Back

Artikel

Home

Hoe waardevol is de risicodeling bij collectieve pensioenfondsen?

15 mrt 2016
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen
In het debat over het toekomstig pensioenstelsel wordt het collectief pensioencontract niet altijd voldoende gewaardeerd. Een individueel contract mag dan flexibel zijn en meer transparant, maar kent minder mogelijkheden om risico’s over generaties te spreiden. Dat is de centrale boodschap die Ed Westerhout laat zien in een recent onderzoek dat verschillende collectieve en individuele pensioencontracten op hun bijdrage aan de welvaart van deelnemers vergelijkt. Het afsnijden van risicodeling tussen generaties leidt tot welvaartsverlies.

Afschaffing doorsneesystematiek

Met de hoofdlijnennotitie (Ministerie van SZW, 2015) die staatssecretaris Klijnsma medio vorig jaar naar de Tweede Kamer stuurde, is de discussie over het pensioenstelsel in een nieuwe fase beland. De doorsneesystematiek zal worden afgeschaft, zo veel is inmiddels duidelijk. Maar wat blijft er over van de intergenerationele risicodeling die zo kenmerkend is voor het huidige stelsel?

Waarde van risicodeling

Er bestaat veel onduidelijkheid over de waarde van deze risicodeling. Risicodeling impliceert solidariteit, volgens sommigen een groot goed, maar lastig te kwantificeren. Anderen benadrukken dat risicodeling gepaard gaat met discontinuïteitrisico – dat wil zeggen het risico dat het pensioenstelsel ophoudt te bestaan doordat nieuwe generaties niet meer toetreden - en een gebrek aan transparantie. In de wetenschappelijke literatuur bestaan diverse onderzoeken naar de welvaartseffecten van pensioenstelsels, maar deze schieten op minstens drie punten tekort:

  • Sommige onderzoeken gebruiken een criterium als bijvoorbeeld gemiddelde pensioenpremie of -uitkering. Noch premie noch uitkering meten echter de bijdrage van een pensioenstelsel aan de welvaart van een persoon over de hele levenscyclus. Bovendien schiet het gemiddelde tekort; ook de zekerheid dat premie of uitkering zullen samenvallen met het gemiddelde, speelt bij welvaartsanalyse een rol.
  • Sommige onderzoeken beoordelen de bijdrage van een pensioenstelsel aan de welvaart zonder aandacht voor de overgangsproblematiek. Juist bij pensioenhervorming en vooral wanneer elementen van het omslag- voor het kapitaaldekkingsstelsel (of omgekeerd) worden ingeruild, speelt de stelselovergang een cruciale rol (Sinn, 2000). Het onderzoek van het CPB naar de doorsneesystematiek (Lever et al., 2014) illustreert hoe belangrijk deze overgangsproblematiek kan zijn.
  • Sommige onderzoeken beschouwen pensioenstelsels die te ver van de werkelijkheid af staan om hierover nog iets te kunnen zeggen. Vooral populair is de aanname dat fondsen over net zoveel beleidsinstrumenten beschikken als het aantal generaties dat ze representeren. De praktijk wijkt hier sterk van af en dit bepaalt mede de uitkomsten van onderzoek

 In het onderzoek van Bonenkamp, Broer en ondergetekende wordt getracht die valkuilen in het denken over pensioen te voorkomen (Westerhout et al., 2016)[1]. Dit onderzoek beoordeelt verschillende pensioenstelsels op hun bijdrage aan de welvaart van huishoudens over hun hele levenscyclus, met aandacht voor mogelijke effecten op generaties bij de introductie van een stelsel en met aandacht voor het feit dat pensioenstelsels sterk van ideaaltypische stelsels kunnen afwijken.

Waarde collectief contract

Dit onderzoek concludeert dat de bijdrage van verschillende pensioenstelsels aan de welvaart zeer verschillend is. Het constateert verder dat wanneer we een benchmark collectief pensioencontract (vaste pensioenpremie, hersteltermijn van 10 jaar, pensioenfondsvermogen voor de helft in aandelen en voor de helft in obligaties belegd) vergelijken met een naar inhoud vergelijkbaar individueel contract, het collectieve contract het beter doet dan het individuele contract. De winst van het collectieve contract is echter beduidend kleiner dan gevonden in eerder onderzoek. [2] Voorts blijkt dat wanneer een individueel contract beleggen tijdens de uitkeringsfase toestaat, dit specifieke contract het aanmerkelijk beter doet dan het benchmark individuele contract. Tot slot scoort zowel een collectief contract met variabele pensioenpremie als een collectief contract met een dubbel zo lange hersteltermijn hoger dan het benchmark collectieve contract.

De uitkomsten kennen als gemeenschappelijke noemer de beleidsvrijheid van fondsen. Een vaste premie maakt het pensioenfondsen onmogelijk werkenden te betrekken in de risicodeling, een korte hersteltermijn beperkt het aantal toekomstige generaties dat hierin kan worden betrokken en het niet kunnen beleggen tijdens de uitkeringsfase beperkt het fonds in zijn portefeuillekeuze. Het laatste correspondeert met eerder onderzoek dat concludeert dat deelnemers vaak een flexibele boven een vaste annuïteit verkiezen (Ambachtsheer, 2016).

Onzekerheid

Met deze resultaten biedt het onderzoek mogelijk enig houvast in de pensioendiscussie. Toch is hiermee het laatste woord zeker niet gezegd en wel om ten minste drie redenen.

Allereerst concentreert het onderzoek zich op aandelenrendementrisico. Dat lijkt de belangrijkste bron van risico, maar is niet het enige; ook de toekomstige inflatie, rente, wisselkoersen, levensverwachting, arbeidsproductiviteit en continuïteit van het stelsel zijn risicofactoren. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat het niet meenemen van deze risicofactoren de resultaten significant beïnvloedt.

Een tweede punt betreft de risicodeling binnen generaties. Pensioenen zijn sectoraal georganiseerd, in de vorm van bedrijfstak-, ondernemings- en beroepspensioenfondsen. Deze fondsen zijn niet identiek: niet in de pensioenregeling, niet in het deelnemersbestand, niet in de financiële positie. Dit beperkt de risicodeling binnen generaties. Neem om dit te verduidelijken bijvoorbeeld een schok op financiële markten die een pensioenfonds voor een deel opvangt door de premie te verhogen. Des te groter de groep pensioengerechtigden, des te forser de premieverhoging die nodig is om de schok te absorberen. Ofwel, werknemers in een grijs pensioenfonds worden met meer premieverhoging geconfronteerd dan vergelijkbare werknemers in een groen fonds. Risicodeling tussen de twee fondsen zou de welvaart verhogen, maar deze vorm van risicodeling blijft door de sectorale organisatie van pensioenen onbenut. Wat dit betreft is de oplossing die Bonenkamp et al. (2011) geven, namelijk de overgang naar een nationaal pensioenfonds, nog steeds interessant.

Enigszins vergelijkbaar hiermee is het onderscheid tussen werknemers in loondienst en zzp’ers. De laatsten doen voor een belangrijk deel niet mee aan de risicodeling die door pensioenfondsen wordt vormgegeven. Uitbreiding van de basis voor risicodeling door zzp’ers in de pensioenfondsen te laten opgaan, zou in het voordeel van zowel werknemers in loondienst als zzp’ers kunnen werken. Ook hier laat de huidige organisatie van pensioenen een deel van de mogelijke baten van risicodeling onbenut.

Conclusie

Wat kunnen we nu, samenvattend, stellen over de risicodeling bij collectieve pensioenfondsen? Dat is dat risicodeling bij collectieve pensioenfondsen de welvaart van deelnemers verhoogt, zij het minder dan eerder gedacht. Los daarvan zijn er meerdere mogelijkheden om de risicodeling tussen en binnen generaties te vergroten.

Voetnoten:

[1] Een meer uitgebreide versie is te vinden in Bonenkamp et al. (2015).

[2] Ik presenteer hier niet de precieze cijfers om te voorkomen dat de uitkomsten van een gestileerd model te direct vertaald worden naar de beleidsdiscussie; de waarde van het onderzoek ligt wat mij betreft meer in de kwalitatieve resultaten zoals hierboven geschetst.

Referenties:

Ambachtsheer, K.P., 2016, Solving the ‘annuity puzzle’: it’s all in how you ask the question, The AMBACHTSHEER Letter, February.

Bonenkamp, J., P. Broer en E. Westerhout, 2015, Intergenerationele risicodeling in collectieve en individuele pensioencontracten, Netspar design paper 42, Tilburg.

Bonenkamp, J., L. Meijdam, E. Ponds en E. Westerhout, 2011, Het ideaal van een nationaal pensioenfonds, Me Judice.

Lever, M., J. Bonenkamp en R. Cox, 2014, Doorsneesystematiek in pensioenen onder druk?, CPB Policy Brief 2014/01, Den Haag.

Ministerie van SZW, 2015, Kamerbrief Hoofdlijnen van een toekomstbestendig pensioenstelsel, 2015- 0000167904 , Den Haag.

Sinn, H.W., 2000, Why a Funded Pension System is Useful and Why it is Not Useful, International Tax and Public Finance 7, 389-410.

Westerhout, E., J. Bonenkamp en P. Broer, 2016, Intergenerationele risicodeling in collectieve en individuele pensioencontracten , TPE digitaal 2016, 37-53.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik