Back

Artikel

Home

Hoe we de kloof kunnen dichten tussen vraag en aanbod in economisch onderzoek

8 dec 2015
Onderwerpen: Economisch denken

De economische wetenschap bevindt zich in de gelukkige positie dat veel kennis van waarde is voor bedrijf en maatschappij. Valorisatie is daarmee bijna een tweede natuur voor veel economen. Toch bestaat er een kloof tussen de vraag- en aanbodkant in economisch onderzoek. Vragers zoals beleidsmakers zijn vaak niet geïnteresseerd of opportunistisch. En de aanbieders - de onderzoekers – zijn of niet geïnteresseerd of missen de aansluiting met fundamenteel onderzoek. De praktijk van Gronings marketingonderzoek laat zien hoe deze kloof valt te overbruggen.

Wat is het probleem?

Wetenschappelijke onderzoekers zijn eigenwijze mensen, zeer gesteld op hun autonomie, gedreven door hun nieuwsgierigheid. Ze willen het liefst hun zelf gekozen problemen onderzoeken, op de wijze die hen zelf passend lijkt. Wetenschappelijke vrijheid is hun mantra. Maar het vrije wetenschappelijke onderzoek wordt voornamelijk gefinancierd uit publieke middelen en de financier wil herkenbare baten. Maatschappij en politiek vragen om nuttig onderzoek, om relevantie, om “valorisatie” (zie het WRR rapport over de lerende economie en de Wetenschapsvisie 2025 van het Ministerie van OCW). Hier lijkt iets te wringen. Economie is een maatschappijwetenschap, het is nota bene ooit begonnen als Political Economy, als staathuishoudkunde, als ondersteuning voor beleidsvragen. Veel academische onderzoekers hebben economie juist gekozen om bij te dragen aan de oplossing van maatschappelijke vragen Bedrijfskundigen en bedrijfseconomen willen vragen beantwoorden die opkomen binnen “bedrijfshuishoudingen” (omdat de bedrijfseconomie gezien kan worden als een onderdeel van de bedrijfskunde zullen we hierna de term bedrijfskunde hanteren). Economisch onderzoek dat voldoet aan wetenschappelijke standaarden en dat gaat over een politiek en maatschappelijk relevant probleem is eerder gemakkelijker dan moelijker te publiceren. Publicatie van relevante en actuele problemen in bedrijfshuishoudingen zal ook geen struikelblok zijn. Waar zit dan het onbehagen? Waarom is er een kloof? Kunnen vraag en aanbod van “vrij” academisch onderzoek dichter bij elkaar worden gebracht? Over die vraag werd onlangs op de KNAW een symposium gehouden; dit artikel put uit de bijdragen die een tiental sprekers hebben geleverd, zonder stelling en spreker te koppelen. Details van programma, sprekers en individuele presentaties staan op de website van de KNAW. Dit artikel komt geheel en al voor onze rekening en verantwoording.

De vraag naar relevant onderzoek

Bij de vraag naar relevant onderzoek is het zaak om voor de algemene economie onderscheid te maken tussen maatschappelijke en politieke vraag. Ook al heerst als reactie op de recente crisis alom scepsis over de competentie van de economische wetenschap, toch is het evident dat economisch onderzoek belangrijke bijdragen kan leveren om rationele keuzen te maken uit de beleidsopties. Tal van voorbeelden zijn beschikbaar. Het effect van klassenverkleining en extra subsidies voor scholen met kinderen uit zwakke sociale milieus op schoolprestaties, de invloed van uitkeringshoogte en sancties op werkloosheidsduur, bestrijding van armoede en sociale achterstanden, voor vele onderwerpen zijn relevante uitkomsten te vinden in de beste economische tijdschriften. Goed onderzoek over relevante kwesties is heel goed verenigbaar met de intellectuele motivatie van onderzoekers, en met hun meer aardse zucht naar roem en academisch aanzien.

Een forse drempel om tegemoet te komen aan die vraag ligt bij de attitude van politici. Op het symposium werd veelvuldig geconstateerd dat politici niet werkelijk geïnteresseerd zijn in de effecten van beleidsinstrumenten: alleen ondersteunende succesverhalen zijn welkom, de oprechte open zoektocht naar effectiviteit ontbreekt meestal. Zo’n houding ontmoedigt onderzoekers om samen te werken met beleidsmakers. Een schrijnend voorbeeld werd gegeven van een onderzoek dat zou worden opgezet als een verantwoord experiment met aselecte toewijzing aan groepen met de beleidsinterventie en een controlegroep zonder die interventie. Toen er budgettaire problemen werden voorzien stelde de opdrachtgever voor om dan maar de controlegroep weg te laten…… Op dat moment haakt een onderzoeker af, niet alleen omdat zo’n geamputeerd onderzoek niet kan worden gepubliceerd, maar vooral omdat een onderzoeker niet in zo’n intellectueel klimaat wil werken.

Een fraai (nou ja, pijnlijk) voorbeeld van het politieke probleem is ook het lot van de aanbevelingen van de Commissie-Dijsselbloem. Het eindrapport van de commissie, alom met instemming onthaald, bevat een volledig uitgewerkt protocol voor Evidence based interventions in het onderwijs. Er zouden alleen maatregelen moeten worden ingevoerd die kunnen bogen op overtuigende wetenschappelijke evidentie voor hun effectiviteit; zo niet, dan moet een maatregel stapsgewijs en geflankeerd door wetenschappelijke evaluatie worden ingevoerd. Zes jaar na het rapport constateert de Onderwijsraad (2014) dat de aanbevelingen geen enkel effect hebben gehad in het veld. De geringe betrokkenheid vanuit de vraagzijde werd ook treffend geïllustreerd door de afwezigheid van een ambtelijke bijdrage: een genodigde Directeur-Generaal delegeerde aan zijn plaatsvervanger en die liet zich vlak voor het symposium afmelden wegens andere verplichtingen. Het is een interessante vraag waarom de cultuur van wetenschappelijke beleidsevaluatie zo veel sterker is in de VS dan in Nederland. Wellicht is er een verband met de meer kritische en in vele gevallen zelfs vijandige houding tegenover de overheid, in contrast met de Europese traditie waarin de overheid als goede hoeder van het algemeen belang wordt gezien.

Managers in bedrijfshuishoudingen hebben, net als politici, vaak moeite om vragen voor wetenschappelijk onderzoek te articuleren. Daarbij spelen ook andere problemen. Wanneer men een onderbouwing zoekt voor een veelal strategische beslissing moet die onderbouwing snel beschikbaar zijn. Wetenschappelijk onderzoek is evenwel traag en komt met oplossingen wanneer de beslissingen al genomen zijn. Vaak ontbreken de gegevens om het onderzoek uit te kunnen voeren en/of heeft men niet de middelen (mensen/geld) in organisaties om de benodigde gegevens te verzamelen en te analyseren. Door betere informatiesystemen, betere toegankelijkheid tot databronnen, meer data (“big data”) verandert deze situatie evenwel snel.

De aansluiting tussen vraag en aanbod van wetenschappelijk onderzoek in de bedrijfskunde zou verbeterd kunnen worden wanneer bedrijfskundigen meer belangstelling hadden, en beter inzicht en overzicht van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Weinig bedrijfskundigen houden vakliteratuur na hun studie bij. Wel volgen relatief veel practici een of meer bijspijkercursussen. De vraag is of deze cursussen en bijvoorbeeld cursussen waarin men “in één dag een MBA kan halen” voldoende zijn om onderzoeksvragen beter te articuleren. Grote private onderzoeksinstellingen als PWC en McKinsey spelen een eigen rol als intermediair tussen academisch onderzoek en praktijk. Beide organisaties menen voldoende kennis in huis te hebben om vragen van organisaties te kunnen beantwoorden. Soms is de wetenschappelijke literatuur daarbij bruikbaar en er wordt ook samengewerkt met internationaal vooraanstaande economen. Als illustratie van behoefte aan specifiek academisch onderzoek, op het terrein van innovatie, werden genoemd (1) de vraag naar het verbeteren van de innovatiekracht en creativiteit van bedrijven en (2) hulp bij het beslechten van juridische vraagstukken waaraan bedrijfswetenschappelijk onderzoek een onderbouwing zou kunnen leveren.

Het aanbod van relevant onderzoek

Zoals hiervoor al aangestipt werd is de wetenschappelijke vakliteratuur vaak geen geschikte bron voor het dagelijks handelen van beleidsmakers en adviseurs. Dat ligt niet aan de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek. Volgens een lopende inventarisatie van onderzoek aan economiefaculteiten ten behoeve van decanen zijn in Nederland wel degelijk goede onderzoekers aanwezig die kunnen worden ingeschakeld. Het onderzoek aan Nederlandse economie/bedrijfskundefaculteiten bevindt zich over het algemeen op een hoog niveau. Wat wel ontbreekt zijn echte internationale leiders, onderzoekers waarvoor internationaal aanstormend talent in de rij staat om daarvoor naar Nederland te komen zoals dat in de jaren vijftig en vroege jaren zestig gold voor Tinbergen en het Econometrisch Instituut in Rotterdam dat in zijn kielzog tot bloei kwam. Talent dat naar het buitenland vertrekt wordt vooral aangetrokken tot opwindende academische gemeenschappen, en tot de beduidend hogere salarissen. Ook hier lijkt de kortzichtige Balkenende-norm zijn schadelijke werk te doen. Een florerend wetenschappelijk klimaat is natuurlijk niet alleen van belang voor (ongevraagde) beleidsadviezen. Innovatie is de basis van economische groei, en een kennisvoorsprong moet zelf worden opgebouwd, die kun je niet importeren; een internationaal voorop lopende kenniscluster werkt als een magneet op bedrijven.

De aanwezigheid van een breed potentieel blijkt ook uit de nationale wetenschapsagenda. De ruim 11.000 vragen die op die agenda zijn geworpen zijn door de analisten in 140 clusters ondergebracht. Voor elk cluster bleken in Nederland onderzoekers te vinden met specifieke expertise op het gebied van die vragen. De massale vragenlijst heeft geen gebieden geïdentificeerd waar niemand iets van af weet: geen vis in het net of we hebben er een kok voor.

Er wordt natuurlijk ook veel onderzoek verricht dat zich niet voor toepassing leent. Wetenschap stelt ook zijn eigen vragen en heeft zijn eigen eisen. Er zijn eisen van consistentie en samenhang, er zijn methodologische vragen, er zijn wetenschappelijke stokpaardjes, er is fundamenteel onderzoek, allemaal van essentieel belang voor de kwaliteit van de wetenschap en daar moet niet aan getornd worden. Maar er is ook relevante kennis die niet wordt benut en die bevindt zich vaak in de topwetenschappelijke tijdschriften en boeken. Weinigen in het veld houden de primaire wetenschappelijke literatuur bij. Hun verbinding met nieuwe kennis loopt dan hopelijk via intermediairs als ESB en MAB. Onze indruk is dat ESB in Den Haag goed wordt gelezen, maar het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie (MAB) en Holland Management Review (HMR) genieten, helaas, steeds minder belangstelling Ook zijn er diverse onderzoeksinstituten die hun resultaten actief naar buiten brengen (Tinbergen Instituut, Netspar, facultaire magazines), maar het is niet altijd duidelijk wat hun bereik is. Het onderhouden van deze verbindingen vereist een inspanning van onderzoekers die door de huidige methodiek van het tellen van onderzoekoutput niet gewaardeerd wordt. Dezelfde methodiek stimuleert evenmin het schrijven van up-to-date leerboeken hetgeen voor Nederland betekent dat wij steeds meer een beroep moeten doen op buitenlandse literatuur die minder aansluit bij de Nederlandse bedrijfspraktijk.

Veel wetenschappelijk onderzoek wordt verricht door wetenschappers (AIO’s) die geen of nauwelijks zicht hebben op wat er in organisaties gebeurt, laat staan wat daar de onderzoeksvragen zijn. In het onderzoek concentreert men zich eerder op datgene wat andere onderzoekers doen of gedaan hebben en daardoor missen de uitkomsten van onderzoek vaak “managerial relevance”. Alhoewel menig artikel de implicaties van het onderzoek voor managers opsomt betwijfelen we of (1) managers deze uitkomsten tot zich nemen en (2) of deze uitkomsten werkelijk implicaties hebben voor de bedrijfsvoering. Daarbij komt dat veel onderzoek niet gerepliceerd wordt, en er relatief weinig meta-analyses bestaan, waardoor er nauwelijks sprake is van een op brede leest gestoelde “body of knowledge” (Van Witteloostuijn, 2015). De competitie om punten voor publicaties en citaten is naar de mening van Van Witteloostuijn volledig doorgeslagen, en hij roept op tot een drastische koerswijziging.

Kan het beter?

Een eerste vereiste is natuurlijk het in stand houden en waar nodig verbeteren van de onderzoeksfaciliteiten. Maar er zijn ook wel specifiekere suggesties gedaan, zoals onderlinge tijdelijke detachering van personeel bij onderzoeksinstellingen (vooral in de opleiding van AIO’s) beleidsinstellingen en bedrijven, het opzetten van een (virtueel) platform voor vragers en aanbieders als praktisch vervolg op de nationale wetenschapsagenda en contact houden met gepromoveerden die in de praktijk werkzaam zijn, als voelhoorns voor de behoefte.

Maar vooral lijkt het nodig om structureel iets aan de kloof te doen. Een goede benadering is in onze ogen het Customer Insight Center (CIC) in Groningen (Faculteit Economie en Bedrijfskunde (FEB)). Het CIC heeft in de afgelopen tien jaar structurele relaties opgebouwd met zo’n 30-35 bedrijven die geïnteresseerd zijn in de uitkomsten van wetenschappelijk marketingonderzoek. De bedrijven betalen jaarlijks een vast bedrag aan het CIC en ontvangen in ruil daarvoor publicaties die overzichten geven van wat er aan “de grenzen van het weten” in het vakgebied gebeurt, seminars en opleidingen voor hun medewerkers. Ook wordt het aanbod van gegevens door de bedrijven uitgeruild tegen uitkomsten van onderzoek die met behulp van deze gegevens verkregen worden (zie CIC, http://www.rugcic.nl). Onderzoekers die bijdragen aan publicaties, seminars en opleidingen hebben een rekening bij het CIC die zij kunnen gebruiken voor onderzoeksassistenten, aankoop van gegeven, congresbezoek, literatuur, enz. Op andere vakgebieden zouden door andere faculteiten dergelijke initiatieven kunnen worden genomen. Veel vraagstukken in bedrijfshuishoudingen vragen ook om antwoorden waarbij meerdere disciplines een rol zullen moeten spelen. De inbreng van de economen zou gecomplementeerd moeten worden door de inbreng van vooral (onderdelen van) de psychologie en de technische wetenschappen.

De CIC-constructie leent zich in principe ook voor betere interactie op het gebied van de algemene economie, en bestaat zelfs hier en daar in al dan niet bescheiden vorm. Voor vragen van algemeen economisch beleid, vooral op nationaal niveau, is het wel van vitaal belang dat de vraag gretiger wordt. Er is een cultuuromslag nodig: beleidsmakers moeten oprecht geïnteresseerd raken in effectief beleid, beleidsevaluatie serieus nemen, accepteren dat goedbedoelde maatregen soms niet werken en de focus zetten op bereiken van doelstellingen in plaats van tonen van daadkracht met ongetoetste ingrepen. Het parlement moet zich gewoon niet tevreden stellen met aanbevelingen over beleidsevaluatie die onbekommerd (door henzelf!) kunnen worden genegeerd. Het moet bereid zijn om bindende procedures op te stellen en een fractie van uitgaven aan majeure beleidsonderwerpen te reserveren voor beleidsevaluatie. Met goede data, academische autonomie en een redelijk budget is veel mogelijk. Voor het bereiken van zo’n cultuuromslag zien we nog een mooie uitdaging voor de KNAW.

Referenties

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (2014) “Wetenschapsvisie 2025: keuzes voor de toekomst”, Den Haag.

Onderwijsraad (2014), Onderwijspolitiek na de commissie-Dijsselbloem, Advies uitgebracht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Den Haag.

Witteloostuijn, A. van, (2015a) “What happened to Popperian Falsification? A Manifesto to Create a Healthier Business and Management Scholarship – Toward a Scientific Wikipedia” , Tilburg University, The Netherlands.

Witteloostuijn, A. van (2015b) “Wanneer gaan we eens echte kennis produceren? Pleidooi voor een wetenschappelijke Wikipedia” , Me Judice, 12 oktober 2015.

WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), (2015) “Naar een lerende economie: investeren in het verdienvermogen van Nederland”, Amsterdam University Press.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik