Back

Artikel

Home

Laat student zelf opdraaien voor kosten studievertraging

22 mrt 2012
Onderwerpen: Onderwijs en wetenschap
Studievertraging en –uitval is niet het probleem dat er van gemaakt wordt, stelt de Amsterdamse arbeidsmarkteconoom Joop Hartog. Het is te vergelijken met het niet halen van het rijexamen – zolang de student maar zelf voor de extra kosten ervan opdraait. Dat is eenvoudig te realiseren. Laat studenten bijvoorbeeld betalen voor het doen van een (her)tentamen. Om de kosten die studenten maken voor het volgen van onderwijs te verlagen kunnen zij tegelijk een voucher krijgen die een deel van de studiekosten dekt.

Rendement

In discussies over het hoger onderwijs wordt vaak het lage rendement als zorgwekkend probleem aangeduid. Met rendement wordt dan niet gedoeld op de financiele baten van de investering want die zijn hoog genoeg. Rendement gaat in dit geval over studievertraging en studie-uitval: de proportie van de studenten die een studie aanvangt en binnen een bepaalde termijn (de daarvoor nominaal gestelde, of een iets langere) met succes afrondt. Zulke rendementen zijn inderdaad vaak bedroevend laag. Vijf jaar na hun eerste inschrijving aan de universiteit heeft slechts de helft van de studenten het diploma gehaald. Meestal wordt het onderwijs daarvoor verantwoordelijk gesteld en wordt het opgeroepen en aangestuurd tot verbetering, met alle risico’s van dien voor de onderwijskwaliteit.

Studierendement is voorwerp van beleidsdiscussie omdat onderwijs zwaar wordt gesubsidieerd. Het landelijk gemiddelde slagingspercentage voor het rijexamen ligt onder de 50 % (volgens de website van het CBR), maar toch is dit geen onderwerp van politieke discussie, of voortdurende verwijten aan de rijscholen. Wie wil leren auto rijden doet dat op eigen kosten en de overheid (ic het CBR) beperkt zich tot het publiceren van slaagpercentages per rijschool. Universiteiten en hogescholen hebben maar een beperkt instrumentarium om het rendement te beinvloeden, gegeven de uitvoerige regelgeving die de centrale overheid stelt en gegeven de restricties die de instellingen zichzelf opleggen. Vaak wordt voorbij gegaan aan het feit dat studenten gewoon optimeren binnen de hun gestelde voorwaarden en dat die voorwaarden onvoldoende sturen op de rendementsdoelstelling. Om het probleem bij de kern aan te pakken moeten studenten dus aan effectievere restricties worden bloot gesteld.

Duur studiefinanciering beperkt

De eerste stap is eenvoudig. Wie studierendement belangrijk vindt, omdat studenten niet langer dan strikt noodzakelijk op kosten van de belastingbetaler in het hoger onderwijs moeten verblijven, moet de studiefinanciering beperken tot de nominale studieduur. Het huidige systeem van studiefinanciering voldoet hieraan, door de omzetting van de initiele lening tot een gift te beperken tot de nominale studieduur van het behaalde diploma. Vertraging en uitval komen zo voor rekening van de student en zijn in dat opzicht geen punt van zorg meer.

Andere kosten

Studiefinanciering is maar een beperkt deel van de subsidie op hoger onderwijs. Volgens de Monitor Trends in Beeld, een website van het Ministerie van OCW, zijn de uitgaven per student in het hoger onderwijs zo’n 7500 euro per jaar, waarvan 1500 voor studiefinanciering en 6000 voor subsidiering van de instellingen. Het collegegeld bedraagt ruim 1700 euro per jaar. Onduidelijk is of de 1500 euro voor studiefinanciering uitgezette leningen zijn, of netto subsidies (giften). Duidelijk is wel dat een student gemiddeld per studiejaar tussen 6000 en 7500 euro subsidie ontvangt en dat een vierjarige studie dus een gift van 24 000 a 30 000 euro behelst. Duidelijk is ook dat de grootste kosten niet in de studiefinanciering zitten maar in de exploitatiekosten van de instelling.

Kosten uitval en vertraging

Voor de discussie over studierendement is de kernvraag wat de kosten van vertraging en uitval zijn. Wat zijn de extra uitgaven voor een instelling omdat ze ook studenten moet bedienen die vertragen en zelfs geheel uitvallen? Hoeveel extra subsidie is nodig omdat studenten tentamens overdoen, extra colleges volgen, extra beroep doen op spreekuren van docenten, studie begeleiders, studentenpsychologen, studieruimtes, etc? Voor zover ik kan nagaan is daar niks over bekend. Instellingen orienteren zich op tarieven van het ministerie en afdelingen en faculteiten oriënteren zich op interne tarieven van hun centraal bestuur, maar echte kostprijzen zijn volgens mij binnen instellingen nauwelijks bekend en zijn zeker niet richting gevend.

Wie meer dan een jaar boven de nominale studiejaar uitkomt moet het collegegeld voor langstudeerders betalen, op dit moment 3063 euro. Dit bedrag is dus een slag in de lucht. Het is onduidelijk of langstudeerders inderdaad twee maal zoveel kosten als nominaal studeerders. Het is zelfs volstrekt onduidelijk of een langstudeerder nog subsidie ontvangt of teveel betaalt: de marginale kosten van een langstudeerder kunnen zowel boven als onder de 3063 euro per jaar liggen. De bovengeciteerde 7500 euro exploitatiekosten per student per jaar zijn al helemaal geen richtsnoer voor de marginale kosten omdat dit bedrag niet meer behelst dan de som van alle uitgaven, omgeslagen over alle ingeschreven studenten, ongedifferentieerd naar studietempo.

Studievertraging kan voorwerp van zorg en onderwerp van beleid zijn op allerlei gronden. Zoals de overheid zich op paternalistische gronden kan bemoeien met gezond eten, veilig vrijen en verstandig beleggen, zo kan diezelfde overheid zich ook bekommeren over verstandig investeren in scholing. Zo zijn er argumenten denkbaar ten gunste van overheidsbemoeienis met de kwaliteit van het onderwijs, met studeerbaarheid van een opleiding, met de kwaliteit van het studentenleven, etc.

Maar studievertraging als 'moral hazard'-probleem (misbruik maken van de situatie) is opgelost op het moment dat de student geconfronteerd wordt met de ware kosten van zijn gedrag. Subsidies zullen dan niet langer stimuleren tot ongewenst gedrag. Dat vereist in de eerste plaats kennis van de ware kosten en in de tweede plaats een adequate prijsstelling. Aan beide ontbreekt het op dit ogenblik in Nederland. Over het eerste heb ik me vaak verbaasd, maar het is een probleem dat ik niet kan oplossen; dat is werk voor accountants. Over het tweede valt wat te zeggen aan de hand van economische theorie.

Variatie in tarieven

De huidige tariefstelling in het hoger onderwijs is uitermate simpel: tegen een eenmalig tarief heb je onbeperkt recht op alle faciliteiten. Zoals in een pretpark waar je alleen entree betaalt en vervolgens gratis van alle attracties mag genieten. Maar de mogelijkheden tot differentiatie zijn natuurlijk vrijwel onbeperkt: elke combinatie van entreegeld en prijs per faciliteit is mogelijk. Een efficiente tariefstelling zet de prijs per attractie gelijk aan de marginale kosten en heft een toegangsprijs om verliezen te dekken, als een heffing op het consumentensurplus. Dit zou betekenen dat de student niet alleen een vast collegegeld per jaar betaalt, maar ook een afzonderlijke prijs betaalt per gevolgd hoorcollege, oefencollege, afgelegd examen, consult van de studieadviseur, gebruik van de bibliotheek, computerfaciliteiten, studieruimte, etc. Precies zoals in het ziekenhuis per verrichting wordt afgerekend.

De voordelen voor een efficiente bedrijfsvoering en efficiente keuze van de studenten zijn voor een econoom te evident om op te schrijven. Het wordt zelfs mogelijk om de tarieven te differentieren naar kwaliteitsklassen, waardoor goede docenten hun eigen bonussen kunnen verdienen. In ieder geval zal zo het probleem van studierendement uit de beleidsportefeuille verdwijnen: de kosten zijn voor rekening van de vertrager, niet voor de belastingbetaler.

Gedifferentieerde tariefstelling lijkt me met inschakeling van een goede accountant en een goede informaticus uitstekend uitvoerbaar. De meeste problemen zijn in het ziekenhuis al opgelost: met de collegekaart als ponsplaatje lijkt me veel infrastruktuur direct kopieerbaar. De gewenste mate van detaillering zal afhangen van doelstellingen en uitvoeringskosten. Ik kan me als eindprodukt heel goed een overzichtelijke tariefstruktuur voorstellen. Een basistarief dat recht geeft op basisfaciliteiten: toegang tot de universiteit, de bibliotheek, algemene informatie. En collegekosten afgerekend bij inschrijving voor een tentamen. Wie zich inschrijft voor een tentamen betaalt dan achteraf voor het onderwijs dat hij heeft kunnen volgen. Toegang tot de colleges kan in principe natuurlijk afzonderlijk worden geprijsd, maar dat vereist dan wel een toegangspoortje bij de collegezaal. Differentiatie van basistarief en examen/collegegeld kan onbeperkt worden toegepast. Er kan een malussysteem worden ingevoerd als men trage studenten wil weren, door het basistarief afhankelijk te stellen van het aantal studiepunten in het vorige studiejaar. Het tentamengeld kan oplopen naarmate men vaker voor hetzelfde vak inschrijft. Maar de tarieven kunnen ook dalen voor recidivisten als de accountant duidelijk maakt dat ze minder kosten dan eerstelingen. Kortom, met een goede accountant en correcte gedifferentieerde tariefstelling gaat een wereld aan mogelijkheden open.

Om het probleem van moral hazard op te lossen moeten marginale tarieven gelijk zijn aan marginale kosten. Examen doen in een vak kan dan misschien wel 1000 of 1500 euro kosten. Ik kan me niet voorstellen dat dit geen invloed heeft op het aantal keren dat een student een vak wil volgen. Maar als een student dat vak toch drie keer wil volgen is dat geen enkel probleem omdat hij (of zij) het zelf betaalt.

Voucher

Om dit systeem uit te voeren moeten de subsidies op onderwijs niet direct van de overheid naar de instellingen stromen, maar via de student. Dit kan eenvoudig via een vouchersysteem. Een student die zich wil inschrijven voor een bepaalde studierichting, krijgt een voucher voor een bedrag gelijk aan de kosten van een normstudie verminderd met het bedrag dat men de student zelf wil laten betalen. Zo kan een student voor een normstudie van 6 vakken per jaar a 1500 euro en 500 euro basistarief bijvoorbeeld een voucher krijgen voor 8000 euro en daarmee impliciet een collegegeld betalen van 1500 euro. Lankmoedigheid kan worden ingebouwd, met ruimte voor herhaling van een of meer vakken, maar dan wordt willens en wetens verwatering geschapen.

Met marginale tarieven gelijk aan marginale kosten en dus ongesubsidieerde marginale consumptie zijn we verlost van het oneigenlijke probleem van de langstudeerder. Als de vertrager zijn eigen lasten draagt is hij net zo min een beleidsprobleem als de cinofiel die zes keer dezelfde film wil zien.

Bron foto: Flickr.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik