Back

Artikel

Home

Houd tenminste het aanvullend pensioen op peil

8 feb 2011
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
In de AOW en de financiering van de ouderenzorg zal flink gehakt worden. Daarom is het van het grootste belang dat niet ook het aanvullende pensioen tekort gaat schieten. Dat is wel waar de discussie van de sociale partners in de Stichting van de Arbeid nu op neerkomt, stelt de Amsterdamse econoom Bernard van Praag. De pensioenpremie moet veel hoger komen te liggen dan de voorgestelde 20 procent.

Verdwenen pensioenmiljarden

De uitzending van Zembla van zaterdagavond j.l. is zonder meer schokkend te noemen. In deze uitzending werd het beleid over de aanvullende pensioenen sinds 1989 geanalyseerd. Zoals bekend is sinds 1989 de klad gekomen in de discipline waarmee voordien de pensioenfondsen werden geleid. De kabinetten-Lubbers II en III, met de ministers van Financiën Ruding en Kok, vonden dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds veel te hoge reserves had. Dat kwam goed uit, want de overheid betaalde als werkgever hoge pensioenpremies en er waren hoge begrotingstekorten. Zo werden de premies sterk verlaagd en werd het ABP enkele miljarden ontfutseld, ten gunste van de schatkist.

Dit voorbeeld kreeg navolging van het bedrijfsleven. Zembla kwam tot de conclusie dat als de premies van 1989 waren gecontinueerd, de Nederlandse pensioenfondsen tweemaal zo hoge reserves zouden hebben gehad als nu het geval is. De dekkingsgraad zou zijn uitgekomen op 240 procent in plaats van op de armzalige 105 procent die nu met hangen en wurgen wordt gehaald. In dat geval zou een continuering van de pensioenindexatie moeiteloos zijn gerealiseerd, want daar is naar schatting een dekkingsgraad van ca. 150 procent (nominaal) voor nodig.

Ook blijkt uit het Zembla-onderzoek – zoals de commissie-Frijns al meldde – dat door ondeskundig beleid ettelijke miljarden verloren zijn gegaan. De Kamer zal een hoorzitting organiseren, maar dit probleem verdient een heuse parlementaire enquête. Daarmee komen de verdwenen miljarden niet terug, maar het zal de gemoederen wel wakker schudden.

Kortingen op AOW en financiering ouderenzorg aanstaande

Het oudedagsbeleid is in Nederland gebaseerd op drie componenten. De eerste pijler is de AOW, de tweede is het aanvullend pensioen en in de derde plaats verdient de zorg te worden genoemd. De AOW bedraagt zo’n 1.000 euro voor alleenstaande ouderen en 1.550 euro voor oudere echtparen. Een kwart van de ouderen krijgt alleen AOW. Het aanvullend pensioen bedraagt gemiddeld ruim 500 euro voor de 1,8 miljoen die dit genieten.

We praten nu veel over het aanvullend pensioen, maar de AOW wordt veel meer bedreigd. De verhouding is nu vier werkenden op één oudere. Die verhouding zal de komende decennia teruglopen naar twee werkenden op één gepensioneerde. Volgens de logica van het omslagstelsel betekent dat dat óf de AOW-premie moet verdubbelen óf de uitkering moet halveren. Een andere oplossing is verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, maar dat zet niet genoeg zoden aan de dijk. Een laatste oplossing, en daar zal het wel op uitkomen, is om ouderen boven een bepaalde inkomensgrens niet langer AOW-gerechtigd te maken, of de uitkering te fiscaliseren, zodat er in feite weinig van overblijft.

Ook de zorg voor ouderen wordt gefinancierd via een omslagstelsel. Ook daar zal het er wel op uitdraaien dat de meer draagkrachtigen de kosten zelf moeten ophoesten, door steeds hogere inkomensafhankelijke premies.

Behoud aanvullend pensioen

Er is een component die niet afhankelijk is van de demografische verschuivingen. Dat is het aanvullend pensioen, waar in principe elk leeftijdscohort zijn eigen reserve bij elkaar spaart. Daarom is het van belang dat dit aanvullend pensioen niet wordt onttakeld volgens de lijnen die de ‘sociale partners’ nu uitzetten in de stichting van de Arbeid, in samenspraak met de minister van Sociale Zaken.

Er wordt vaak beweerd dat het bestaande systeem van een vaste geïndexeerde uitkering nu ‘onbetaalbaar’ zou zijn geworden. Laten we het eens simpel bekijken. We nemen aan dat de rente op circa 2,5 procent blijft staan en dat de inflatie ongeveer even hoog zal blijven als de laatste jaren. De reële rente is dan circa 0 procent. Wanneer we het pensioen indexeren en we rekenen met geïndexeerde lonen, dan hoeven we geen rekening te houden met de rente, want de reële rente is nul. Stel dat een werker op zijn 24ste begint met pensioenpremie betalen en daarmee ophoudt op zijn 65ste. Hij betaalt dan 40 jaar premie. Daarna zal hij nog 19 jaar geïndexeerd pensioen trekken met 70 procent middelloon. Dit is mogelijk met een premie van circa 35 procent.

Dat is inderdaad veel meer dan de schamele 20 procent waar de sociale partners nu op aansturen. Het is echter de prijs die we zullen moeten betalen voor een menswaardige oude dag. Willen we volstaan met 60 procent pensioen, dan kan de premie verlaagd worden tot circa 28 procent. Willen en kunnen we doorwerken tot 70 jaar, dan volstaat 23,3 procent en dat is iets minder dan de premie die het ABP rekende tot begin jaren negentig.

We leven in harde tijden en we zullen allemaal de broekriem moeten aanhalen. Het handhaven van het aanvullend pensioen in zijn huidige vorm kost steeds meer geld door de oplopende levensverwachting en de lage rente. We moeten het echter in stand houden, want anders zijn de consequenties nog gruwelijker. Immers, het omslagstelsel zal het absoluut niet kunnen trekken.

* Dit artikel is tevens verschenen in NRC Handelsblad van 7 februari 2011.: stvcr, Flickr

Dit artikel kan worden overgenomen met bronvermelding. Toezending van bewijsexemplaren wordt op prijs gesteld. © Me Judice

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik