Back

Artikel

Home

Langer doorwerken zonder financiële prikkels

25 jun 2014
Onderwerpen: Arbeidsmarkt
Financiële prikkels zijn effectief geweest om langer doorwerken te stimuleren. Verdere stimulering van de arbeidsparticipatie – wat wellicht gewenst is in het licht van de vergrijzende bevolking – kan effectief zijn via niet-financiële prikkels. Mensen laten zich bij hun pensioenbeslissing beïnvloeden door hun sociale omgeving. Als de sociale omgeving een jaar langer doorwerkt, dan gaat het individu gemiddeld 3 maanden later met pensioen. Het beleid kan hier op verschillende manieren op inspelen en zo de participatie van ouderen verder stimuleren.

 

Financiële prikkels waren in het verleden effectief

In de jaren ’90 en ’00 waren financiële prikkels hét recept om de arbeidsparticipatie aan te jagen. Zo werd de arbeidsdeelname van ouderen gestimuleerd door het afschaffen van de vut, het versoberen van de sociale zekerheid (wao en ww) en het invoeren van een doorwerkbonus. Deze maatregelen zijn zeer effectief geweest. Na het afschaffen van de vut in 2006 steeg de gemiddelde uittredingsleeftijd met 5 maanden per kalenderjaar (figuur 1). De arbeidsparticipatie van 55 tot 64-jarige mannen verdubbelde in de periode 1994-2013 van 37 naar 73%. Voor vrouwen in deze leeftijdsgroep was sprake van een ruime verdubbeling: van 25 naar 60%.

Figuur 1: Gemiddelde uittredingsleeftijd (werknemer 55 jaar en ouder) stijgt versneld na de afschaffing van de vut in 2006


Bron: CBS, * = voorlopige cijfers

Sociale interacties belangrijk voor pensioenbeslissing

Er zijn steeds meer aanwijzingen dat ook niet-financiële factoren van belang zijn voor het uittredingsgedrag van ouderen. Mastrobuoni (2009) vindt een groot effect van de AOW-leeftijd op de feitelijke pensioenleeftijd, maar dit effect kan slechts voor een beperkt deel worden verklaard door financiële prikkels. Tegelijkertijd zijn er steeds meer aanwijzingen dat sociale normen, passieve keuzes (default options) en ‘ankerleeftijden’ van belang zijn voor het uittredingsgedrag (Van Erp et al. 2014).

Een enquête op basis van het DNB Household Survey, uitgevoerd in mei 2012 onder 1168 respondenten die jonger zijn dan 65 jaar en nog niet met (vroeg)pensioen, laat zien dat de sociale omgeving een belangrijke adviesfunctie heeft.Op de vraag ‘Hoeveel belang hecht u aan het advies van ...?’ antwoordt bijna de helft van de respondenten dat zij 'veel'of 'heel veel' belang hecht aan advies gegeven door familie.Voor 40% respectievelijk een kwart van de respondenten geldt hetzelfde voor advies gegeven door vrienden of collega's (zie figuur 2). Vanzelfsprekend hebben direct belanghebbenden zoals partner en kinderen de grootste invloed op de pensioenbeslissing.

Figuur 2: Familie, vrienden en collega’s beïnvloeden pensioenbeslissing

Bron: Vermeer et al. (2014).

Enquêteonderzoek laat zien dat een stijging van de uittredingsleeftijd van de sociale omgeving tot een hogere individuele uittredingsleeftijd leidt.[1] 33 procent van de respondenten zegt te gaan uittreden op 66-jarige leeftijd als dit overeenkomt met de uittredingsleeftijd van de sociale omgeving (zie figuur 3). De respons voor de leeftijd van 67 jaar is 26 procent. De onderzoeksresultaten impliceren dat één jaar latere uittreding van de sociale omgeving leidt tot een gemiddelde toename in de individuele uittredingsleeftijd van 3 maanden (Vermeer et al., 2014 en Van Rooij et al. 2014).

Figuur 3: Uittredingsleeftijd sociale omgeving beïnvloedt individuele voorkeuren

Noot: in de vignetten wordt steeds uitgegaan van een oorspronkelijke uittredingsleeftijd van 65 jaar.

Beleid voorbij de financiële prikkel

Vanwege sociale interacties is het uiteindelijke participatie-effect van veel beleidsmaatregelen groter dan het directe effect. Verhoging van de AOW-leeftijd genereert een financiële prikkel om op latere leeftijd uit te treden. De AOW-aanspraken – preciezer: de contante waarde van de toekomstige AOW-uitkeringen – dalen immers. Een deel van de populatie zal als gevolg hiervan het uittredingsgedrag direct aanpassen. Door dit voorbeeldgedrag gaan anderen vervolgens ook later uittreden. Zo ontstaat een ‘multipliereffect’.

Sociale interacties kunnen worden benut om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen. Verhoging van de AOW-leeftijd naar hogere leeftijden genereert zowel een financiële prikkel als een multipliereffect vanwege sociale interacties. Het is echter ook mogelijk om het effect te stimuleren zonder financiële prikkel. Zo kan de mogelijkheid tot flexibele opname van de AOW-uitkering ná de AOW-leeftijd (met actuariële aanpassing van de uitkeringshoogte) langer doorwerken stimuleren. Flexibilisering van de AOW naar latere leeftijden zorgt ervoor dat sommigen langer zullen doorwerken. Door middel van sociale interacties kan dit er weer toe leiden dat andere individuen ook langer zullen doorwerken.

Voetnoot:


[1] Het onderzoek schat het causale verband van het uittredingsgedrag van de sociale omgeving op de individuele uittredingsbeslissing op basis van antwoorden van respondenten op vragen over fictieve situaties die los staan van hun persoonlijke omstandigheden. Deze methodologie is ontleend aan Van Beek et al. (1997).

Referenties

Beek, K. van, C. Koopmans en B. van Praag, 1997, Shopping at the labour market: a real tale of fiction,European Economic Review, 41, pp. 295-317.

Erp, F. van, N. Vermeer en D. van Vuuren, 2014, Oudere werknemers stoppen niet alleen vanwege financiële prikkels vervroegd met werkenTPEdigitaal , 8(1), pp. 29-44.

Mastrobuoni, G., 2009, Labor supply effects of the recent social security benefit cuts: Empirical estimates using cohort discontinuities, Journal of Public Economics, 93(11-12), pp. 1224-33.

Rooij, M. van, N. Vermeer en D. van Vuuren, 2014, Sociale interacties van invloed op de arbeidsparticipatie van ouderen, Netspar NEA paper 53

Vermeer, N., M. van Rooij en D. van Vuuren, 2014, Social interactions and the retirement age, CPB Discussion Paper 278; DNB Working Paper 426.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik