Back

Artikel

Home

Kleuters met achterstand hebben baat bij voorschoolse educatie

29 mrt 2016
Onderwerpen: Onderwijs en wetenschap
De internationale literatuur vindt positieve effecten van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) op cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van kinderen met een achterstand. Het effect uit de Nederlandse literatuur is tot nu toe onbekend, omdat de Nederlandse studies kampen met methodologische problemen. Onderzoek van CPB-economen Emre Akgündüz en Suzanne Heijnen laat zien dat er ook in Nederland een positief effect uitgaat van VVE. De effectiviteit beperkt zich alleen tot jongens in kleuterklassen. Een verhoging van het VVE-budget van 95 miljoen in 2013 verlaagde de kans op zittenblijven in de kleuterklassen onder doelgroepkinderen met 1 tot 3 procentpunten.

Voor- en vroegschoolse educatie

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is bedoeld voor kinderen met een taal- en ontwikkelachterstand. Voorschoolse educatie wordt gegeven op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven aan kinderen tussen de 2 en 4 jaar en gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Doelgroepkinderen tussen de 4 en 6 jaar krijgen vervolgens vroegschoolse educatie op de basisschool. Het doel is de achterstand bij kinderen in te lopen, zodat ze hooguit met een beperkte achterstand aan groep 3 beginnen. De doelgroep wordt gedefinieerd op basis van de zogenaamde gewichtenregeling. Kinderen van laagopgeleide ouders hebben vaak leerachterstanden. Deze kinderen krijgen om die reden een leerlinggewicht, waardoor er extra middelen voor deze kinderen beschikbaar komen om de achterstanden terug te dringen. Kinderen zonder achterstand krijgen geen gewicht. Ongeveer 10 procent van de kinderen heeft zo’n leerlinggewicht. Veel gemeenten kiezen echter voor een ruimere definitie van de doelgroep dan enkel het leerlinggewicht. Zo behoren bijvoorbeeld vaak kinderen die thuis geen Nederlands spreken met hun ouders ook tot de doelgroep. Het budget voor voorschoolse educatie komt jaarlijks uit op ongeveer 254 miljoen euro.

Internationale literatuur

De internationale literatuur vindt positieve effecten van VVE-programma’s op cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van kinderen met een achterstand (Kautz et al. 2014). De effecten zijn groter bij kinderen met een grotere achterstand. In de Verenigde Staten worden al sinds de jaren zestig experimenten gedaan waaruit grote effecten blijken. Perry Preschool, dat gestart is in 1962, is een bekend voorbeeld. Door middel van loting kwamen 58 kinderen in de experimentele groep en 65 kinderen in de controlegroep terecht. Op korte termijn zijn leerwinsten te zien, maar ook op middellange en lange termijn werden positieve uitkomsten van VVE-programma’s gevonden. Kinderen die hadden deelgenomen aan voorschoolse programma’s haalden een hoger niveau op de middelbare school, bleven minder vaak zitten, namen vaker deel aan hoger onderwijs, hadden een betere gezondheid, belandden minder vaak in de criminaliteit en verdienden meer op de arbeidsmarkt. De positieve resultaten van kleinschalige experimentele onderzoeken, zoals Perry Preschool, hebben er toe geleid dat er op grotere schaal programma’s ontwikkeld werden (Elango et al. 2015). Head Start bijvoorbeeld wordt in de VS in 50 staten aangeboden. De effecten die voor Head Start gevonden worden, zijn over het algemeen positief, maar kleiner dan de onomstreden positieve effecten die gevonden zijn in de kleinschalige experimentele onderzoeken.

Nederlandse literatuur

Op basis van de Nederlandse literatuur is tot nu toe onbekend of VVE effect heeft. De meta-analyse van Fukkink et al. (2015), die zich baseert op 21 Nederlandse studies, concludeert dat er geen duidelijk waarneembare effecten van VVE uitgaan. Deze studies kampen echter met methodologische problemen doordat er geen goede controlegroepen worden gebruikt. VVE is bedoeld voor achterstandskinderen en deelname is vrijwillig. Kinderen die VVE hebben gehad worden vergeleken met kinderen die geen VVE hebben gehad, terwijl VVE duidelijk voor een selectieve groep bedoeld is. De schijnbaar negatieve resultaten van het programma, door het simpelweg vergelijken van deze twee groepen, kunnen worden gedreven door de slechtere uitgangspositie van kinderen die deelnemen aan VVE. VVE werkt dus niet de volledige achterstand weg, maar dat betekent niet dat VVE geen effect heeft gehad. De SER (2016) rapporteert, ondanks deze bevindingen, dat er positieve effecten van een toename in intensiteit uitgaan. Het niet-aangetoonde effect in Nederland is voor het CPB reden geweest om de effectiviteit te onderzoeken in lijn met de internationale methodologische standaarden.

CPB-onderzoek

Wij hebben het effect van VVE op het zogenaamde ‘verlengd kleuteren’ onderzocht. Kleuterbouwverlenging wordt gedefinieerd als het drie jaar achtereenvolgens observeren van kinderen op 1 oktober in groep 1 of 2. Met andere woorden, dit zijn kleuters die nog niet rijp zijn voor groep 3. VVE heeft als doel het voorbereiden van kinderen op groep 3. Verlengd kleuteren is een maatstaf van schoolrijpheid en kleuterbouwverlenging geeft aan in welke mate kinderen klaar zijn om te beginnen met lezen, schrijven en rekenen in groep 3. Het is dus een relevante uitkomstmaat in relatie tot VVE. Om het effect te identificeren, maken we gebruik van de verhoging van het budget voor VVE in de 37 grote gemeenten. In 2012 kregen deze gemeenten 70 miljoen euro extra en in 2013 kregen ze nog eens 95 miljoen euro meer. Het aantal plaatsen voor kinderen in het VVE is sinds de invoering van de budgetverhoging toegenomen. De behandelgroep bestaat uit gewichtenkinderen in de 37 grootste gemeenten (G37). De controlegroepen bestaan uit gewichtenkinderen buiten de G37 en niet-gewichtenkinderen binnen en buiten de G37. We gebruiken data van het CBS van 2008-2015 met gegevens van alle kinderen in basisscholen. We observeren de groepen zowel voor als na de verhoging van het budget en schatten het effect door middel van difference-in-difference-in-differences (DDD). Op die wijze kunnen we het precieze effect van de budgetverhoging voor de doelgroepkinderen schatten ten opzichte van de drie controlegroepen.

Uitkomsten onderzoek

We controleren voor individuele kenmerken die invloed kunnen hebben op kleuterbouwverlenging, zoals geslacht, geboortemaand, schoolgrootte en denominatie van de school. Verlengd kleuteren vóór de verhoging van het budget voor kinderen met een gewicht in de G37 komt gemiddeld onder 10,5% van de doelgroepkleuters voor. De resultaten laten zien dat door de verhoging van het VVE-budget de kleuterbouwverlenging met 1 tot 3 procentpunten verlaagd wordt. De resultaten gelden alleen voor jongens en de effecten zijn robuust voor verschillende testen [1]. Deming (2009) vindt ook dat de effecten van Head Start groter zijn voor jongens, wat kan komen doordat jongens op jonge leeftijd meer getroffen worden door achterstanden binnen het gezin (Bertrand en Pan, 2013). De meeste kinderen in Nederland hebben door de budgetverhoging de overgang van huis naar centrumgerichte VVE (in een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf) gemaakt in plaats van de overgang binnen peuterspeelzaal of kinderdagverblijf naar VVE. Dit kan een verklaring zijn voor de gevonden effecten in onze studie.

Conclusie en discussie

Tot nu toe werd het effect van VVE in Nederland alleen geanalyseerd met correlatiestudies. Onze CPB-studie laat echter zien dat er een positief effect is. Het gemiddeld percentage kleuterbouwverlenging voor kinderen met een gewicht in de G37 is 10,5% en de verhoging van het VVE-budget verlaagde de kans op kleuterbouwverlenging met 1 tot 3 procentpunt. Met het extra geld zijn meer kindplaatsen gecreëerd, is de kwaliteit van VVE verhoogd en vindt meer monitoring plaats. Het onderscheid tussen deze mogelijke oorzaken kunnen we op dit moment nog niet maken en hiernaar is meer onderzoek nodig.

Voetnoot

[1] We hebben verschillende zogenaamde placebotesten uitgevoerd om de validiteit van onze resultaten te bevestigen. Als we aannemen dat de subsidie in 2011 in plaats van 2012 had plaatsgevonden, vinden we geen effecten. Eveneens vinden we geen effecten als we doen alsof de subsidie naar de 37 gemeenten was gegaan met de hoogste gemeentelijke gewichten die niet tot de werkelijke G37 behoren.

Referenties

Akgündüz, Y.E. en S.M.M. Heijnen, 2016, Impact of funding targeted pre-school interventions on school readiness: evidence from the Netherlands, CPB Discussion Paper.

Bertrand, M., en J. Pan (2013). The Trouble with Boys: Social Influences and the Gender Gap in Disruptive Behavior. American Economic Journal: Applied Economics, 5(1), 32-64.

Deming, D. (2009). Early childhood intervention and life-cycle skill development: Evidence from Head Start. American Economic Journal: Applied Economics, 111-134.

Elango, S., García, J. L., Heckman, J. J., en Hojman, A. (2015). Early Childhood Education (No. 21766). National Bureau of Economic Research.

Fukkink, R., L. Jilink en R. Oostdam (2015), Met een blik op de toekomst. Een meta-analyse van de effecten van VVE op de ontwikkeling van kinderen inNederland. Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding Hogeschool van Amsterdam.

Kautz, T., Heckman, J. J., Diris, R., Ter Weel, B., en Borghans, L. (2014). Fostering and measuring skills: Improving cognitive and non-cognitive skills topromote lifetime success (No. 20749). National Bureau of Economic Research.

SER (2016). Gelijk goed van start. Visie op het toekomstige stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen. Advies Sociaal-Economische Raad.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik