Back

Artikel

Home

Het Duitse monetaire trauma gijzelt de eurozone

22 feb 2016
Onderwerpen: Monetair beleid
De magie van centrale banken is uitgewerkt en waar nu de nadruk op zou moeten liggen is overheidsbeleid. Volgens de Utrechtse econoom Piet Keizer is het vooral aan de dogmatische kijk van beleidsmakers en economen te wijten dat men een andere kijk of andere politiek aandurft. Hij komt met een onconventioneel experiment om politici op andere gedachten te brengen.

Wanhopige beleidsmakers

De eurozone blijft steken op een veel te hoog niveau van werkloosheid (10%). Bij de invoering van de euro is de budgetpolitiek aan banden gelegd. Nu we sinds 2008 in een depressie zitten (niet een recessie), en daarom monetaire politiek ineffectief is geworden, hebben we geen beleidsopties meer om uit dit dal te komen. Bankpresident Draghi (ECB) is dapper bezig de banken van veel liquiditeit te voorzien. Maar het is voor iedereen onduidelijk wat de door de banken gevraagde hoeveelheid liquiditeit is. Daarnaast heeft hij de depositorente negatief gemaakt. Met andere woorden, banken worden ontmoedigd om liquiditeit aan te houden. Dit illustreert de wanhoop: iedereen kijkt naar de ECB, terwijl de oplossing alleen is gelegen in een adequate begrotingspolitiek. In het vervolg zullen we laten zien dat het gevoerde beleid het gevolg is van irrationaliteit aan de kant van de politici en economen die aan de macht zijn.

Crisisbestrijding

In de eerste jaren van de crisis werd de monetaristische visie van Friedman gevolgd. Deze benadering houdt in dat een vrije-markteconomie een stabiel systeem is, onder de voorwaarde dat de monetaire autoriteiten gedurende een recessie dreigende geldvernietiging tegengaan door middel van een ruime monetaire politiek. In de Verenigde Staten werd deze aanpak begeleid door een forse herstructurering van het bankwezen. Dat heeft de overheid veel geld gekost, maar de banken zijn daar wel gezonder door geworden. In de eurozone is dat achterwege gebleven.

Zijn theorie heeft echter niet de pretentie aan te geven hoe een vrije-markteconomie – eenmaal in een depressie – daar weer uit kan komen. De consumenten en investeerders in de eurozone blijken ‘economisch-depressief’: hun economische verwachtingen over een middellange termijn zijn niet positief. Daarom zullen eventuele inkomensstijgingen als meevallers worden beschouwd, en gebruikt voor het aflossen van schulden en het verhogen van de spaartegoeden (balansdepressie). Nu er zo’n acht jaren zijn verstreken, en de eurozone zich nog steeds niet heeft hersteld, kan worden vastgesteld dat het gevoerde beleid op een dogma berust.

Wat maakt een bewering tot een dogma?

Neurowetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen, dat informatie, die past bij een opgeslagen kennisstructuur zonder veel cognitieve overwegingen snel wordt opgeslagen (Kahneman, 2011). Informatie die niet in aanwezige kennisstructuren past wordt apart genomen, overwogen en beoordeeld. Een tweede bevinding uit dit type van onderzoek is dat informatie vaak groepsgewijs wordt aanvaard of verworpen. Als we de beide bevindingen tezamen nemen, ontstaat het volgende beeld. Een geest (‘mind’), die over een lange periode een neoklassieke kennisstructuur heeft opgeslagen, zal een onderzoeksresultaat, dat stelt dat een prijsdaling heeft geleid tot een daling van de gevraagde hoeveelheid van dat goederenpakket niet snel opnemen. Als deze informatie wordt gepresenteerd in combinatie met een hele reeks van - voor een neoklassiek gestructureerde geest - onwaarschijnlijkheden, dan is de kans groot dat deze groep van informatie niet wordt opgeslagen. Als een volgende keer weer onwaarschijnlijke informatie van hetzelfde type wordt aangeboden, wordt de kans steeds groter dat die weer wordt afgewezen. De kennisstructuur, die wel is opgeslagen, wordt op deze wijze steeds sterker. We noemen een persoon dogmatisch, als hij of zij – ondanks aandringen van personen uit zijn omgeving, weigert nieuwe kennisstructuren te bestuderen. Een dergelijke weigerachtige houding is typerend voor een irrationeel persoon. De vraag is nu waar die ongelooflijke halsstarrigheid op het terrein van monetaire en budgetaire politiek vandaan komt.

Irrationaliteit in de macro-economie

In 1975 maakte ik een reis door West-Duitsland met een kleine groep van algemene-economiestudenten. Een bezoek aan de Duitse Centrale Bank stond ook op het programma. We werden door een aantal leden van de Raad van Bestuur ontvangen en het gespreksthema, dat door ons was aangedragen, was inflatie. Het werd ons snel duidelijk gemaakt dat dit het ergste kwaad was dat een economie kon overkomen. Er kon ook niet verder over gepraat worden. Er zijn gewoon geen voordelen, en de nadelen zijn altijd en overal heel groot. “Luister nu maar naar ons – we weten het -, daarvoor zijn jullie hier toch?” Deze ervaring is me mijn leven lang bijgebleven. Iets is zo, en daar kan niet over gepraat worden.

Een paar jaren geleden stonden er regelmatig interviews met Duitse monetaire experts in de media. Ze vroegen zich steeds af waarom de andere leden van de eurozone zo veel moeite hadden met het Duitse standpunt. “Wij hebben een monetair trauma opgelopen in 1923, en we willen dat jullie daar begrip voor opbrengen” (Otmar Issing, 20 maart 2010, NRC). In mijn boek Multidisciplinary Economics (2015) heb ik vanuit een zestal psychologische perspectieven dit Duitse trauma belicht. De Duitsers zien een trauma kennelijk niet als iets negatiefs – alleen maar als een ontdekking van een grote fout,een fout die ze nooit meer willen maken. Maar de onmogelijkheid om met belangrijke personen over inflatie en monetaire politiek te praten, maakt dat het trauma de slachtoffers irrationeel heeft gemaakt.

Keynes heeft in zijn General Theory een analyse gemaakt van een economie in een depressie. Helaas wordt zijn werk nauwelijks aan universiteiten gedoceerd. Wel wordt zijn naam te pas en te onpas bij allerlei beleidsvoorstellen genoemd. Maar echte kenners van zijn werk zijn in continentaal Europa nauwelijks meer te vinden (zie Keizer (2015) voor een uitgebreide behandeling van heterodoxe economie, waaronder de radicale en de post-Keynesiaanse economie). Keynes zou in de huidige situatie twee voorstellen doen, waaruit gekozen kan worden: (1) Overheden van landen met een betalingsbalansoverschot verhogen hun infrastructurele investeringen, gefinancierd uit het grote spaaroverschot dat de meeste landen hebben; en (2) hetzelfde type investeringen maar dan monetair gefinancierd. Op dit moment hebben de particulieren grote behoefte aan liquiditeit, terwijl de aangeboden hoeveelheid maar een beetje is gestegen en nota benein 2015 is de geldhoeveelheid in de eurozone zelfs met 3% gedaald. De kwantitatieve verruiming heeft vooral de banken van ruime hoeveelheden liquiditeiten voorzien – nodig om het bankwezen weer gezond te maken.

Politieke patstelling

De Duitsers willen een renteverhoging en een stop op het aankopen van staatsobligaties door de ECB. De Fransen en de Italianen willen een Keynesiaans beleid. De Duitsers willen en kunnen daar niet over praten. Het compromis, dat gesloten is, houdt in: weg met Keynes, en maar doormodderen met de zogenaamde kwantitatieve verruiming – ook al helpt het veel te weinig.

Een ongewoon experiment

Hoe komen we uit deze patstelling? Mijn voorstel is om een experiment uit te voeren. Een groep Duitse neoklassiek-opgeleide economen en politici krijgen college over het post-Keynesianisme en de radicale economie. Ze moeten daarover een toets afleggen, die door heterodoxe economen wordt afgenomen en nagekeken.

Een groep Franse en Italiaanse economen en politici moeten een toets afleggen over het neoklassieke denken, nadat ze een reeks colleges daarover hebben gevolgd. Deze toets wordt gemaakt door neoklassiek-georienteerde experts.

Tot slot worden er eurozone-onderhandelingen georganiseerd, waarin de Duitsers de posities van Frankrijk en Italie moeten innemen, en de Fransen en Italianen de positie van Duitsland. Na afloop moeten de twee delegaties elkaars strategie beoordelen. Na een reflectie-periode van een half jaar wordt door alle deelnemers het experiment geëvalueerd. Het belangrijkste doel van dit experiment is een verandering van de hersenstructuur van de deelnemers. Informatie blijkt neurologisch ingebed te zijn. Voor bepaalde informatie zijn mooie snelwegen in de hersens aangelegd, en voor informatie, die een bedreiging vormt voor de positie die een persoon inneemt in de maatschappij, zijn slechts glibberige bergweggetjes beschikbaar. Voor een rationelere besluitvorming is een herstructurering van de hersenen van essentieel belang.

Referenties

Kahneman, D. (2011), Thinking Fast and Slow, London: Penguin Group.

Keizer, P. (2015), Multidisciplinary Economics, Oxford: Oxford University Press.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik