Back

Artikel

Home

Integreer marktsentimenten in macro-economische modellen

26 nov 2009
Onderwerpen: Economisch denken
In de gebruikelijke macro-economische modellen zitten individuen die de complexiteit van het marktsysteem volledig doorgronden. Dat kan anders en beter, stelt hoogleraar economie Paul de Grauwe. Bevolk de modellen met individuen die beperkte informatie hebben en de markt niet overzien. Door interactie van onderop ontstaan de golven van optimisme en pessimisme die we maar al te goed uit de praktijk kennen. Zo vindt de macro-economie weer aansluiting met de realiteit.

Macro-modellen veronderstellen supermens

De algemene opvatting van dit moment is dat de financiële crisis het gevolg is van inefficiënties in de financiële markten en slecht inzicht van economische spelers in de aard van de risico’s. Het is dan ook opmerkelijk dat de meest gebruikte macro-economische modellen, de zogenoemde dynamische stochastische algemene evenwichtsmodellen (DSGE-modellen), worden bevolkt door supermensen met ongelofelijke cognitieve vaardigheden. Zij maken gebruik van alle beschikbare informatie en benutten hun mogelijkheden altijd optimaal (zie bijvoorbeeld Smets en Wouters, 2003, Woodford, 2003, Christiano et al., 2005 en Adjemian, et al., 2007)). Ze hebben inzicht in wereldwijde complexiteiten en kennen de waarschijnlijkheidsdistributies van alle mogelijke schokken waaraan de economie kan worden blootgesteld. Uitgaande van deze opmerkelijke veronderstellingen, vraagt de buitenstaander zich verbaasd af waar macro-economen zich de afgelopen decennia nu eigenlijk mee bezig hebben gehouden.

Psychologie en neurologie benadrukken cognitieve beperkingen

Terwijl de macro-economische theorie er vanuit gaat dat de meeste, zo niet alle beslissers volledig inzicht hebben in de structuur van de modellen waarin ze opereren, wijzen andere wetenschappen, zoals de psychologie en neurologie, in toenemende mate op de cognitieve beperkingen van het individu (zie bijvoorbeeld Kahneman, 2002, Camerer et al., 2005, Kahneman en Thaler, 2006 en Della Vigna, 2007). We leren van deze wetenschappen dat individuen slechts kleine stukjes begrijpen van de wereld waarin ze leven. In plaats van de mogelijkheden optimaal te benutten, waarbij alle beschikbare informatie in ogenschouw wordt genomen, gebruiken mensen eenvoudige regels (heuristiek) als leidraad voor hun gedrag (Gigerenzer en Todd, 1999). De recente financiële crisis lijkt de opvatting dat mensen slechts beperkt zicht hebben op het totaalbeeld te ondersteunen. Als ze de complexiteit van het financiële systeem in zijn geheel hadden doorzien, zouden ze de risico’s van het stapelen van activa in hun portefeuilles ook hebben doorzien.

Top-down en bottom-upmodellen

Om de kenmerken van de verschillende macro-economische modellen te begrijpen, is het nuttig om onderscheid te maken tussen top-down en bottom-up systemen.

  • In een top-downsysteem begrijpen een of meer agenten het systeem volledig. Deze agenten zijn in staat het hele systeem in een blauwdruk weer te geven en op te slaan. Afhankelijk van hun rol in het systeem, kunnen ze deze blauwdruk hanteren bij het leidinggeven of om hun eigen welzijn te optimaliseren. Een voorbeeld van een dergelijk top-downsysteem is een gebouw dat in een blauwdruk kan worden weergegeven en dat de architect tot in detail kent.
  • Bottom-upsystemen werken anders. Dit zijn systemen waarbij geen enkel individu overzicht heeft over het totale plaatje. Elk individu begrijpt slechts een heel klein deel van het totaal. Deze systemen functioneren door toepassing van eenvoudige regels door de individuen die deel uitmaken van het systeem. De meeste levende systemen volgen deze bottom-uplogica (zie de schitterende beschrijving van de groei van het embryo in het nieuwe boek van Richard Dawkins, 2009).

Het marktsysteem is ook een bottom-upsysteem. De beste omschrijving van dit bottom-upsysteem is nog altijd die van Hayek (1945). Hayek stelde dat geen enkel individu in staat is de complexiteit van het marktsysteem als geheel te doorgronden. Mensen begrijpen maar kleine stukjes van het totaal aan informatie. De belangrijkste functie van markten is het samenbrengen van diverse stukjes informatie. Als er mensen zouden bestaan die het totaalplaatje begrijpen, dan zouden er geen markten nodig zijn. Dit was in feite Hayeks kritiek op de ‘socialistische’ economen die zich op het standpunt stelden dat de centrale planner het totaal overzag en daardoor alle optimale prijzen zou kunnen berekenen, waardoor het marktsysteem overbodig zou worden.

Modellen gebaseerd op rationele verwachtingen zijn de intellectuele erfgenamen van centrale planning

Mijn stelling is dat modellen gebaseerd op rationele verwachtingen de intellectuele erfgenamen zijn van modellen op basis van centrale planning. Niet in de zin dat de individuen in deze modellen centrale planning beogen, maar dat ze, evenals de centrale planner, het geheel overzien. Deze individuen gebruiken deze superieure informatie om het ‘optimum optimorum’ voor hun eigen welzijn te bereiken. In dit opzicht zijn het top-downmodellen.

In een recent artikel maak ik de vergelijking tussen het top-downmodel van rationele verwachtingen en een bottom-up macro-economische model (De Grauwe. 2009). In dit laatste model hebben agenten cognitieve beperkingen en hebben ze geen inzicht in het totaalbeeld (het onderliggende model). Ze begrijpen alleen stukjes van het totale model en gebruiken eenvoudige regels als leidraad voor hun gedrag. Ik introduceer rationaliteit in het model via een selectiemechanisme waarbij agenten de resultaten van de regel die ze toepassen evalueren en vergelijken met de resultaten van andere regels en op basis daarvan besluiten de regel te handhaven of te wijzigen. Agenten in het bottom-upmodel leren zo de wereld door middel van ‘trial and error’ kennen.

Deze twee typen modellen leveren zeer uiteenlopende inzichten op. Ik noem hier drie verschillen. Ten eerste legt het bottom-upmodel verbanden tussen opvattingen die op hun beurt golven van optimisme en pessimisme creëren. Dit laatste resulteert in endogene conjunctuurcycli verwant aan de Keynesiaanse ‘animal spirits’ (zie Akerlof en Shiller, 2009).

Ten tweede biedt het bottom-upmodel een heel andere theorie van conjunctuurcycli dan de modellen op basis van rationele verwachtingen (DSGE-modellen). In de DSGE-modellen treden cyclische bewegingen in productie en prijzen op doordat rationele agenten niet onmiddellijk hun optimale plannen kunnen aanpassen na een exogene verstoring. Prijs- en loonafspraken maken een dergelijke onmiddellijke aanpassing onmogelijk. Als gevolg hiervan resulteren deze exogene schokken (bijvoorbeeld veranderingen in productiviteit of voorkeuren) in inertie en conjunctuurbewegingen. Met andere woorden, de conjunctuurcyclus in DSGE-modellen wordt gestuurd door externe factoren. Zo was de financiële crisis en de daaropvolgende daling in economische activiteit volgens het DSGE-model het resultaat van een exogene en onvoorspelbare toename in risicopremies in augustus 2007.

Trial en error

In tegenstelling tot het model op basis van rationele verwachtingen, gaat het bottom-upmodel uit van agenten die kampen met een informatieprobleem. Ze kunnen de aard van de schok of de uitwerking ervan niet volledig doorgronden. Ze gebruiken een leerproces op basis van ‘trial and error’ met als doel informatie te destilleren. Dit proces leidt tot golven van optimisme of pessimisme, die op hun beurt onvermijdelijk leiden tot golfbewegingen in de conjunctuur. Hoog- en laagconjunctuur weerspiegelen dus de problemen van economische agenten die de economische realiteit proberen te doorgronden. De conjunctuurcyclus heeft een grote endogene component. In dit bottom-upmodel moet de financiële crisis en de daaropvolgende daling in economische activiteit verklaard worden uit de voorgaande hoogconjunctuur.

Ten slotte bevestigt het bottom-upmodel het inzicht dat is verkregen uit gangbare macro-economische theorieën (waaronder het DSGE-model) dat een geloofwaardige aanpak van de inflatie noodzakelijk is om de economie te stabiliseren. Dit alleen is echter niet voldoende. In een wereld waar golven van optimisme en pessimisme (animal spirits) zelfstandig invloed kunnen uitoefenen op de productie en inflatie, is het in het belang van de centrale banken niet alleen te reageren op bewegingen in de inflatie, maar ook op bewegingen in productie en prijzen. Zo kunnen de natuurlijke golfbewegingen van vrije markt systemen worden gedempt.

* Dit artikel is een vertaling uit het Engels van het op 19 november op voxeu.org verschenen artikel ‘Top-down versus bottum-up macroeconomics’.

Referenties:

Adjemian, S., Darracq Pariès, M., Moyen, S. (2007), “Optimal Monetary Policy in an Estimated DSGE-Model for the Euro Area”, European Central Bank Working Paper 803.

Akerlof, G., and Shiller, R. (2009), Animal Spirits. How Human Psychology Drives the Economy and Why It Matters for Global Capitalism, Princeton University Press.

Brock, W., and Hommes, C. (1997), “A Rational Route to Randomness”, Econometrica, 65, 1059-1095

Camerer, C., Loewenstein, G., Prelec, D., (2005), “Neuroeconomics: How neuroscience can inform economics”, Journal of Economic Literature, 63(1), 9-64.

Christiano, L., Eichenbaum, M., and Evans, C., (2005), "Nominal Rigidities and the Dynamic Effects of a Shock to Monetary Policy," Journal of Political Economy, vol. 113(1), pages 1-45, February.

Dawkins, R. (2009), The Greatest Show on Earth. Evidence for Evolution, Bantam Press.

De Grauwe, P., (2009), “Top-down versus Bottom-up Macroeconomics”, paper presented at the DG ECFIN Annual Research Conference, Brussels, 15-16 October 2009, and at the conference “What is wrong with modern macroeconomics”, CESifo, München, 6-7 November 2009.

Della Vigna, S., (2007), “Psychology and Economics: Evidence from the Field”, NBER Working Paper 13420.

Gigerenzer, G., and Todd, P.M.(1999). Simple Heuristics That Make Us Smart. New York: Oxford University Press.

Hayek, F., (1945), “The Use of Knowledge in Society”, American Economic Review, XXXV, no. 4, 519-530.

Kahneman, D., 2002, “Maps of Bounded Rationality: A Perspective on Intuitive Judgment and Choice”, Nobel Prize Lecture, December 8, Stockholm

Kahneman, D., and Thaler, R., (2006), “Utility Maximisation and Experienced Utility”, Journal of Economic Perspectives, 20, 221-234

Smets, F. and Wouters, R., (2003), “An Estimated Dynamic Stochastic General Equilibrium Model”, Journal of the European Economic Association, 1, 1123-1175.

Woodford, M., (2003), Interest and Prices: Foundations of a Theory of Monetary Policy, Princeton University Press.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik