Back

Artikel

Home

Houd toegezegde pensioenuitkering in stand, het kan!

29 mrt 2013
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
Het huidige pensioensysteem waarin deelnemers een aan het loon gerelateerde pensioenuitkering krijgen toegezegd biedt een aantal evidente voordelen boven het 'casino-pensioen', waarin alle risico’s bij de deelnemers liggen. Ook is het op lange termijn houdbaar - in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt. Dit stellen David Hollanders en Bernard van Praag. De gedachte dat de langere levensduur en lage rente dwingen tot het inruilen van het huidige pensioen voor een casino-pensioen snijdt geen hout.

Casino-pensioen

De pensioendiscussie is een verkeerde weg ingeslagen. De discussie verliest zich in details zoals de hoogte van kortingen, uitsmeerperiodes, de rekenrente, hypotheken en generatieconflicten. Dit zijn behartigenswaardige zaken, maar essentiëler is dat het systeem van collectieve pensioenfondsen, waarbij aan het loon gerelateerde pensioenuitkeringen worden toegezegd (Defined Benefit), als zodanig afgebroken wordt. Dit systeem dreigt te worden vervangen door een ’toezegging’ die fluctueert met de beurskoersen en de talenten en inspanningen van de beheerders van de pensioenfondsen ( Defined Contribution). Een resultaatverplichting dreigt te worden ingeruild voor een inspanningsverplichting.

Het is niet alleen begrijpelijk dat in deze wordt gesproken van een ‘casino-pensioen’, het is ook terecht. In een dergelijk systeem is er geen enkele disciplinerende kracht om fondsbeheerders en werkgevers te dwingen om pensioentoezeggingen waar te maken. De risico’s liggen niet meer bij werkgevers of fondsbeheerders, maar uitsluitend bij deelnemers. Diezelfde deelnemers hebben evenwel nauwelijks zeggenschap en geen vrijheid naar een ander fonds over te stappen. Daarmee worden juist de belangen van toekomstige generaties en de economie duurzaam geschaad.

Voordelen huidige pensioensysteem

Maar eerst meer over de collectieve regeling waar velen vanaf willen. Een collectieve Defined Benefit-regeling (met verplichtstelling) kent veel voordelen. Ten eerste voorkomt het dat mensen als gevolg van uitstelgedrag onvoldoende pensioen opbouwen, zoals bij ZZP-ers veelvuldig het geval blijkt (zie Dekkers en Kösters, 2011).

Ten tweede blijken collectieve regelingen goedkoper dan individuele regelingen van verzekeraars (Bikker, 2009). Verzekeraars hebben bovendien decennia woekerpolissen verkocht en deze zijn nog altijd niet volledig gecompenseerd. Dat geeft weinig vertrouwen dat verzekeraars nu opeens wel kosten-efficiënt zullen werken.

Ten derde kunnen risico’s tussen generaties gedeeld worden. Het delen van beleggings-, inflatie- en langleven-risico’s levert welvaartswinst op (Gordon en Varian, 1988). Ook macro-economisch is een collectief, kapitaalgedekt pensioensysteem goed voor conjuncturele stabilisatie van de besparingen en een constante financieringsbron van investeringen.

Huidige systeem is niet onhoudbaar

Maar een goed systeem is natuurlijk niet hetzelfde als een houdbaar systeem. En er wordt nu juist herhaaldelijk gesteld dat het huidige Defined Benefit –systeem ‘onhoudbaar’ zou zijn. Als dat zo is, dan zijn de merites van een DB-stelsel verder niet relevant. De onhoudbaarheidspremisse rust op drie argumenten. In de eerste plaats is de levensduur sterk gestegen en daar zou in het verleden onvoldoende rekening mee zijn gehouden, terwijl voor de toekomst een aanhoudende verdere stijging voorspeld wordt. In de tweede plaats wordt een seculiere rentedaling voorspeld. Het is de moeite waard deze twee beweringen nader te bekijken. Tenslotte wordt vaak gesteld dat redenen van internationale concurrentie een verhoging van de arbeidskosten onmogelijk maken. Men vergeet dan echter dat haast alle concurrerende landen met dezelfde verlenging van de levensduur worden geconfronteerd.

  1. Langere levensduur

Het is evident dat een langere levensduur dwingt tot een hogere premieafdracht voor nieuw op te bouwen rechten indien men het pensioen wil fixeren op, zeg, de huidige 80% middelloon. Dit is onbetwistbaar en betwisten wij dan ook niet. Sterker, het impliceert dat de huidige jongeren een hogere premie zullen moeten betalen dan de jongeren van de jaren ’70 voor hun pensioen hebben betaald. Zij krijgen daar ook meer voor terug. Zij leven immers naar verwachting zeven jaar langer. Het pensioen wordt dus ook niet duurder per uitkeringsjaar, zoals men wel eens hoort beweren; tegenover hogere premies staan ook meer pensioenjaren (in verwachting). De premieverhoging is de prijs voor meer pensioenjaren. Ergo, een permanente oplossing voor nieuwe aanspraken is slechts dat ofwel voor de jongeren van nu de premie wordt verhoogd (naar bijvoorbeeld 30%), ofwel het pensioen wordt verlaagd (wat pertinent niet hetzelfde is als risicovoller maken, zoals het Pensioenakkoord wil) of dat zij langer doorwerken. Maar dit alles betreft dus nieuw op te bouwen rechten –over de oude rechten zo meer-, en er is geen reden die niet via een DB-systeem op te bouwen. Er is, zoals gesteld, juist alle reden dat wel te doen. Een en ander impliceert natuurlijk niet noodzakelijkerwijs dat ook de werkgeverskosten stijgen. Een andere verdeling van de kosten tussen werknemer en werkgever is ook denkbaar.

  1. Lagere rente

Ook het rente-argument is dubieus. Er is nog geen enkel wetenschappelijk-statistisch bewijs of zelfs overtuigende intuïtieve argumentatie dat de rendementen en de rente structureel naar een lager niveau gaan. De belangrijkste reden voor de lage rente op staatsleningen van triple A-landen is de huidige monetaire politiek van goedkoop geld van de ECB. De lage rente is noch onveranderlijk (mag men hopen) noch onveranderbaar. De rekenrente moet zeker prudent zijn om ‘rijk rekenen’ te voorkomen –onverkort het verwachte portefeuillerendement gebruiken is daarom ongewenst. Bij veel pensioenfondsen blijken de werkelijke rendementen over het afgelopen jaar een veelvoud van het door DNB voorgeschreven disconto van ca. 2,5%. Hoe dat überhaupt kan? Nu, een groot deel van de beleggingen wordt juist helemaal niet in staatsleningen belegd. De rekenrente is alleen dan nog relevant indien een fonds geliquideerd wordt en al zijn verplichtingen (tegen de rekenrente) onder moet brengen bij een verzekeraar. Dan is de rekenrente relevant, maar er is geen enkel (groot) fonds dat voornemens is te liquideren of waar dat overigens te verwachten valt. Voorzover deelnemers iets in te brengen hebben, en dat is meestal weinig of niets, dan zouden deelnemers zich ook krachtig moeten verzetten tegen overname van hun fonds door een verzekeraar.

Hiermee willen wij niet stellen dat er niets gebeuren moet. Ten eerste dienen werkgevers in het verleden gedane toezeggingen aan hun werknemers na te komen in plaats van dividend en bonussen uit te keren. Werkgevers hebben willens en wetens in pensioenovereenkomsten een vast pensioen toegezegd aan werknemers, met zelfs de suggestie van waardevastheid. Jarenlang waren de premies lager dan kostendekkend en voor zover partijen daarvan geprofiteerd hebben, dienen zij dat te restitueren nu de nood aan de man komt. Dat vakbonden, toezichthouders en politiek decennialang akkoord zijn gegaan met te lage premies–op zichzelf kwalijk– kan enigszins als verzachtende omstandigheid gelden en tot verminderde restitutie leiden. Het is daarbij wel weer onbegrijpelijk dat vakbonden de nu dreigende, door werkgevers gepropageerde afbraak van het pensioensysteem als makke schapen die naar de slachtbank gaan gelaten accepteren als onontkoombaar. Het is, zo betogen wij, namelijk niet onontkoombaar. En wat is het alternatief: een onaanvaardbaar slecht pensioen in de toekomst, gebaseerd op een inspanningsverplichting, die op generlei wijze kan worden afgedwongen.

Parlementair onderzoek

Ten tweede is een parlementair onderzoek, gezien de ernst van de zaak, op zijn plaats. Niet om schuldigen aan te wijzen maar om kwalijke pensioenpraktijken zoals in het verleden (zoals ondernemingen die hun eigen pensioenfonds afromen, PwC, 2012) in de toekomst te voorkomen. Het recent afwijzen van de motie-Omtzigt door de fracties van PvdA, D66, en VVD, waarin een dergelijk onderzoek werd voorgesteld, suggereert wederom dat er veel kwalijke zaken te verbergen zijn. Een degelijk onafhankelijk onderzoek kan dan ook niet worden toevertrouwd aan (oud-)ambtenaren of wetenschappelijke onderzoekers die voor de financiering van hun onderzoek afhankelijk zijn van betrokken partijen (ministeries, pensioenfondsen, werkgevers en vakbonden). Het parlement zal zich moeten laten bijstaan door onafhankelijke onderzoekers, waarvan er in Nederland niet zoveel meer zijn en waarbij een geduchte buitenlandse inbreng dus onmisbaar lijkt.

Referenties

Bikker, J. (2009), Een misverstand over kosten van collectieve pensioenvoorzieningen, MeJudice, 9 juni 2009.

Dekker en Kösters (2011), De ontmythologisering van de ZZP-trend, Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 27(3), 248-263.

Gordon, R. H. en H.R. Varian (1988), Intergenerational Risk Sharing, Journal of Public Economics, 37, pp. 185-202.

PwC (2012), Terugstortingen en bijstortingen 1985-2011 Een pilotstudie onder vijf ondernemingspensioenfondsen, 31 oktober 2012.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik