Back

Artikel

Home

Hoe de banken zich ontwikkelden van baken van rust tot ontwrichtende factor

6 mrt 2009
Onderwerpen: Corporate governance, Financiële markten
Waarom is het financiële system zo instabiel geworden? Waarom leidde, bijvoorbeeld, de depressie aan het begin van de jaren tachtig niet tot een systeemcrisis in het bankwezen zoals we die nu meemaken? De economisch-historicus Jan Luiten van Zanden vertelt het verhaal van de teloorgang van de banken aan de hand van het verdwijnen van geheime bankreserves en het vermarkten van risico en schuld. Alleen door nationalisatie kan het financiële systeem rust krijgen om weer na te denken hoe het weer een stabiele factor in de economie kan zijn.

De historie van bankreserves

De solvabiliteit van het Nederlandse bankwezen was in de jaren zeventig en tachtig was een onderwerp van veel speculatie. Elke bank had toen namelijk omvangrijke verborgen reserves, de zogenaamde VAR (Voorziening Algemene Risico’s), waarvan de omvang slechts aan een zeer selectie groep bankiers bekend was. Zelfs binnen de bank was dit een van de best bewaarde geheimen. Grote tegenvallers werden van de VAR afgeboekt, en jaarlijks werd een zeker bedrag toegevoegd, dat echter niet noodzakelijkerwijs in verband stond met de omvang van de VAR of de daarvan afgeboekte bedragen. De VAR was min of meer spontaan ontstaan en werd door de toezichthouder DNB in feite niet gereguleerd. De geschiedenis van deze verborgen reserves gaat terug tot de jaren dertig.

De teloorgang van de VAR

Tijdens de moeilijkste jaren van conjuncturele teruggang tussen 1979 en 1982 deed DNB - voor zover onderzoekers naar de geschiedenis van ABN AMRO hebben kunnen nagaan - wel een poging om regels in te voeren omtrent de gewenste omvang van de VAR, maar daar was het toen duidelijk niet het goede moment voor. Gealarmeerd door het feit dat de AMRO-bank, die sterk werd getroffen door de neergang, zeer grote bedragen moest afschrijven van de VAR werd het idee geïntroduceerd om de VAR vast te stellen op tenminste het niveau van twee tot drie keer de gemiddelde afgeboekte verliezen gedurende de afgelopen vijf jaar. Dit ambitieuze plan bleek echter een brug te ver: het was veel meer dan ABN of Amro zich konden veroorloven bij te boeken, en het leek geen goed idee om de banken daartoe te dwingen, want de bijboekingen konden niet geheel aan het oog van de wereld onttrokken worden. Grote bijboekingen duidden op grote verliezen, en ondermijnden daardoor toch het vertrouwen waar het allemaal om draaide. Het voorstel van DNB verdween van tafel en het is ook niet duidelijk of het ooit ingevoerd is. De banken werd zelfs toegestaan om in nominale termen op de VAR in te teren. Via ingewikkelde operaties die zich deels aan de waarneming van het publiek onttrokken, wist de Amro bank de VAR toch redelijk op peil te houden. En, ondanks speculaties van Pieter Lakeman en anderen daarover, kwam het grote publiek er nooit achter welke verliezen er geleden werden, en hoe (in)solvabel de banken echt geweest waren. Maar het vertrouwen bleef vrijwel ongeschokt – misschien meer door de onberispelijke krijtstrepen van directeuren zoals Batenburg dan door de feitelijke bedrijfsresultaten. De banken kwamen zonder grote kleerscheuren de jaren tachtig door.

Meer transparantie

De jaren negentig waren de jaren van meer transparantie en een constructie zoals de VAR was ondenkbaar. De VAR is dan ook toen afgeschaft. Banken hebben geen grote buffers meer om klappen op te vangen. Maar er is veel meer veranderd. De afschaffing van de VAR, of in feite het opnemen van deze reserves in de gepubliceerde jaarverslagen, is onderdeel van een algemene trend naar grotere transparantie van de jaarverslagen, en niet te vergeten de kwartaalverslagen. Een minstens zo belangrijk onderdeel daarvan betreft de waardering van bezittingen en schulden. Ik ben geen kenner van dit terrein, maar het is duidelijk dat in toenemende mate deze waardering gebaseerd is op actuele marktprijzen die van dag tot dag fluctueren. Waar balansgegevens in het verleden vaak historische kostprijzen reflecteerden – en dus een zeker mate van stabiliteit hadden – zijn deze door twee veranderingen steeds meer in beweging gekomen.

1. Vermarkten van schuld en bezit

Allereerst zijn er markten ontstaan van alle denkbare bezittingen en schuldtitels – denk alleen maar aan de markt voor tweedehands Amerikaanse hypotheken waar zoveel om te doen is. De markt waardeert dagelijks de waarde van alle vermogenstitels, en een plotse val de van subprime hypotheken heeft daardoor meteen gevolgen voor bijna elke Nederlandse bank.

2. Zekerheid door nog meer regels

Ten tweede zijn deze banken door groeiende internationale regelgeving op dit terrein, aan steeds nauwkeuriger regels gebonden voor het waarderen van hun bezittingen en schulden. Internationale banken opereren in een regime waarin de VS naast de EU de dienst uitmaakt, en Amerikaanse regelgeving op dit terrein is model gaan staan voor wat elders noodzakelijk werd gevonden. Men leze nog maar eens na wat daarover in De Prooi wordt geschreven over de invloed van de Amerikaanse overheid op de ABN Amro.

De gevoeligheid van de resultaten van banken en verzekeraars voor de conjunctuur is door deze veranderingen enorm toegenomen: als de wind in de rug is, stijgt de waarde van de bezittingen als vanzelf mee met de beurs op Wallstreet (simpel gezegd), en als het tegenzit, slaan riante winsten plots om in enorme verliezen (zoals we nu weten). Door deze waarderingsgrondslagen zijn banken dus zeer gevoelig geworden voor de conjunctuur.

Ook pensioenen in de greep

Een vergelijkbare ontwikkeling heeft zich in het pensioensysteem voorgedaan. Tot in de jaren tachtig werd er slechts in beperkte mate belegd op de beurs, omdat veel pensioenfondsen tamelijk conservatief waren en het risico van beleggen in aandelen wisten in te schatten. Bovendien was tot 2006 de rekenrente die men gebruikte om toekomstige verplichtingen om te zetten in huidige, een vast percentage – 4% was zeer populair – die niet mee bewoog met de conjunctuur. Nu is daarvoor – ten behoeve van transparantie en marktconformiteit – een marktrente afgesproken, die wel met de conjunctuur meegaat. Het gevolg is dat in goede jaren waarin de lange rente oploopt en de aandelenkoersen stijgen, de dekkingsgraad sterk toeneemt en de bedrijven soms zelfs ‘negatieve premies’ krijgen uitbetaald, die op hun beurt weer zorgen voor het verder oplopen van de beurskoersen. In slechte jaren, wanneer de lange rente daalt en de koersen instorten, is dan plots het pensioensysteem bijna failliet zoals we nu lijken mee te maken. Dat dwingt weer tot premieverhoging, of uitkeringsverlaging, of andere deflatoire maatregelen. “The tail wags the dog”, zeggen ze dan in Engeland. De pensioenfondsen zijn van een appel voor de dorst een ernstig pro-cyclisch probleem geworden.

Beursnotering maakt gevoeligheid nog groter

Dit is echter nog maar een deel van het verhaal. Vroeger, in de jaren zeventig en tachtig, was een groot deel van het financiële systeem niet beursgenoteerd, en daardoor tamelijk ongevoelig voor dit soort schokken. Men spaarde zijn geld bij de postgiro, of de Postbank, en die was in goede handen. Of bij een van de talrijke lokale spaarbanken, beheerd door stichtingen die niet naar winstmaximalisatie streefden. Ook deze buffers zijn verdwenen. Spaarbanken zijn commercieel gegaan, en hebben de gang naar de beurs gemaakt. Zoals het Fortis-verhaal illustreert, zijn het juist dit soort bedrijven die het moeilijk hebben. Dit lijkt meer dan toeval. In Engeland besloten in de jaren negentig op een vergelijkbare manier de ‘building societies’ - onderlinge fondsen gericht op de financiering van de huisvesting van hun leden via goedkope hypotheken – om hun bezit te verjubelen en naar de beurs te gaan. Hier waren grote bedragen mee gemoeid, niet alleen voor de leden maar ook, als aardige bijkomstigheid, voor het management. Deze tot banken omgebouwde coöperatieven waren de eerste slachtoffers van de kredietcrisis. Northern Rock, dat het dubieuze privilege had op de eerste bankrun sinds de negentiende eeuw, is daarvan het meest fameuze voorbeeld. In totaal ging het om bijna 60 instellingen die nu zonder uitzondering van de aardbodem verdwenen zijn. Een enkele generatie heeft wat in meer dan een eeuw werd opgebouwd, teniet gedaan.

Rabobank kwam bijna in de verleiding

In de jaren negentig werd in de Rabobank ook gediscussieerd over de verleiding van het naar de beurs gaan. Moest men het coöperatieve karakter opgeven en een echte beurs-NV worden? Er was veel geld mee gemoeid; er waren (en zijn) grote reserves, die voor een fraaie beurskoers zouden kunnen zorgen. En natuurlijk was de marktconforme beloning die voor het management in het verschiet lag ook niet de minste verleiding. Toch koos men niet voor deze weg. Door de checks and balances in deze complexe organisatie, waar de hoogste autoriteit de vergadering van aangesloten leden-banken is, zou dat ook niet makkelijk zijn geweest. De Rabobank bleef coöperatief en opteerde zelfs voor versterking van de identiteit als coöperatieve organisatie. Dat bleek een gelukkige keus: in de kredietcrisis is het een oase in een financiële wereld vol onrust gebleven.

De genoemde trends – grotere transparantie, betere waarderingsgrondslagen en boekhoudregels, en privatiseringen – hebben er toe geleid dat het financiële systeem bijzonder conjunctuurgevoelig is geworden, en tal van feedbacks kent die positieve en negatieve spiralen lijken te versterken. De beursnotering is een van de meest in het oog springende terugkoppelingsmechanismen, zoals de laatste maanden wel gebleken is. Omdat beleggers weten hoe conjunctuurgevoelig de banken zijn geworden, reageert de beurskoers meteen op slecht nieuws. Een dalende koers zet vervolgens een neerwaartse spiraal in werking: fondsen werden aan de bank ontrokken, aandelen verkocht, totdat een ingrijpen van buitenaf – door de staat – werd uitgelokt om de spiraal te doorbreken. In plaats van een rustgevende factor in slechte tijden, lijkt het financiële systeem een versterker van instabiliteit te zijn geworden. Daar komt bij dat de financiële sector in vergelijking met de reële economie enorm in omvang is toegenomen. Het bedwingen van deze bron van instabiliteit kan daardoor alleen maar tegen zeer hoge kosten gebeuren – en het eind lijkt nog niet in zicht. De financiële crisis die we nu meemaken is, zo beschouwd, niet veroorzaakt door een aantal bedrijfsongevallen op de Amerikaanse hypotheekmarkt, maar het gevolg van systematische veranderingen in het financiële raamwerk van de economie, waardoor een in principe beperkte verstoring kan leiden tot een enorme daling van de rentabiliteit en de solvabiliteit van het bank- en verzekeringswezen.

Hoe nu verder?

Het is de vraag of een en ander terug te draaien is. Boekhoudregels liggen vast in EU-verdragen en internationale afspraken, en er is wel iets voor te zeggen om de transparantie eerder verder te vergroten dan stille reserves als de VAR weer in te voeren. De tijden dat we ons vertrouwen vestigden in de persoon van de bankier lijken niet meer terug te keren. De enige uitweg uit deze instabiele situatie, althans op korte termijn, lijkt het van de beurs halen van de belangrijkste banken en verzekeraars, zoals voor ABN Amro en Fortis al met succes gedaan is. Vanaf dat moment lijken zij even veel rust uit te stralen als de Rabobank. Daarmee kan tijd gekocht worden, die we nodig hebben om opnieuw na te denken over de governance van financiële instellingen. Op dit punt laat het recente kapitalisme ons een beetje in de steek. Waar in het verleden verschillende vormen van bestuur van financiële instellingen naast elkaar bestonden, zoals coöperaties, verenigingen, stichtingen, familiebedrijven en naamloze vennootschappen, leidde de neoliberale golf van de afgelopen jaren tot een opvallende vernauwing van het perspectief: alleen de beurs-NV zou echt efficiënt zijn, was het argument. Het is een beetje zoals Ford zijn auto’s verkocht: het mag elke kleur zijn, als het maar zwart is – de keuze in organisatievormen is steeds meer beperkt tot die van de beurs NV.

Er moet misschien opnieuw creatief nagedacht worden over vormen van toezicht en beheer die recht doen aan de specifieke taken van het financiële systeem, zoals het verschaffen van een publiek goed (geld). Vlak na de oorlog – om nog een laatste historische voorbeeld aan te halen – was er een groot debat over de nationalisatie van De Nederlandsche Bank. Door sommigen werd dit gezien als het begin van het einde van de vrije markteconomie, door anderen als een praktische maatregel om de stabiliteit van het geldwezen veilig te stellen. Niemand ligt er nu meer wakker van dat DNB een staatsbedrijf is, en vermoedelijk zal niemand in ernst kunnen volhouden dat dit feit het functioneren van de centrale bank belemmerd heeft. De hervorming van het financiële systeem die voor ons ligt zal misschien in het verlengde hiervan kunnen liggen. Het moet denkbaar zijn om vormen van governance te ontwikkelen die meer stabiliteit van het financiële systeem garanderen.

* Dit artikel is in verkorte vorm overgenomen door NRC Handelsblad, d.d. 6 maart 2009.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik