Back

Artikel

Home

Goedkope praatjes over keuzevrijheid in pensioen

6 nov 2014
Dossiers: Pensioen
Onderwerpen: Pensioen

De nationale pensioendialoog - aangevoerd door Jetta Klijnsma - is in volle gang. Iedereen mag zijn zegje doen, maar hoe betrouwbaar zijn die meningen? Harry van Dalen en Kène Henkens leggen ook hun oor te luister bij de pensioendeelnemer en komen tot de conclusie dat men de wensen en meningen over keuzevrijheid in pensioenzaken met een korrel zout moeten worden genomen,

Keuzevrijheid in pensioen

Het pensioenstelsel moet op de schop. De maatschappij vergrijst en wordt individueler en internationaler, de arbeidsmarkt verandert. Dat is de algemene opinie en context, maar in welke richting? En dan ontstaat de onenigheid. Het gebrek aan consensus is zo groot dat staatssecretaris Klijnsma het ook niet meer weet en haar oor te luister legt bij het grote publiek. Aan de nationale pensioendialoog mag iedereen meenemen en de voorlopige indruk is dat keuzevrijheid in pensioenzaken zeer gewenst is (Issuemonitor Pensioenen 2014). Van de ondervraagde Nederlanders wil 60 procent kiezen met welk risico wordt belegd, 58 procent wil kiezen hoeveel premie maandelijks wordt betaald, en 45 procent wil de mogelijkheid hebben om uit de pensioenregeling te stappen en zelf over het pensioengeld beschikken. Luisteren is altijd goed, zou men zeggen. Maar wat wil staatssecretaris Klijnsma uiteindelijk met al die meningen? Onze stelling is dat het toch enig gezond verstand en kennis van de beperktheid van de ratio vereist om dergelijke wensen te interpreteren. Gelooft men dit soort cijfers? Of anders gesteld: wat wil de pensioendeelnemer nu echt?

Alles bij het oude?

Experts hebben al jaren gewezen op het feit dat het Nederlands stelsel veel goede kenmerken bevat en voor sommige landen zelfs als een gidsland wordt gezien. Her en der wordt gewezen op de wenselijkheid om meer keuzevrijheid te introduceren. Op dit moment is er al keuzevrijheid ten aanzien van de pensioendatum en daarnaast kan men het tijdpad van de uitkering  variëren en kan men soms het nabestaandenpensioen omwisselen in ouderdomspensioen (Van Ewijk et al. 2014). Echter, door te veel keuzevrijheid in het pensioenstelsel te introduceren zou men het kind met het badwater kunnen weggooien. Meer keuzevrijheid biedt de mogelijkheid om maatwerk in de levensloop aan te bieden, en het kan de betrokkenheid van mensen bij hun pensioen vergroten. Een nadeel is dat keuzevrijheid op het terrein van pensioenen een kwaliteit is die de nodige (financiële) kennis en risicobereidheid vergt die slechts een klein percentage bezit of wil bezitten. En wellicht nog belangrijker: keuzevrijheid biedt de mogelijkheid om zich te onttrekken aan de collectiviteit van een pensioenfonds.

Keuzevrijheid belangrijk?

Om de discussie over keuzevrijheid te verdiepen willen wij op deze plaats het begrip keuzevrijheid tegen het licht houden en vooral bezien wie daar behoefte aan heeft. In juni 2014 is een serie vragen voorgelegd aan het CentERpanel, een panel dat een afspiegeling is van de Nederlandse bevolking. Van de 3.035 panelleden van 16 jaar en ouder hebben 2.103 respondenten de vragenlijst volledig ingevuld (responspercentage 69%).

Een probleem bij het vragen naar keuzevrijheid is dat het begrip vrijheid een sterke positieve connotatie heeft. Wie naar vrijheid vraagt kan derhalve naar verwachting al snel op veel steun rekenen. Vrijheid is een groot goed en moet altijd worden beschermd. Om te voorkomen dat te gemakkelijk een bias sluipt in de beoordeling van het belang van keuzevrijheid hebben we ervoor gekozen om zowel de mening te peilen van deelnemers op twee wijzen te meten. Daarbij hebben we de volgende aanpak gevolgd (zie ook de bijlage onderaan).

De totale groep van respondenten die verbonden is aan een pensioenfonds is (aselect) opgesplitst in twee groepen. De ene groep deelnemers is uitsluitend gevraagd zijn oordeel uit te spreken of men voor verschillende onderdelen van het pensioencontract keuzevrijheid belangrijk vindt of niet. De andere groep werd de alternatieve vraag voorgelegd in hoeverre men het belangrijk vindt dat er veel pensioenzaken automatisch geregeld worden door het pensioenfonds. Beide groepen moesten derhalve oordelen over in beginsel dezelfde onderdelen van het pensioencontract met dit verschil dat men onafhankelijk van elkaar de wenselijkheid van keuzevrijheid dan wel het ontbreken van keuzevrijheid moest beoordelen. De onderdelen van het pensioencontract hadden onder meer betrekking op (zie de volledige vragen onderaan in de bijlage):

  • hoeveel van het loon wordt ingelegd voor het pensioen;
  • de mogelijkheid om pensioengeld eerder voor andere doelen dan pensioen op te nemen;
  • de aansluiting bij een pensioenfonds;
  • de samenstelling van het pensioenpakket (dus of oudedagspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen deel uitmaakt van pakket); en
  • het risico waarmee wordt belegd.

Belang keuzevrijheid

In tabel 1 ziet men de resultaten voor het deel van de steekproef dat gevraagd werd naar het belang van keuzevrijheid. Deze resultaten doen vermoeden dat keuzevrijheid een groot goed is. Dat is overduidelijk wanneer het om het risico gaat waarmee pensioengelden worden belegd. Het is echter ook redelijk duidelijk wanneer gevraagd wordt naar de samenstelling van het pensioenpakket en de vraag of er veel dan wel weinig van het loon wordt ingelegd bij het pensioenfonds. De enige dissonant in het verhaal betreft de vrijheid om pensioengelden eerder op te nemen voor andere doelen dan pensioen (hoewel ook hier ruwweg een derde van de ondervraagden keuzevrijheid belangrijk vindt). Het is het enige aspect waar het percentage mensen dat keuzevrijheid onbelangrijk vindt hoger is dan het percentage dat meer keuzevrijheid toejuicht.

Tabel 1: Mening van pensioendeelnemers over het belang van keuzevrijheid voor onderdelen van het pensioencontracta


(zeer) onbelangrijk

neutraal

(zeer) belangrijk

Hoeveel van loon wordt ingelegd voor pensioenb

5

30

65

Opname pensioenvermogen

38

35

27

Aansluiting bij pensioenfonds

8

37

55

Samenstelling pensioenpakket

4

27

69

Risico waarmee pensioengeld wordt belegd

1

17

82

(a) De vragen die werden voorgelegd luidde voor de casus van keuzevrijheid: “Als u nadenkt over uw pensioenfonds, hoe belangrijk vindt u het dat u de vrijheid moet hebben om te kiezen ten aanzien van de volgende zaken?” Voor een volledige omschrijving van antwoordcategorieën zie bijlage; (b) deze vraag is alleen voorgelegd aan deelnemers jonger dan 65 jaar.

Onbelang keuzevrijheid

In tabel 2 presenteren we de gegevens van de steekproef die de alternatieve vraag kreeg voorgelegd. Hier werd dus niet gevraagd naar het belang van keuzevrijheid maar juist hoe belangrijk men vindt dat bepaalde pensioenzaken automatisch worden geregeld door het pensioenfonds. In beginsel zou men verwachten dat het grote belang van keuzevrijheid correspondeert met een gering belang dat zou worden gehecht aan pensioenzaken die - buiten de deelnemer om - automatisch geregeld worden. De uitkomsten laten echter iets totaal anders zien. Het beeld dat oprijst uit tabel 2 is contra-intuïtief. Het suggereert een sterke hang naar het uitbesteden van keuzes naar het eigen pensioenfonds en dat is weer in tegenspraak met de resultaten in tabel 1. De bevinding dat 80 procent van de ondervraagden aangeeft het belangrijk zegt te vinden dat het automatisch geregeld is “hoeveel van het loon wordt ingelegd voor het pensioen” kan moeilijk worden geïnterpreteerd als een roep om meer keuzevrijheid. Hetzelfde geldt voor de antwoorden die betrekking hebben op de samenstelling van het pensioenpakket (79% vindt het belangrijk dat men automatisch het standaardpakket krijgt) en het bepalen van het beleggingsrisico. Over het geheel van deze vragen lijkt de discrepantie tussen de antwoorden in de twee groepen het geringst ten aanzien van het eerder opnemen van opgespaarde pensioengelden. In de eerste steekproef geeft 27% aan keuzevrijheid belangrijk te vinden (en 38% onbelangrijk). In de tweede steekproef vindt 62% het belangrijk dat pensioengeld niet eerder kan worden opgenomen (12% vindt dit onbelangrijk).

Tabel 2: Mening van pensioendeelnemers over het belang dat zaken in pensioencontract automatisch geregeld worden door eigen pensioenfondsa


(zeer) onbelangrijk

neutraal

(zeer) belangrijk

Hoeveel van loon wordt ingelegd voor pensioenb

5

15

80

Opnamebeperking pensioenvermogen

12

26

62

Aansluiting bij pensioenfonds

13

27

60

Samenstelling pensioenpakket

3

18

79

Risico waarmee pensioengeld wordt belegd

4

17

79

(a) De vragen die werden voorgelegd luidde voor de casus van de standaardregeling “Als u nadenkt over uw pensioenfonds, hoe belangrijk vindt u het dat daar de volgende zaken voor u automatisch geregeld zijn?”; Voor een volledige omschrijving van antwoordcategorieën zie bijlage. (b) deze vraag is alleen voorgelegd aan deelnemers jonger dan 65 jaar.
Bron: NIDI (2014), Pensioenvertrouwen

Om het inzicht in ‘gewenste’ keuzevrijheid nog wat verdiepen hebben wij de pensioendeelnemers (van 65 jaar en jonger) de keus voorgelegd om hun pensioenfonds te verlaten en over te stappen naar een ander pensioenfonds dan wel hun geld over te hevelen naar een bank of een verzekeraar. Gesteld voor de keuze besluit ongeveer 1 op de 4 deelnemers dit te doen. Het uitstappen uit het pensioenfonds is echter vooral geboren uit onvrede en niet zozeer uit vertrouwen in alternatieve aanbieders. Met andere woorden, indien keuzevrijheid wordt geboden op een van de belangrijkste elementen van het Nederlandse pensioenstelsel dan valt het te betwijfelen of dit de ontevreden deelnemers helpt. Op z’n hoogst maakt de geboden keuzevrijheid het de deelnemers mogelijk om hun boosheid om te zetten in een afstraffing van hun huidige pensioenfonds. Dat men hiervoor terecht komt bij een uitvoerder waar men zelf twijfels bij heeft wordt blijkbaar op de koop toe genomen.

Dubbelhartige pensioendeelnemer

In bovenstaande resultaten toont de pensioendeelnemer zich op veel terreinen dubbelhartig: enerzijds vindt men keuzevrijheid (zeer) belangrijk, maar in het geval men de vraag voorgelegd krijgt waarin zaken door het pensioenfonds worden bepaald dan vindt men dat eveneens van belang. Het is een verrassende uitkomst die om een verklaring vraagt. Een mogelijke verklaring zou men kunnen zoeken in het verschil dat Sen (1988) aanbrengt in zijn discussie van keuzevrijheid. Men kan een onderscheid maken tussen de instrumentele en de intrinsieke waarde van vrijheid. De instrumentele waarde - hoe kan ik de beste allocatie van goederen kiezen zodat ik mijn doel, optimale welvaart, kan bereiken - overheerst in de economische wetenschappen. Maar vrijheid kan ook een intrinsieke waarde bezitten: vrijheid is een doel op zich dat gewaardeerd wordt, maar niet noodzakelijk gebruikt hoeft te worden. In de westerse wereld heeft men bijvoorbeeld de vrijheid om te emigreren, maar dat betekent nog niet dat men van dat recht gebruik moet maken. En het lijkt erop dat de vrijheid die in dit onderzoek gevraagd wordt eenzelfde dimensie aansnijdt. Men waardeert het wellicht dat men in principe zijn eigen pensioenbijdrage zou mogen bepalen of de mate van risico in het beleggingsbeleid, maar dat betekent nog niet dat men deze vrijheid wil uitoefenen.

Conclusies

Het bevragen van keuzevrijheid is fragiele kwestie en het is wel beschouwd vragen naar de bekende weg. Wie wil er immers geen keuzevrijheid in een vrije samenleving? De valkuil van keuzevrijheid is dat het op een recht lijkt waar geen prijskaartje aan hangt. Dat geldt voor zowel wat economen typeren als zoekgoederen als ervaringsgoederen (Nelson, 1970). Zoekgoederen zijn eenvoudig te evalueren en te doorgronden voor consumenten. Maar kiezen kent in de praktijk wel degelijk een prijs: het kost tijd en moeite om het juiste goed te vinden dat tegemoet komt aan al je wensen en niet iedereen heeft tijd en geld om alle keuzemogelijkheden na te lopen en te evalueren (Schwartz, 2000). Maar belangrijker voor de pensioendialoog is wellicht dat het pensioenproduct een ervaringsgoed is: op het moment dat men een contract sluit valt het moeilijk te doorgronden wat de geboden kwaliteit is en pas op het moment dat men van het product gaat genieten – zeg veertig jaar later – komt men er achter wat die kwaliteit nu echt voorstelt en vallen keuzes niet meer te corrigeren.

De fouten, teleurstellingen en problemen die zich hier voordoen zijn op tal van andere plaatsen te boek gesteld (Benartzi en Thaler, 2007, Casey, 2003, Kooreman en Prast, 2010). Waar het op neer komt is dat de consequenties van keuzes voor de meeste deelnemers eenvoudigweg niet te overzien zijn. Het bieden van keuzevrijheid biedt in theorie het gedroomde maatwerk, in de praktijk zal het leiden tot ofwel uitstel van keuzes, dan wel overmoed. Kortom, de gewenste keuzevrijheid op het terrein van pensioenen moet met de nodige terughoudendheid worden betracht. Keuzevrijheid is immers een vloek voor de beperkt rationele deelnemer en een zegen voor zij die de last van keuzes wel kunnen dragen. En wie doordringt tot de harde kern van ‘pensioenvaardigen’ - zij die met kennis en een zekere graagte gebruik maken van hun keuzevrijheid - zal ontdekken dat deze groep wel heel erg klein is.

* Dit onderzoek maakt deel uit van een groter onderzoek dat gefinancierd is met steun van Netspar.

Referenties

Benartzi, S. and R.H Thaler. 2007. "Heuristics and Biases in Retirement Savings Behavior." The Journal of Economic Perspectives:81-104.

Casey, B.H. 2003. "Why People Don't Choose Private Pensions: The Impact of Contagion." Eur. J. Soc. Sec. 5:305.

Ewijk, C. van en C.N.Teulings. 2011. "Nieuw pensioencontract onvermijdelijk." CPB Policy Brief (2011/01).

Ewijk, C. van, M.Lever,  J. Bonenkamp en R. Mehlkopf, 2014, Pensioen in discussie: Risicodeling moeilijker/keuze binnen grenzen, Netspar Brief, herst 2014.

Kooreman, P. en H. Prast. 2010. "What Does Behavioral Economics Mean for Policy? Challenges to Savings and Health Policies in the Netherlands." De Economist 158(2):101-22.

Nelson, Ph.. 1970. "Information and Consumer Behavior." The Journal of Political Economy:311-29.

Schwartz, B. 2000. "Self-Determination: The Tyranny of Freedom." American psychologist 55(1):79.

Sen, A.. 1988. "Freedom of Choice: Concept and Content." European Economic Review 32(2):269-94.

Bijlage

De volgende vragen zijn voorgelegd aan twee aslect gekozen groepen waarbij de ene groep vragen kreeg voorgeschoteld over keuzevrijheid. En de andere groep vragen over het uitbesteden van keuzes aan hun pensioenfonds 

Keuzevrijheid

Groep A kreeg de volgende vraag voorgelegd: "Als u nadenkt over uw pensioenfonds, hoe belangrijk vindt u het dat u de vrijheid moet hebben om te kiezen ten aanzien van de volgende zaken?"

  • Dat ik veel of weinig van mijn loon inleg (en dus spaar) voor mijn pensioen
  • De mogelijkheid om een deel van het geld dat ik heb gespaard bij mijn pensioenfonds eerder op te nemen voor andere doelen dan pensioen;
  • Bij welk pensioenfonds ik me aansluit
  • De samenstelling van mijn pensioenpakket (zoals oudedagspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen)
  • Met hoeveel risico mijn pensioengeld wordt belegd

Uitbesteden keuzes aan pensioenfonds

Groep B kreeg de volgende vraag voorgelegd: "Als u nadenkt over uw pensioenfonds, hoe belangrijk vindt u het dat daar de volgende zaken voor u automatisch geregeld zijn?"

  • Hoeveel er van mijn loon wordt ingelegd (en dus gespaard) voor mijn pensioen
  • Dat ik mijn opgespaarde pensioengeld niet voortijdig mag opnemen voor andere doelen dan pensioen
  • Dat ik automatisch bij het pensioenfonds van mijn werkgever ben aangesloten
  • Dat ik een standaard pensioenpakket heb (met daarin oudedagspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen)
  • Met hoeveel risico mijn pensioengeld wordt belegd.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik