Back

Artikel

Home

Het is niet het zware beroep, het is de levensstijl

21 jan 2010
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Arbeidsmarkt, Pensioen
Zware beroepen zitten een hogere pensioenleeftijd niet in de weg. Veel belangrijker is de ongezonde levensstijl van veel mensen met een laag inkomen, stellen economen Lans Bovenberg en Sweder van Wijnbergen. Daar moet het beleid zich op richten. Een idee is 60-plussers in ruil voor een minimumuitkering activiteiten te laten verrichten in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Dat houdt mensen actief, betrokken en gezond.

Ook pensioenleeftijd bedrijfspensioenen moet omhoog

Vergrijzing veroorzaakt problemen voor elk pensioenstelsel. Overdrachten aan ouderen kunnen plaatsvinden via de overheid – zoals bij de AOW – of via het opbouwen van vermogens – zoals bij de kapitaalgedekte bedrijfspensioenen. Maar hoe je het ook wendt of keert, in beide pensioenstelsels zullen vanwege de vergrijzing meer middelen opzij gezet moeten worden ten behoeve van gepensioneerden. Het kabinet heeft dan ook groot gelijk: niet alleen de AOW-leeftijd moet omhoog, maar ook de pensioenleeftijd voor de bedrijfspensioenen. Wegvallende AOW-jaren ‘opvullen’ met reparatie via de 2de pijler, zoals FNV-voorzitter Agnes Jongerius voorstelde, lost niets op.

Ook de praatjes van Marcel van Dam vullen geen gaatjes. Zijn deus ex machina – meer ouderen, meer belastinginkomsten uit de aanvullende bedrijfspensioenen – is een praatje voor de vaak. Deze inkomsten zijn namelijk niet beschikbaar voor het financieren van de stijgende AOW-uitgaven, maar zijn hard nodig voor andere uitgaven ten behoeve van de groeiende groep ouderen zoals de AWBZ en de vereveningsbijdragen in de zorgverzekeringswet. Daarnaast blijven middelen nodig om het onderwijs en de pensioenaftrek voor jongeren te financieren.

Koppel pensioenleeftijd aan verwachte levensduur

Voor een duurzame AOW in het zicht van de vergrijzing zijn maar drie smaken: hogere premies, lagere uitkeringen of een hogere pensioenleeftijd. Hogere premies spannen het paard achter de wagen, omdat ze de werkgelegenheid en daarmee de financieringsbasis van de verzorgingsstaat uithollen. Lagere jaarlijkse uitkeringen is hardvochtig, omdat de AOW voor een grote groep lagere inkomens de hoofdbron van inkomen is. Blijft over een hogere pensioenleeftijd. Deze optie ligt het meest voor de hand omdat de verwachte levensduur de laatste jaren aanzienlijk is gestegen. Waarom zouden die extra jaren allemaal in de vorm van vrije tijd genomen moeten worden? Ook na de aangekondigde hervormingen zal de levensverwachting waarschijnlijk blijven stijgen. Willen we een echt duurzame oplossing, dan moet de pensioenleeftijd gekoppeld worden aan de verwachte levensduur. Jongere generaties krijgen hun pensioen later, maar profiteren toch nog net zo lang van als de huidige oudere generaties, omdat ze langer leven. Zo’n eerlijke, duurzame regel vermijdt telkens terugkerende conflicten over de pensioenleeftijd.

Een ander belangrijk voordeel van een hogere pensioenleeftijd is dat het de financieringsbasis voor andere collectieve uitgaven verbreedt. Want ook de verzorgingstaat heeft drie opties in het licht van de vergrijzing: bezuinigingen, hogere belastingen of een bredere financieringsbasis. Een hogere pensioenleeftijd draagt bij aan de laatste optie en voorkomt verschraling van de zorg voor kwetsbare ouderen en het onderwijs voor onze kinderen. Niet voor niets kennen de Scandinavische landen met hun grote arbeidsintensieve collectieve sector de hoogste pensioenleeftijd.

Korter (werkzaam) leven komt niet door zwaar beroep

De vakcentrales stellen terecht dat een hogere pensioenleeftijd niet voor iedereen even hard aankomt. Mensen met lagere inkomens leven korter dan hogere inkomens, en willen meestal ook eerder stoppen. Dat heeft echter meer te maken met een zwakke sociaaleconomische positie dan met een zwaar beroep. Verschillen in levensverwachting tussen arm en rijk komen niet zo zeer door slijtage op het werk, maar door een ongezondere levensstijl van mensen met een zwakke sociaaleconomische positie. Navrant is dat na pensionering deze gewoontes meestal verder verslechteren. Mensen vroeg afschrijven door ze met pensioen te sturen vergroot juist de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk.

Beter is het om volledig in te zetten op verandering van de ongezonde levensstijl, tijdige omscholing van zware beroepen naar ander werk, en verbetering van de arbeidsmarktkansen van lager opgeleiden – bijvoorbeeld door loonkostensubsidies. Maar ook kan gedacht worden aan een speciale inkomensvoorziening op gemeentelijk niveau waarbij 60-plussers in ruil voor een minimumuitkering activiteiten verrichten in het kader van de WMO. Zo wordt voorkomen dat 75-plussers vereenzamen en 60-plussers er een nog ongezondere levensstijl op na houden. Mocht ondanks alles vervroegd pensioen de enige optie zijn dan moet de uitkering met ongeveer 8 procent worden verlaagd voor elk jaar dat de uitkering eerder genoten wordt. Om te voorkomen dat groepen met weinig aanvullend pensioen onder het sociale minimum komen als ze de AOW vroeger opnemen kunnen speciale inkomensvoorzieningen voor ouderen weer uitkomst bieden.

Oplossing voor de lange termijn

Zo krijgen we een bevredigende langetermijnoplossing met drie sporen. In de eerste plaats een pensioensysteem waar de verhouding tussen actieve en inactieve jaren niet uit het lood slaat als de levensverwachting stijgt. Vervolgens een verzorgingsstaat die zijn financieringsbasis koestert door vol in te zetten op het opbouwen, onderhouden en benutten van menselijk talent en het verminderen van gezondheidsongelijkheid als gevolg van de ongezonde, inactieve levensstijl van kwetsbare sociaaleconomische groepen. En tenslotte solidariteit met ouderen die ondanks al deze maatregelen geen werk kunnen vinden in de particuliere sector.

Dit artikel is eerder verschenen in NRC Handelsblad van woensdag 20 januari 2010.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik