Back

Artikel

Home

Komt een topeconoom op tv…

6 okt 2015
Dossiers: Eurocrisis
Onderwerpen: Economisch denken

Zijn de lessen van de crisis wel geleerd? En wat merken we daarvan in het academische economieonderwijs. In de Socrateslezing  'Hoogmoed, kennis en crisis - zijn de lessen geleerd?' neemt Ewald Engelen de economen de maat en ziet nog veel te veel zelfgenoegzaamheid en hoogmoed onder het economenvolk. Het is 'business as usual'. Een interdisciplinaire aanpak en het luisteren en toepassen van oude economische wijsheden zijn daarbij onontbeerlijk.

This stuff is so esoteric that the only people who understand it are in the business
Can you imagine the people on a march against finance?
The guy on a megaphone shouting:What do we want?
And everyone answering: Specific curbs on short selling in certain circumstances!

Zia Haider Rahman,
In the Light of What We Know

Amsterdam, een mooie nazomerse zondag, bijna zeven jaar na het ontbranden van de grootste financiële crisis sinds de jaren dertig. Onze topeconoom gaat in het wekelijkse discussieprogramma Buitenhof in debat met twee pas afgestudeerde vertegenwoordigers van Rethinking Economics, een uit Manchester overgewaaid studenteninitiatief om het economieonderwijs diverser en relevanter te maken.

Teveel mathematica, teveel modellen, te weinig empirie en te weinig tegenspraak zouden volgens Rethinking Economics hebben geleid tot een economische wetenschap die zich te weinig bewust was van haar eigen blinde vlekken. Daarmee is zij er mede verantwoordelijk voor geweest dat niemand in de smiezen had dat er in het mondiale financiële stelsel een uiterst wankele schuldenpiramide werd gebouwd. Of zoals Koningin Elizabeth zich in november 2008 bij de opening van een nieuw gebouw van de London School of Economics afvroeg: why did no one see it coming?

Terug naar de studio. De eerste vraag is voor de studenten: wat zijn jullie bezwaren? De eenzijdigheid van het economieonderwijs en de grote kloof tussen academische economiebeoefening enerzijds en prangende maatschappelijke kwesties anderzijds. Dat is de kern. Dan krijgt onze topeconoom het woord. Onderuitgezakt begint hij aan een minutendurende monoloog. Luister even mee:

`Zo’n 98 procent van de economen beoefent de mainstream economie. Daarnaast heb je nog zo’n dertig andere stromingen. Je hebt de Islamitische economen, de feministische economen (smalend lachje), de Oostenrijkse economen, de post-Keynesiaanse economen, noem ze maar op. En de vraag is: moeten we die ook betrekken in het curriculum? Persoonlijk lijkt me dat niet zo’n heel goed idee, juist omdat die mainstream al zo ontzettend divers is.`

Bam, weg bezwaren. Vervolgens gaat onze topeconoom in de tegenaanval:

"Die groep van afsplitsingen, de heterodoxe economen, zoals we die ook wel noemen, dat is eigenlijk een groep die zich wil onttrekken aan de tucht en discipline van de mainstream. Er zijn congressen, er zijn toptijdschriften, daar stuur je je werk heen, zo gaat dat bij alle wetenschappen, het is heel erg lastig om er in te komen, meestal bij de top vijf tijdschriften wordt maar drie, vier procent geaccepteerd, en als je wordt afgewezen kan je een treetje lager gaan, terwijl van die heterodoxen die willen er eigenlijk niets mee te maken hebben, die richten hun eigen tijdschriften op, en je ziet het een beetje bij andere wetenschappen gebeuren, je ziet het in de biologie met Intelligent Design (weer dat smalende lachje), in de klimaatwetenschap heb je ook een groep sceptici…'

[en dan valt de interviewer hem in de rede: het heeft te lang geduurd en het is te weinig gedoseerd voor een goed tv-debat].

Wat hier gebeurt, is illustratief voor waar ik het over wil hebben. Ondanks de aantoonbare medeverantwoordelijkheid van de economische wetenschap, breed gedefinieerd, voor een financiële crisis die volgens de leerstukken van de meest prestigieuze sub-discipline binnen de economie, de financiële economie, nooit had mogen gebeuren, is dat volgens onze topeconoom geen reden om de terechte maar onhandig geformuleerde bezwaren van zijn gesprekspartners serieus te nemen.

Neem het eerste citaat. De subtekst luidt: (i) jullie weten niet waar jullie het over hebben, (ii) diversiteit is er al bij de vleet, en (iii) je bent niet wijs als je onderwijs wil volgen in exotische takken van economiebeoefening als de Islamitische, de feministische economie of, per implicatie, de post-Keynesiaanse of Oostenrijkse economie. Want dat is wat onze topeconoom deed. Door gerespecteerde stromingen als de Oostenrijkse school (Menger, Hayek, Schumpeter) en de post-Keynesiaanse school (Mynski, Arestis, Dow, Skidelsky) spottend in een adem te noemen met in de ogen van de gemiddelde econoom onzinnige vertakkingen als de Islamitische of feministische economie (de homo economicus blijft immers homo economicus, ongeacht of hij nou vrouw of moslim is, een rok draagt of weigert rente te vragen) maakt hij ze handig verdacht.

Het tweede deel van het citaat is zo mogelijk nog illustratiever. Hier bestaat de topeconoom het om de eerder genoemde stromingen ‘afsplitsingen’ van de neoklassieke stam te noemen. Dit is de wereld op zijn kop. Pas in 1871 ontstond wat nu neoklassieke economie heet. Voortbordurend op het utilitarisme van Jeremy Bentham en James Mill schoeiden in dat jaar onafhankelijk van elkaar de Fransman Walras, de Brit Marshall en de Oostenrijker Menger hun economische theorieën op de leest van rationeel kiezende individuen en werd economie meer en meer een theorie van prijsvorming op markten. Vraag- en aanbodverhoudingen kwamen centraal te staan, niet langer de daadwerkelijke productie en consumptie van goederen en diensten door overheden, huishoudens en bedrijven. Dat werd afgeschoven naar de politieke economie, de sociologie en de bedrijfskunde. En dat heeft wel degelijk tot verschraling en ont-empirisering van de economie geleid.

Belangrijker is echter dat het tot ver na de Tweede Wereldoorlog zou duren voor de economie als keuzetheorie de andere takken van economiebeoefening had gemarginaliseerd. En anders dan onze topeconoom suggereert, was dat niet de uitkomst van een sociaal-darwinistische strijd om het voortbestaan, resulterend, als door een onzichtbare hand gestuurd, in wetenschappelijke vooruitgang. Maar had het alles te maken met de algehele naoorlogse Amerikanisering van de wetenschapsbeoefening, die de economiefaculteiten van een drietal Amerikaanse eliteuniversiteiten (Harvard, MIT en Chicago), door simpelweg meer financiële middelen, betere netwerken en grotere toegang tot gezaghebbende organisaties als het IMF en de Wereldbank (de ‘Washington Consensus’) en controle over twee huistijdschriften (Quarterly Journal of Economics (Harvard) en Journal of Political Economy (Chicago)), in staat hebben gesteld de academische economiebeoefening te transformeren van een bont geschakeerde archipel in een strak hiërarchisch geordend ‘veld’ waarin een handjevol poortwachters met succes waakt over de ‘wetenschappelijke’ zuiverheid van de discipline.

En met een beroep op ‘wetenschappelijke kwaliteit’ krijgen dan flink wat impliciete politieke voorkeuren hun ‘niet-ideologische’ zegen, terwijl omgekeerd andere politieke voorkeuren als ‘ideologisch’ worden buitengesloten. Neem de financiële economie, voor de crisis met vijf quasi-Nobelprijzen de parel aan de kroon van de economische discipline en sinds begin jaren tachtig uitgegroeid tot de meest geciteerde subdiscipline binnen de economie. In de jaren zestig en zeventig tot ontwikkeling gekomen aan Amerikaanse business schools en zich daar over typisch bedrijfsgerelateerde vraagstukken buigend, is de basis van de subdiscipline het leerstuk van perfecte financiële markten die betrouwbare prijzen genereren voor alle mogelijke toestanden van de wereld op basis van de universele beschikbaarheid van alle prijsrelevante informatie.

Het onderzoeksprogramma van de financiële economie bestaat vervolgens uit het aanleggen van een lange en groeiende lijst van empirische afwijkingen van deze theoretische norm en het doen van aanbevelingen hoe deze afwijkingen kunnen worden weggenomen (door overheden) of kunnen worden weggearbitreerd (door beleggers en bankiers). Resten ervan steken dan ook op allerlei plekken door de wetsteksten heen die de afgelopen decennia wereldwijd de deregulering en liberalisering van financiële markten hebben afgedwongen, onder het motto: hoe minder marktverstoringen, hoe perfecter de markt en hoe efficiënter de allocatie van kapitaal, winst en risico.

In het licht van wat we nu weten, is het duidelijk dat dit rampzalige politieke voorkeuren bevatte, die het Westerse kapitalisme naar de rand van de afgrond hebben gebracht, de publieke status van banken, politiek, toezicht en de academische economiebeoefening zwaar hebben beschadigd, en huishoudens hebben opgezadeld met de last om tot in lengte van jaren krankzinnige bedragen op te hoesten om de budgettaire gaten geslagen door onverantwoordelijke bankiers en gegijzelde politici te dichten.

En dus had ik als redelijk geïnformeerde buitenstaander een veel grotere bereidheid van onze topeconoom verwacht om het eigen disciplinaire verleden te onderzoeken, de eigen vooronderstellingen te onderzoeken en eindelijk een keer uit het zelfgekozen isolement te breken en aan te horen wat politicologen, sociologen, antropologen en – ja ook – geografen over de crisis te melden hebben. In plaats daarvan zijn Leerstoelen Geschiedenis en methodologie van de economie opgedoekt, worden de spaarzame sociale wetenschappers die zich academisch én publiekelijk uitlaten over economische onderwerpen genegeerd of belachelijk gemaakt, worden constructieve pogingen om de discipline te herijken arrogant van tafel geveegd, en wordt het antropologische werk van bijvoorbeeld Joris Luyendijk badinerend weggezet als 'koffie drinken met bankiers', zoals onze topeconoom bij Buitenhof deed. En bovenal had ik van onze topeconoom veel minder hubris en veel meer bescheidenheid verwacht; dat zijn discipline net als de rest van de mensheid maar wat aanklooit, had de crisis immers afdoende geïllustreerd.

* * *

We leven meer dan ooit in een Econocratie: een wereld waarin beheersing van het financieel-economische taalspel het toegangskaartje is voor de toppen van politiek, toezicht, banken en bedrijfsleven. De vraag is dan ook of wij ons wel voldoende rekenschap hebben gegeven van het massale, massieve kennisfalen dat de Grote Financiële Crisis ook is geweest. Toegegeven, ook de Econocraten hebben het (een beetje) moeten ontgelden. Denk aan de onthutsende interviews met economen als Frederic Mishkin en Martin Feldstein in Inside Job. Of de gênante vormen van zelfverrijking waar academici als Larry Summers zich voor de crisis aan hebben bezondigd, die Inside Job ook aankaartte. Of denk hier te lande aan publicaties van Rutger Bregman en Jesse Frederik van De Correspondent die vraagtekens plaatsen bij de integriteit van al die economen, accountants, fiscalisten en juristen die met hun deeltijdleerstoel vooral hun private belangen een academisch sausje lijken te willen geven.

Maar als ik het heb over kennisfalen heb ik meer op het oog dan de blinde vlekken van een paar economen, hoe invloedrijk hun wereldbeeld op politiek en publiek debat ook is en hoe groot hun rol bij het veroorzaken van de crisis ook is geweest. Daarmee doel ik op het veel bredere onvermogen van zowel academici, publieke intellectuelen als de media om waarheid tegen financiële macht te durven spreken en, net als in het sprookje van Andersen, te onthullen dat de bankier en zijn bankeconoom, de toezichthouder en zijn beleidseconoom, de politicus en zijn economische adviseur keizers zonder kleren zijn.

Te vaak bleken academische economen insiders die tegen betaling de theoretische legitimering verzorgden bij beleid dat vooral de belangen van grootbanken diende. Teveel hebben academici uit andere sociaalwetenschappelijke disciplines zich neergelegd bij een arbeidsdeling die onderzoek naar de economie tot het exclusieve domein van de academische econoom maakte, daarmee een lange geschiedenis van vruchtbare grensconflicten (ik noem Marx, Weber, Veblen, Polanyi) onder het tapijt vegend. Te vaak bleken publieke intellectuelen de gevangenen van hun geesteswetenschappelijk paradigma en lieten zij zich door het numerieke jargon van de econoom afschrikken en trokken zij zich terug op de culturalistische debatgronden van voor de crisis. En teveel bleek de pers kortademig, bevangen door een dagelijkse waan die alles te maken had met een wanhopig gevecht om een slinkende schare kijkers, luisteraars, lezers. Terwijl de financiële pers leidde aan het Stockholm syndroom en zich te veel had vereenzelvigd met het zo op het oog hyperrationele, hypercompetente wereldbeeld van de supranationale financiële elite: mogen aanschuiven bij de groten der aarde doofde maar al te vaak de kritische vermogens.

En dus kregen de apodictische claims van economen, bankiers, toezichthouders en politici van voor de crisis dat Econocratië toch echt de beste van alle mogelijke werelden was geen enkel weerwerk. Sterker, met van respect en eerbied knikkende knieën werden de economische liturgieën als waren het de woorden Gods zelf, aangehoord, opgetekend en gereproduceerd. Een bloemlezing:

De president van de Amerikaanse centrale bank, Alan Greenspan in 1999:
‘Deze instrumenten [derivaten] vergroten de capaciteit om te differentiëren tussen verschillende soorten risico’s en die risico’s te alloceren over verschillende beleggers. Deze ontbundeling stelt financiële markten beter in staat om de risicovoorkeuren van afnemers te bevredigen dan voor de introductie van derivaten mogelijk was. De verdere perfectionering van financiële markten die hier het gevolg van is, verfijnt het allocatiemechanisme van kapitaal en helpt producenten die goederen en diensten te bieden die afnemers wensen. Dit heeft ontegenzeggelijk bijgedragen aan de productiviteitsgroei en de nationale welvaart.’

De Britse minister van Financiën, Gordon Brown, bij de opening van het nieuwe Londense hoofdkantoor van Lehman Brothers, in 2004, tegen Dick Fuld:
‘Ik wil graag mijn eer bewijzen aan de bijdrage die jij en jouw bedrijf aan de welvaart van ons land hebben geleverd. Gedurende zijn 150-jarige bestaan is Lehman Brothers altijd een vernieuwer geweest, die nieuwe ideeën en vindingen financierde voordat anderen er de potentie van ontdekten.’

De Amerikaanse econoom en voormalig adviseur van Clinton en Obama, Larry Summers, in 2005, in respons op een kritisch paper van de Indiase econoom, Raghu Rajan, getiteld: Has Financial Development made the World Riskier?:
‘Ik spreek als een bekeerling, als een voormalige voorstander van de Tobin taks, en als iemand die veel van financiële markten heeft geleerd van Alan Greenspan, en die de onderliggende, technofobe toon van het paper [van Rajan] grotendeels onzinnig vind. […] De beste manier van denken over financiële innovatie is het te vergelijken met de perfectionering van een transportsysteem, in dit geval niet om ruimte te overbruggen maar verschillende toestanden van de wereld. Het lijkt mij dat wat er op dat gebied de afgelopen jaren is gebeurd overwegend positief is geweest. Het is waarschijnlijk correct dat een evoluerend financieel stelsel een evoluerend toezichtsantwoord nodig heeft. Maar ik hecht er aan er op te wijzen dat we zeer voorzichtig moeten zijn met het benoemen van de gevaren van deze evolutie, gezien de veel grotere positieve aspecten ervan.’

De Amerikaanse minister van Financiën, Timothy Geithner, in 2006:
‘Financiële instellingen zijn steeds beter in staat om financiële risico’s te meten en beheersen. Risico’s zijn meer en beter gespreid, over een grotere groep van financiële intermediairs. Deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan een substantiële verbetering van de financiële kracht van de sleutelintermediairs en van de flexibiliteit en veerkracht van het financiële stelsel in de VS.’

De opvolger van Greenspan, Ben Bernanke, in de zomer van 2007, een maand voor de Franse bank BNP Paribas twee gelieerde beleggingsfondsen op de eigen balans moest nemen omdat de verpakte hypotheken waarin ze hadden belegd teveel van hun waarde hadden verloren:
‘We moeten niet vergeten dat een gezonde en innovatieve financiële sector enorme economische voordelen met zich meebrengt. De groeiende innovativiteit en diepte van financiële markten zorgt voor meer economische groei door kapitaal zo te alloceren dat het terecht komt waar het het produktiefst is. […] Daarom moeten er bij nieuw en beter toezicht altijd voor zorgen de voordelen van meer financiële innovatie te behouden en de nieuwe risico’s die die innovaties mogelijkerwijs introduceren afzonderlijk te adresseren.’

De president van De Nederlandsche Bank, Nout Wellink, in diezelfde onheilszwangere zomer van 2007:
‘Een marktgeoriënteerde en liberale financiële sector leidt tot een efficiënte allocatie van schaarse hulpbronnen en produceert daarmee economische voorspoed. Bovendien heeft de financiële sector snelle technologische veranderingen ondergaan, resulterend in een tomeloze groei aan nieuwe financiële producten en diensten, en een steeds geavanceerder risicomanagement.’

De president van de Britse centrale bank, Mervyn King, in – weer – de zomer van 2007:
‘Securitisatie [het verpakken van hypotheken] heeft banken getransformeerd van instellingen die leningen tot aan het einde van hun looptijd op hun balans lieten staan in instellingen die kredietrisico’s distribueren over een veel groter aantal beleggers. Als gevolg daarvan zijn deze risico’s niet langer geconcentreerd bij een klein aantal grootbanken maar verspreid over het financiële systeem. Dat is een positieve ontwikkeling omdat het de marktfalen horend bij het oude bankmodel – de discrepantie tussen illiquide bezittingen en liquide verplichtingen – verregaand heeft beperkt.’

Zoals we tot onze grote schrik hebben ervaren, bleek het in die vermaledijde herfst van 2008 allemaal net wat anders in elkaar te steken dan de Econocraten ons hadden voorgespiegeld. Geen spreiding van risico, maar medogenloze concentratie. Geen superieur risicomanagement, maar tenenkrommend amateurisme. Geen veerkracht, maar extreme kwetsbaarheid. Geen adequate macro-economische beleidsrespons, maar diepe, existentiële verwarring. Geen groei, maar een depressie gevolgd door een recessie die alle vermeende innovatiewinsten van voor de crisis weer even hard ongedaan heeft gemaakt. Rajan had in augustus 2005 gewoon keihard gelijk: Financial development had made the world much more riskier.

En anders dan in de kinderbescherming, waar falen van deze omvang onherroepelijk tot strafrechtelijke vervolging zou hebben geleid, heeft geen der verantwoordelijken er een boterham minder om gegeten, laat staan er een dag minder om in vrijheid geleefd. Bernanke is nu de beschermheilige van de centrale bankierskaste en beunt bij als adviseur van Citadel, een hedge fund met 25 miljard dollar onder beheer. Wellink adviseert een Chinese staatsbank. Geithner heeft zichzelf voor een onwaarschijnlijk bedrag uitgeleverd aan het New Yorkse private equity fonds Warburg Pincus. En Summers profileert zich sinds zijn mislukte poging om Bernanke op te volgen als Freischwebende Intelligenz en debiteert als hoogleraar economie aan Harvard nog even unverfroren als voor de crisis zijn standpunten. Zij het dat het nu standpunten zijn waar hij vroeger nog niet dood naast aangetrofen zou hebben willen worden. En schnabbelt bij als commissaris bij een hedge fund, bankgigant Citigroup en de Nasdaq effectenbeurs.

* * *

Daarmee wil ik niet suggereren dat er niets is gebeurd. Van alle ‘vergeten’ economen die sinds de crisis zijn herontdekt, zijn Keynes en Mynski veruit de belangrijkste. Uit het curriculum geschreven in de vijftien jaar voor de crisis door de fundamentalisten die meenden dat dé markt het pleit definitief had beslecht, heeft Keynes sinds de crisis op Internet, in media en boekhandels een terechte come back gemaakt. En ook Mynski, met zijn fasentheorie van financiële waanzin, mag zich terecht op een herontdekking onder de cognoscenti verheugen. De Nederlandsche Bank heeft sinds een aantal jaar zelfs haar eigen huis-Mynskiaan in dienst, net zoals de Bank of England huisintellectueel Andrew Haldane de vrije hand heeft gegeven om te bouwen aan een indrukwekkend oeuvre van onorthodoxe publicaties gebaseerd op heterodox denkwerk.

Al even verheugend is de hernieuwde aandacht voor economische geschiedenis. Ondanks twee faux-Nobelprijzen in 1993 grotendeels weggepoetst uit het curriculum toen de economische discipline na de val van de Berlijnse muur zich net als dr Pangloss in de beste van alle mogelijke werelden waande, is het vakgebied door de crisis weer helemaal terug van weggeweest. Dat heeft uiteraard alles te maken met de schaal van onze catastrofe, die nu eenmaal schreeuwt om vergelijkingen met de Grote Depressie van de jaren dertig. Zelfde oorzaak, even diep, even lang, en in het geval van Nederland zelfs langer. En dus gaat het werk van Peter Temin, Barry Eichengreen, Charles Kindleberger, Milton and Rose Friedman, John Kenneth Galbraith en van Bernanke zelf er weer in als koek. En hameren academische economen in koor op het belang van economische geschiedenis voor een goede, lees: meer contextgevoelige economiebeoefening.

Cognitieve winst is er ook te begroeten op het Internet. Terwijl sociologen, geografen en politicologen zo goed als onzichtbaar zijn op Twitter en Facebook, floreert sinds de crisis de economische blogosphere. Vrijwel iedere zichzelf respecterende econoom heeft een blog en gebruikt die om omgevraagd de laatste mutaties van de crisis bijna live van kritisch commentaar te voorzien en deze via Twitter en Facebook wereldkundig te maken, daarmee geïnteresseerde burgers een dienst bewijzend die democratisch van onschatbare waarde is. Paul Krugman en Yannis Varoufakis danken er hun mondiale mediasucces aan.

Hulde ook voor het IMF. Ooit verguisd vanwege zijn slagersrol in Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië, baart de eigen onderzoeksafdeling sinds kort het ene na het andere rapport dat economische heilige huisjes rücksichtslos naar de schroothoop der geschiedenis verwijst. De aanpak van de Griekse crisis was desastreus, en dat lag aan het begrotingsfundamentalisme van ECB en Europese Commissie. Ongelijkheid is slecht voor de economische groei. Een te grote financiële sector remt economische ontwikkeling. Flexibilisering van de arbeidsmarkt beschadigt het verdienvermogen van economieën op de lange termijn. Om er een paar te noemen. En daarmee is het IMF nu al een paar jaren progressiever dan de Pvda.

En ja, Alan Greenspan heeft in een verhoor van een Amerikaanse senaatscommissie toegegeven dat zijn wereldbeeld verkeerd was. En ja, Larry Summer pleit sinds kort voor meer vakbondsrechten om de groeiende inkomens- en vermogensongelijkheden te lijf te gaan. En ja, ongelijkheid is ook door Summers, in navolging van Atkinson, Piketty en Stiglitz, uitgeroepen tot het prangendste probleem van onze tijd. En ja, de Hongaarse multimiljardair, hedge fund-eigenaar en breker van de Britse centrale bank, George Soros, heeft met het Institure for New Economic Thinking en zijn fantastische jaarcongressen, waar alles wat fris en fruitig is in de economie maar toch een pak draagt zijn inzichten presenteert, een belangrijke bijdrage geleverd aan het vergroten van de respectabiliteit van de heterodoxe economiebeoefening.

Maar de academische economiebeoefening zelf, die genesteld in de top van de kennispiramide de toon van het financieel-economische taalspel bepaalt, is sinds de crisis nauwelijks veranderd. De enige aanwijsbare vernieuwing is de opkomst van de gedragseconomie, die toegepast op de financiële economie ‘behavioral finance’ heet: een al langer bestaande combinatie van economie en sociale psychologie, die de psychologen Kahneman en Tversky in 2002 de nep Nobelprijs opleverde. De grote aandacht voor de rol van emoties, cognitieve oogkleppen en vuistregels vergoot ontegenzeggelijke de gedragsaannames van de economie.

Toch heb ik er bedenkingen bij. Ten eerste reproduceert het werk van Kahneman en Tversky het individualistiche perspectief op de economische werkelijkheid dat de economie al zo lang parten speelt. Politiek, instituties, social normen, ideëen – ze komen in het universum van de economische wetenschap alleen voor als prikkels die het keuzegedrag van actoren beïnvloeden. En dat is in Kahneman’s sociale psychologie niet anders. Toegepast op de financiële crisis levert dat een buitenproportionele aandacht op voor de rol van hebzucht, kuddegedrag en zelfoverschatting en verdwijnen zaken als macht, politiek, retoriek en ongelijkheid uit beeld.

De documentaire BoomBustBoom van Terry Jones en Theo Kocken, hoogleraar financiële economie aan de VU, is er een treffende illustratie. Ja, er was hebzucht, kuddegedrag en zelfoverschatting. Maar er was ook een ongekende onderlinge vervlechting. Er was ook ongelooflijk laks toezicht. En er was vooral een onvoorstelbaar grote hoeveelheid burgers die wereldwijd in de twintig tot vijftien jaar voor de crisis verslaafd waren geraakt aan bancaire schulden om daarmee de schimmige droom van het eigen huizenbezit na te jagen. En er was ook een massieve bancaire lobby die overheden zo gek heeft gekregen om burgers wereldwijd te transformeren in debiteuren die in tijden van crisis konden worden misbruikt om overheden te chanteren om de rekening van het gelach te betalen. En dat maakt ‘onze’ crisis toch echt tot een andere dan al die eerdere crises waarmee BoomBustBoom het falen van de Econonocraten bagatelliseert.

En zo zijn de pathologieën van de academische economiebeoefening dezelfde gebleven. De vanzelfsprekendheid waarmee de academische econoom de eigen conventies voor universele normen van wetenschappelijkheid houdt en inzichten uit andere disciplines als onwetenschappelijk afwijst. Het gemak waarmee aan mijn eigen Alma Mater de kosten van de financiële incompetentie van economische faculteitsbestuurders zijn afgewenteld op de uitmuntend presterende vakgroep Geschiedenis en Methodologie van de Economie: opgeheven, twee jaar na het uitbreken van de crisis. Het gebrek aan intellectualiteit. De geringe belezenheid. De arrogantie, de hubris het machismo: zeventig procent van de academische economen is man. Het gebrek aan zelftwijfel, zelfonderzoek, aan filosofische reflectie op de grondslagen van de eigen discipline. Het ingenieurendom: 'de politiek gaat over de doelen, wij gaan over de middelen'. De trotse viering van het eigen isolationisme: geen discipline met minder verwijzingen naar andere disciplines dan de economische. De doofheid voor de terechte klachten van studenten over het anemische karakter van economie als mathématique manquée. Zeven jaar na de crisis zijn dat nog altijd de kenmerken.

En natuurlijk helpt het overdreven ontzag van de media voor de vermeende expertise van de econoom daar niet bij. Volgens LexisNexis hebben Nederlandse media sinds 1980 zo’n duizend maal het adjectief ‘topeconoom’ gebruikt. De eerste keer was in 1991. Toen viel Larry Summers die eer te beurt. Tot aan de crisis is het adjectief een ruime driehonderd keer gebruikt. Met de crisis ging het hek pas goed van de dam. Meer dan zevenhonderd keer heeft sindsdien een Nederlandse journalist een econoom ‘top’ genoemd; een eer die in diezelfde periode maar vijf sociologen, geen enlele politicoloog en antropoloog, vijf historici, zes filosofen (waaronder Cruijff) en geen enkele geograaf te beurt is gevallen.

* * *

Obama’s consiglieri, Rahm-Emanuel, oreerde na het bankroet van Lehman Brothers dat we de kansen op hervorming die een goede crisis biedt niet moeten verkwanselen: never let a good crisis go to waste. Helaas is dat wel gebeurd en dreigt deze grote crisis de geschiedenis in te gaan als de crisis van de gemiste kansen. De huizenprijzen stijgen weer, de hypotheeklast groeit, de bancaire sector heeft in Brussel via de Kapitaalmarktunie afgelopen woensdag alweer lagere kapitaaleisen voor verpakte hypotheken weten af te dwingen, schaduwbankieren heet sinds juni vorig jaar marktfinanciering, en het kabinet hoopt dat het veel te trage en veel te late economische herstel in 2017 (of eerder) desalniettemin tot verkiezingswinst zal leiden.

De Britse antropologe en journaliste, Gillian Tett, heeft er op gewezen dat technocratie, jargon en overcomplexiteit een financiële wereld hebben gecreëerd waar democratie geen greep op heeft. Het is de ontpolitiseerde, ontdemocratiseerde sociale stilte die over de bancaire sector hing, die het bancaire wangedrag voor, in en na de crisis mede mogelijk heeft gemaakt. Samenlevingen als de onze zijn derhalve gedoemd de fouten uit het verleden te herhalen als we niet voldoende intellectuele tegenmacht weten te mobiliseren. Nimmer was de mate van financialisering van ons dagelijks leven zo groot; pensioen, hypotheek; private equity in kinderopvang, vuilverwerking en het grootwinkelbedrijf; vastgoed en derivaten in de semi-publieke sector; aandeelhouderswaarde en belastingontwijking in het grootbedrijf. En nimmer was de financiële geletterdheid zo klein. En dan bedoel ik niet dat je rente-op-rente snapt. Dan bedoel ik dat je een gezond wantrouwen koestert jegens de verkooppraatjes waarmee de bancaire sector, ingefluisterd door economen en onweersproken door journalisten, ons, onze toezichthouders en onze politici ervan probeert te overtuigen dat de status quo de beste van alle mogelijke werelden is.

Geïnstitutionaliseerde argwaan dus, liefst geschraagd door een forensisch ethos: Waar gaat het geld heen? Wie wordt er rijk van? Wie betaalt het gelag? Hoe wordt het verdiend? Hoe wordt dat verdoezeld? En, vooral, hoe wordt het gelegitimeerd? Wat zijn de metaforen, gelijkenissen en verhalen waarmee hebzucht van zijn politieke angel wordt ontdaan? Wie vertelt die verhalen? Waarom vertellen zij die verhalen? Wat is hun belang?

Begrijp me niet verkeerd: het wordt gedaan. Neem de grote journalistieke onderzoeksproducties van NRC Handelsblad, Vrij Nederland en de Groene Amsterdammer; kijk naar de muckraking van Internetplatforms als Follow-the-Money en De Correspondent; of neem de kritische reportages en documentaires van Radar, Zembla, Argos en Nieuwsuur. Maar het is allemaal te incidenteel, graaft vaak niet diep genoeg, en, vooral, vergeet de structurele, maatschappelijke voorwaarden voor de misstanden die zij aan de kaak stellen bloot te leggen.

Libor is niet een op zichzelf staande gebeurtenis, maar komt voort uit een door en door verrotte bancaire cultuur, die zelf weer het effect is van financialisering: een economische orde waarin financial engineering profijtelijker is dan het maken van goederen en diensten die de reële behoeften van burgers dienen. En het ontstaan van die orde heeft alles te maken met de erosie van de onderhandelingsmacht van de factor arbeid als gevolg van het politieke besluit, eind jaren zeventig genomen, om grootbedrijven en grootbanken verregaande mobiliteitsprivileges te geven zonder daar maatschappelijke voorwaarden aan te verbinden.

Dàt blootleggen vereist een andere taakopvatting van media en academia dan hun huidige. Voor media: niet amuseren, maar informeren; niet verpozen maar aanklagen; niet aanschurken tegen de macht maar de macht unverfroren de waarheid zeggen; niet de levensstijl van de abonnees kietelen maar ze tegen de haren in strijken. Voor Academia: niet dienstbaar zijn aan overheid, arbeidsmarkt, grootkapitaal en die bespottelijke ranglijstjes waarmee bestuurders mooie sier maken, maar aan burgers. Als er namelijk iets is waaraan burgers in het gefinancialiseerde kapitalisme van vandaag de dag behoefte hebben, is het een constante, onverbiddelijke, nietsontziende kritiek van de status quo. Dat kan alleen als we die kraamkamer van intellectualiteit, de universiteit, transformeren van een technocratenmachine in een instelling waar waarheidssprekers worden gevormd, of parrèsiastès, zoals Michel Foucault ze noemde.

Foucault zegt over deze waarheidssprekers dat de waarheid van hun uitspraken gewaarborgd is door hun oprechtheid, hun integriteit en hun moed. Wat zij uitspreken wijkt af van wat de meerderheid gelooft, van de communis opinio, en is daarmee in potentie gevaarlijk voor de waarheidsspreker zelf. Vandaar Foucaults nadruk op deugden en karaktervorming. Vrij naar Luther: hier sta ik, dit zeg ik, ik kan niet anders. Tegelijk is de ongemakkelijke waarheid die de parrèsiastès uitspreekt van eminent belang voor de vitaliteit van elk democratisch leven; de waarheid die zij spreekt, kan de gemeenschap behoeden voor collectieve dwalingen.

Wat zou het fraai zijn als dat de missie van economieopleidingen was. Niet langer gelobotomiseerde technocraten opleiden die het financieel-economische taalspel voldoende beheersen om toegelaten te worden tot Econocratië. Maar studenten kneden tot waarheidssprekers die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, geïnformeerd door het emancipatoire inzicht dat de status quo niet aan natuurwetten beantwoordt maar een mensenmaaksel is en dus veranderd kan worden, wat zeg ik: moet worden.

* Dit is de integrale weergave van de Socrateslezing die Ewald Engelen op 4 oktober 2015 in de Rode Hoed heeft gegeven. Voor meer informatie over deze lezing: www.socrateslezing.nl

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik