Back

Artikel

Home

Het gaat over pensioenen maar is het ook een akkoord?

18 jun 2011
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Arbeidsmarkt, Pensioen
Op de vrijdagochtend dat kabinet, werkgever en vakbeweging, blij als schipbreukelingen met land in zicht, het pensioenakkoord presenteerde sprak Rutte over een “akkoord voor de toekomst”. Maar is het wel een akkoord en heeft het toekomst?

Het bewuste akkoord

Er was in elk geval handjeklap tussen Jongerius en Wientjes. De vakbond heeft binnengehaald dat de AOW niet alleen voor inflatie wordt gecorrigeerd maar vanaf 2013 ook elk jaar extra met 0,6 procent zal stijgen. Vanaf 2020 gaat de pensioenleeftijd naar 66 jaar. Tegen die tijd is de AOW genoeg gestegen zodat iedereen op zijn 65ste met pensioen kan, zonder er op achteruit te gaan. Hij of zij krijgt de AOW die er ook zou geweest zijn zonder dit akkoord. Daarmee kan de vakbond aan zijn leden vertellen dat de pensioenleeftijd weliswaar op papier is verhoogd, maar in feite niet.

In ruil daarvoor hebben de werkgevers de zekerheid op stabiele pensioenpremies gekregen. In slechte tijden, als de beursnoteringen naar beneden duikelen zoals na het inklappen van de internethype tien jaar geleden en tijdens de Grote Recessie, hoeven de werkgevers geen hogere pensioenpremies te betalen om het gat in de pensioenfondsen aan te vullen. Daardoor worden de paniekaanvallen vermeden die ontstaan wanneer een pensioenfonds weer beneden de veilige grens zakt en komt er stabiliteit in de ontwikkeling van de toekomstige loonkosten.

Het is leuk als met veel fanfare wordt bevestigd wat iedereen al wist, namelijk dat de pensioenleeftijd naar boven gaat. Het is goed dat pensioenpremies niet oneindig kunnen stijgen, want dat ondermijnt de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Tegelijk is dit een zwak compromis.

Wie is de klos?

Om te beginnen is er het late tijdstip waarop de verhoging van de pensioenleeftijd ingaat: in 2020 pas. Dat betekent dat een groot deel van de babyboomers buiten schot blijven, namelijk de grote geboortecohorten van de eerste tien jaar na de oorlog (1945-55). Daarenboven gaat hun AOW extra stijgen. Je kan van deze babyboomers niet zeggen dat ze zich tekort doen. Er bestaat in het weldenkend deel van de samenleving al een stevige consensus over de onvermijdelijkheid van een latere pensioenleeftijd. Enquêtes onder jongere generaties tonen aan dat zij al lang hebben ingecalculeerd dat ze langer moeten werken. Waarom worden oudere generaties dan nog altijd buiten schot gehouden?

De afspraak om de AOW vanaf 2013 elk jaar te verhogen zodat men toch nog op zijn 65ste kan uittreden in 2020 met nauwelijks enige nadelige financiële consequentie, geeft de verkeerde prikkel. Dit pensioenakkoord is nodig om er voor te zorgen dat mensen langer werken, zodat ze langer belasting betalen en premies afdragen, waardoor we als samenleving de vergrijzingkosten (pensioenkosten en zorgkosten) beter kunnen dragen. De afgesproken AOW-regeling geeft echter een extra prikkel om vervroegd uit te treden en ondermijnt daarmee de raison d’ être van dit akkoord.

De werkgevers hebben stabiele pensioenpremies binnen gehaald en dragen daarmee niet langer het risico van de schommelingen in de financiële positie van de pensioenfondsen. Er wordt in het akkoord gesteld dat de mee- en tegenvallers in het pensioen worden verwerkt, weliswaar verspreid over meerdere jaren. Dat kan je toch alleen maar lezen dat rondom de vette jaren de pensioenen zullen stijgen en rondom de magere jaren zullen ze dalen. Het risico wordt daarmee zonder blikken of blozen bij de werknemers en de pensioenontvangers gelegd. Dat risico is de prijs die ze moeten betalen voor het oppimpen van de AOW.

Een akkoord is pas een akkoord als het probleem wordt opgelost

Wat er nu ligt gaat inderdaad over pensioenen, maar het is niet echt een akkoord want hiermee is het pensioengebouw nog niet gerenoveerd en de haperende arbeidsmarkt voor oudere werknemers is nog niet gerepareerd. De pensioenrisico’s bij de werknemers leggen, is een heikel punt. Om dit te verzachten is afgesproken dat vakbonden en werkgevers dit punt kunnen bijstellend tijdens het toekomstig cao overleg. De restrictie is wel dat werknemers betere pensioendeals kunnen krijgen op voorwaarde dat ze die “zelf betalen”, bijvoorbeeld door minder loongroei te accepteren. Dat is de enige manier waarop werkgevers de garantie behouden dat hun loonkosten niet meer stijgen door de pensioenlasten. Vakbonden worden hier waarschijnlijk niet gelukkig van.

Als het pensioenakkoord dat er nu ligt in de 1100 cao’s en in de 500 pensioenfondsen die Nederlands rijk is op een geheel eigen manier kan worden getoonzet, dan gaan de duizend bloemen van Mao echt bloeien. De grote variatie maakt dat iemand die van baan wisselt van een riante voorziening in een uiterst karige kan vallen en omgekeerd. Niet direct bevorderlijk voor de zo noodzakelijke arbeidsmobiliteit. Daarenboven ontstaat variatie in een collectief overleg en dat weerspiegelt niet altijd de individuele voorkeuren van werknemers. Nu we blijkbaar toch bereid zijn om veel variatie in pensioenvoorwaarden te accepteren waarom gaan we dan niet door tot de logische conclusie: een individuele pensioenvoorzieningen die iedereen zelf kan regelen zoals hij of zij dat wil in plaats van een collectivistisch keurslijf?

Dan is er ook het punt van de in alle toonaarden verspreide ontevredenheid in de achterban bij de vakbonden. Niet alleen de leden van FNV Bondgenoten zijn gekant tegen het pensioenakkoord. Ook binnen het MHP is niet iedereen gelukkig. Er is een behoorlijke kans dat het pensioenakkoord straks wordt weggestemd en letterlijk geen akkoord blijkt te zijn. Maar ook het akkoord voor de poorten van de hel wordt weggesleept, voldoet dit niet aan wat van een polderdeal mag worden verwacht. Als er niet echt een stevig unaniem onbetwist akkoord ligt tussen de sociale partners, dan valt het fundament onder het nut van polderakkoorden weg. Dan is er niet echt een maatschappelijk draagvlak meer en kan je als samenleving de pensioenherzieningen beter helemaal via de Tweede Kamer laten lopen.

Grote gaten in de dijk

Tenslotte is dit geen akkoord omdat een essentieel onderdeel ontbreekt, namelijk afspraken over de arbeidsmarkt van oudere werknemers. De arbeidsmarkt voor oudere werknemers bestaat niet omdat oudere werklozen nauwelijks aan de bak komen. Werkgevers kiezen in sollicitatiegesprekken altijd voor jongeren. Oudere werknemers veranderen nauwelijks van baan: ze blijven zitten waar ze zitten en hebben geen deel aan de zo belangrijke dynamiek van de economie. Er wordt nauwelijks in oudere werknemers geïnvesteerd. Duidelijk is dat de arbeidproductiviteitsgroei van oudere werknemers na hun vijftigste, veel lager is dan die van twintigers en dertigers. De arbeidsmarkt van de oudere werknemers is een dode boel. Nu er een akkoord is gesloten waarin het de bedoeling is om oudere langer te laten werken, hadden daar ook afspraken in moeten staan over het investeren in oudere werknemers en over het bevorderen hun productiviteit en inzetbaarheid. Niets daarvan in dit akkoord. Behalve dan de verwijzing dat dit ook weer kan geregeld worden in de cao’s.

Er wordt - en dat was voor vele een verrassing toen dit werd bekend gemaakt - gesproken over een “mobiliteitsbonus”. Dat is een bedrag dat werkgevers krijgen als ze oudere werknemers aannemen Dat is een verkeerde maatregel. Een mobiliteitsbonus is een etiket dat aangeeft dat elke oudere minder productief is en dat men de werkgever moet compenseren voor het in dienst nemen van een dergelijke onvolmaakte arbeidskracht. Misschien zijn er nog wel argumenten te verzinnen voor een bonus als een langdurig oudere werknemer wordt aangenomen om te compenseren voor het verlies aan ervaring na vele maanden buiten de arbeidsmarkt. Een dergelijke maatregel bestaat overigens al in de vorm van loonkostensubsidies. Maar het is geheel verkeerd beleid om dit voor iedere oudere werknemer te doen.

Waarom is dit akkoord op aarde?

Dit akkoord is aan het volk van Nederland bekend gemaakt omdat we nu al weten dat we straks de vergrijzingkosten niet kunnen betalen. Volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau zijn die toekomstige kosten alleen maar te hanteren als we nu maatregelen nemen die er voor zorgen dat de overheid structureel meer geld overhoudt dan ze uitgeeft. Wat de overheid structureel meer moet overhouden noemt het Centraal Planbureau het “houdbaarheidstekort” en dat is ongeveer 2,2 procent van het BBP. Volgens de berekeningen verbetert dit pensioenakkoord die houdbaarheid met 0,7 procent. Dat akkoord lost het houdbaarheidstekort maar voor een derde op betekent dat de regering nog altijd ergens twee derde vandaan moeten halen. Uit forse bezuinigingen bijvoorbeeld. Op de dag dat het kabinet ’s ochtends aanwezig was in de polderpresentatie van het pensioenakkoord, besloot ze ’s middag dan ook gretig over de bezuinigingen in de kunst.

Wat er nu ligt, is onvolledig en onvolmaakt en zeker geen akkoord waarmee we de toekomst hebben veilig gesteld.

* DIt iseen uitgebreide versie van het artikel dat op 18 juni in de Volkskrant verscheen.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik