden massaontslagen volgen. De recente gezamenlijke publicatie van de WRR en het CBS over werk en inkomsten na massaontslag komt daarom op het goede moment, hoe triest het onderwerp ook is. Het rapport gaat over de werknemers die hun baan kwijt raakten gedurende de massaontslagen in de periode 2001-2002. Uit de ervaringen van die mensen zijn lessen te trekken voor wat er kan gebeuren met de werknemers die in de volgende maanden in een massaontslag betrokken raken.

De jaren 2001 en 2002 komen vlak na het barsten van de internet-luchtbel. De internethype was anders en minder erg dan de huidige kredietcrisis, maar de gevolgen op de arbeidsmarkt waren niet kinderachtig. De Nederlandse economie zakte vanaf 2001 in een recessie en de werkloosheid liep tussen dat jaar en 2005 op van 3,5% naar 6,5%. Vorig jaar toen de kredietcrisis losbarste stond het werkloosheidspercentage op 4%. Begin december voorspelde het Centraal Planbureau dat de werkloosheid in 2010 zou oplopen naar 6,5%. Zo bekeken lijkt de conjuncturele neergang begin deze eeuw, op de crisis die er nu aankomt. Sinds december vorig jaar, zijn er al weer nieuwe voorspellingen gepubliceerd, bijvoorbeeld van de Europese Commissie en die zijn veel pessimistischer. Desondanks blijft het interessant om te leren van de ervaringen van ontslagen werknemers in de vorige crisis.

Verrassend positief

Het onderzoek van de WRR en het CBS leidt tot twee verrassende resultaten. Verrassend in de zin dat ze positiever zijn dan ik op voorhand had verwacht. Ten eerste blijkt dat de meeste werknemers die in een massaontslag terechtkomen relatief snel weer een baan vinden. Ik ga hieronder uitgebreid in op dit resultaat. Ten tweede laat de studie zien dat ook de inkomensontwikkelingen na massaontslag gunstiger zijn dan men a priori zou verwachten. Bijna de helft van de mensen gaat er niet in inkomen op achteruit vergeleken met wat ze zouden hebben gehad zonder het massaontslag. Drie jaar na het massaontslag zijn er wat betreft inkomen uit arbeid meer stijgers dan dalers. Vooral bij jongeren herstelt het inkomen vrij snel na ontslag. Sommige jongeren hebben zelfs een aanmerkelijk hoger inkomen in hun nieuwe baan dan dat ze zouden gehad hebben in hun oude baan.

Waarom verrassend?

Werknemers in een massaontslag hebben het meestal moeilijker dan werknemers die vanuit een individueel ontslag werkloos worden. Bij een massaontslag stromen er tegelijkertijd honderden of zelfs duizenden werknemers in de werkloosheid. Vaak is het ontslag sterk regionaal geconcentreerd. Het gevolg daarvan is dat de vele ontslagen werknemers elkaar verdringen op de locale arbeidsmarkt waardoor het lastiger wordt om een nieuwe baan te vinden. Mede daarom is het zo verrassend dat tweederde binnen een halfjaar na het massaontslag weer werk heeft. Deze werknemers verliezen hun baan in een periode dat de arbeidsmarkt in een langdurige recessie zakt, en ze zoeken met velen tegelijk naar schaarse banen en desondanks vindt 67% een baan binnen de zes maanden. Dat is hoopvol voor de werknemers die dit en volgend jaar vermalen worden in een massaontslag.

Ook schaduwzijden

Bij dit positieve bericht horen ook een aantal forse relativeringen. Betrokken zijn bij een massaontslag blijft een persoonlijk drama ook als weer snel ander werk wordt gevonden. En ook als tweederde wel relatief snel een baan heeft gevonden, blijft er nog altijd een derde over die dat niet doet. Voor hen is de last van het massaontslag nog groter. Tot slot, blijkt uit de studie dat het percentage mensen dat een baan vindt na het eerste half jaar niet erg toeneemt in de maanden nadien. Het vinden van nieuw werk moet echt in dat eerste half jaar gebeuren, het wordt nadien steeds moeilijker zo niet onmogelijk.

Uit deze studie kunnen drie lessen worden getrokken die van grote waarde kunnen zijn voor een kabinet dat massaontslagen niet in massawerkloosheid wil laten verzanden.

Les 1: Maak werkloosheidsduur zo kort mogelijk

Instanties zoals het UWV en het CWI (die nu overigens samengaan) die betrokken zijn bij het weer aan het werk helpen van werkzoekenden moeten zich vooral concentreren op het zo snel mogelijk bemiddelen. Veel werkzoekenden vinden op eigen kracht nieuw werk. Voor al die anderen moet de inzet zijn om de hulpmiddelen van het arbeidsmarktbeleid zo in te zetten dat zo snel mogelijk na ontslag werk wordt gevonden. De werkloosheidsduur moet kost wat kost worden geminimaliseerd. Uit eerder SEO-onderzoek uit 2008 blijkt dat het zo snel mogelijk beginnen in een uitzendbaan daarbij ook helpt. Dan blijven mensen betrokken bij het arbeidsproces en een uitzendbaan is vaak een opstap naar een reguliere baan. De mobiliteitscentra die nu worden ingericht hebben als doel mensen in de mate van het mogelijke van werk naar werk te begeleiden. Dat is prima.

Het verrassende resultaat dat zo veel werkzoekenden op relatief korte tijd nieuw werk zoekt, geeft aan dat ook in een crisisperiode banen gecreëerd worden en vacatures open vallen. In een eerder WRR-rapport uit 2007 over werkzekerheid, waar ik bij betrokken was, laten we op basis van CBS-gegevens zien dat er in de economie elk jaar gemiddeld rond de zeshonderdduizend banen worden gecreëerd en vernietigd. In de goede jaren komen er veel meer banen bij dan er wegvallen en groeit per saldo de werkgelegenheid. In een economisch slechte periode worden er meer banen vernietigd dan er bij komen. Het is dan moeilijker om een nieuwe vacature te vinden, maar niet onmogelijk. Er zijn in donkere tijden nog altijd bedrijven die groeien en er zijn nog altijd ondernemers die een nieuw bedrijf opstarten. Op dit moment beginnen we aan de crisis met veel openstaande vacatures en met tekorten in bijvoorbeeld de sectoren onderwijs, zorg, politie en bij het leger.

Les 2: zet juist in op oudere werknemer

Uit de studie blijkt dat de ervaringen van jonge en oude werknemers die in een massaontslag terechtkomen dramatisch verschillen. De gemiddeld gunstige resultaten wat betreft snel nieuw werk vinden, komen vooral van de jongere werknemers. Van de werknemers jonger dan 50 jaar vindt zelfs driekwart binnen het half jaar nieuw werk. Bij vijftigplussers vindt hooguit een derde een baan en gaat meer dan een derde met vervroegd pensioen. Ondanks de zeer toe te juichen groei in arbeidsmarktparticipatie van oudere werknemers sinds het midden van de jaren negentig en ondanks maatregelen, zoals het afschaffen van de VUT-regelingen en het moeilijker maken van de toegang tot de arbeidsongeschiktheidregeling, werd bij het massaontslag in de periode 2001-2002 toch weer ruimschoots teruggegrepen naar dat oude beproefde middel om oudere werknemers zoveel mogelijk vervroegd uit het arbeidsproces te halen. Iedereen begrijpt waarom naar dit middel gegrepen wordt bij massaontslag en vermoedelijk willen de meeste oudere werknemers ook niets liever. Maar het is met het oog op de lange termijn en de vergrijzing toen al geen verstandige oplossing en dat is het nu nog minder. Verwacht mag worden dat in de massaontslagen die dit en volgend jaar zullen vallen oudere werknemers weer verleid worden om de arbeidsmarkt te verlaten. Ook de huidige crisis is tijdelijk terwijl de vergrijzing en het verminderde arbeidsaanbod trendmatig doorgaan. Als de crisis voorbij is wordt de spanning op de arbeidsmarkt vanzelf weer zichtbaar.

Les nummer twee die kan worden getrokken is om nu eens niet te vervallen in de oude reflexen om oudere werknemers vervroegd van de arbeidsmarkt te halen, maar eerder beleid te voeren om de kansen op het vinden van nieuw werk voor vijftig plussers te vergroten. Iemand die nu 55 jaar is, blijft nog tot 2019 op de arbeidsmarkt. Dan is de crisis al jaren afgelopen en zullen we blij zijn dat hij of zij nog werkt.

Les 3: Zet in op brede scholing

Een laatste opmerkelijk resultaat uit de WRR en CBS studie is dat de meeste ontslagen werknemers een nieuwe baan vinden in een andere sector dan waar ze ontslagen werden. Wie in de metaalsector wordt ontslagen, komt meestal niet terug in een baan in de metaalsector maar in een totaal andere sector. Uit het onderzoekt blijkt dat er in de arbeidsmarkt een veel grotere intersectorale mobiliteit dan men spontaan zou verwachten. Die intersectorale mobiliteit is gemiddeld meer dan de helft. Er is maar een handvol sectoren waar de werknemers in meerderheid gebonden zijn aan hun sector, in de zin dat hun nieuwe werknemer na ontslag in diezelfde sector zit. De bouw en de overheid bijvoorbeeld. Die grote intersectorale mobiliteit is relevant voor het beleid. Er wordt om- en bijscholingsbeleid gevoerd dat gericht is op functies en vaardigheden voor de eigen sector. De opleidingsfondsen waarin volgens cao afspraken jaarlijks bijdragen worden gestort om onder meer opleidingen in de sector te financieren zijn meestal per sector georganiseerd en gericht op opleidingen voor de eigen sector. Gegeven de onderzoeksresultaten is les nummer drie is dat het misschien nog wel belangrijker is om hen te scholen voor vaardigheden die relevant zijn in een andere sector. Leer ze vooral algemene vaardigheden die in veel sectoren bruikbaar zijn en geen sectorspecifieke vaardigheden. Laat ze eerder een groot rijbewijs halen dan dat je ze leert plasmalassen.

Referenties:

Arjan Heyma en Chris van Klaveren, “Uitzendbaan versus direct dienstverband: vergelijking loopbanen CWI- cliënten”, SEO rapport nr. 2008-12.

Dirk Scheele, Ruben van Gaalen en Johan van Rooijen, Werk en inkomsten na massaontslag: De zekerheid is niet van de baan. Verkenning van CBS en WRR. Amsterdam University Press, 2008.

WRR, Investeren in werkzekerheid, Amsterdam University Press, 2007.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik