Back

Artikel

Home

Geen paniek: de grootste terugval in economische groei ooit

24 jun 2009
Onderwerpen: Macro-economische politiek, Monetair beleid
Het tempo waarmee de economische groei in Nederland sinds september is teruggevallen, is zonder precedent. Econoom Jurriaan Eggelte wijst erop dat de huidige recessie in Nederland nu al ernstiger is dan in de jaren tachtig, maar veel minder een crisissfeer oproept. Op basis van de recent gepubliceerde raming van DNB verwacht hij dat de huidige terugval in 2009 scherper is dan in de jaren dertig van de vorige eeuw, maar dat de gehele neergang mede door een meer verantwoordelijke beleidsopstelling van kortere duur is.

Niet de crisissfeer uit de jaren tachtig ondanks ernstiger terugval

Na publicatie van de slechte groeicijfers voor de laatste twee kwartalen staat het wel vast dat Nederland in een zeer diepe recessie verkeert. Gedurende het laatste kwartaal van vorig jaar kromp de economie met 1,2%, en voor het eerste kwartaal van dit jaar zelfs met 2,8%. Daarin vormt ons land zeker geen uitzondering. De twee kwartalen tussen oktober vorig jaar en maart dit jaar gaan voor veel landen de boeken in als de twee slechtste groeikwartalen ooit. Nog altijd heerst er onder analisten en beleidsmakers ongeloof over de enorme klap die de wereldeconomie te verstouwen kreeg. Zo kende Japan een cumulatieve bbp-terugval over twee kwartalen van bijna 7,5% en Duitsland van 6%. Dat is nooit eerder vertoond.

Afgaande op de ontwikkeling van het bbp overtreft de huidige Nederlandse recessie de economische crisis van begin jaren tachtig nu al ruimschoots. Toentertijd waren er maximaal drie achtereenvolgende kwartalen van krimp en bedroeg de groei -2,7% op het dieptepunt in het derde kwartaal van 1982. Nu zijn er al vier kwartalen met een krimp terwijl het einde nog niet in zicht is, en is de groei ten opzichte van het eerste kwartaal van 2008 een onwaarschijnlijke -4,5%. Toch voelt de huidige recessie nog niet heel zwaar aan. Zo is van een paniekstemming in de Nederlandse samenleving over de economische toekomst nog geen sprake, ondanks de uitzonderlijke gebeurtenissen in de financiële sector. Begin jaren tachtig was het volgens velen ‘vijf voor twaalf’ voor het bedrijfsleven. Daarvan getuigen bijvoorbeeld het in 1980 uitgebrachte WRR-rapport “Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie” en de vervolgens ingestelde Adviescommissie inzake het Industriebeleid (Commisie-Wagner), die op tal van terreinen voortstellen deed om het Nederlandse concurrentievermogen te versterken.

De geringere crisissfeer is waarschijnlijk niet zozeer een kwestie van een grotere onverschilligheid over sociaaleconomische aangelegenheden - al is dat niet volledig uit te sluiten - als wel van de uiteenlopende omstandigheden. De crisis in de jaren tachtig kwam niet onverwacht, omdat al langere tijd economisch en financieel ‘een proces van verzieking’ aan de gang was, waar de overheid tot in den treure voor was gewaarschuwd, onder meer door DNB. De overheidsfinanciën waren ontspoord, een loonprijsspiraal had de inflatie tot grote hoogte opgestuwd en de concurrentiepositie was volledig ontwricht. Wat veel mensen nog de meeste zorgen baarde, was de vorming van een ‘verloren generatie’ doordat schoolverlaters rechtstreeks de bijstand instroomden. Om uitdrukking te geven aan de heersende fatalistische toekomstvisie introduceerden Koot en Bie in maart 1980 het woord ‘doemdenken’. Daarvan is nu in het geheel nog geen sprake.

In velerlei opzichten staat Nederland er nu dan ook aanmerkelijk beter voor. Zo is er niets mis met onze concurrentiepositie, getuige het recordoverschot op de handelsbalans, en is de marktwerking in de afgelopen decennia enorm verbeterd, evenals activerende werking van de sociale zekerheid en de flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd is er veel meer ruimte voor een macro-economisch stabilisatiebeleid. Door de betere budgettaire uitgangspositie kunnen de automatische stabilisatoren hun werk doen, terwijl de gematigde inflatie een forse verlaging van de beleidsrente mogelijk heeft gemaakt. In de jaren tachtig moest de beleidsrente, ondanks de economische neergang, op een hoog niveau worden gehouden.

Kortere neergang dan in jaren dertig door meer verantwoordelijk beleid

Enerzijds is de economische schok die Nederland te verwerken krijgt van een enorme omvang, anderzijds is de uitgangspositie om die schok op te vangen relatief gunstig. Hoe dit per saldo uitpakt, en of we in de buurt komen van een depressiescenario als in de jaren dertig, valt pas na verloop van tijd met zekerheid te zeggen. Op basis van de vooruitzichten voor de Nederlandse economie die DNB recent in het Kwartaalbericht van juni heeft gepubliceerd (DNB 2009), kunnen we daar wel over speculeren.

Volgens de raming van DNB krimpt het bbp in 2009 met 5,4%. Die terugval is sterker dan tijdens het dieptepunt in 1931, toen het bbp met 3,6 procent afnam. Het geraamde beloop voor het bbp in 2010 en 2011 is vergelijkbaar met het groeiprofiel in de jaren 1932-1933. Voor de aankomende twee jaren beschouwt de DNB-raming twee scenario’s. In het ene scenario, dat we hier als uitgangspunt nemen, valt het bbp in 2010 verder terug met 1,4%, waarna in 2011 een lichte groei optreedt van 0,7%. In het andere scenario komen de bbp-groeicijfers met respectievelijk -0,8% en 1,5% iets gunstiger uit.

Net als tijdens de depressie komt de grootste klap in de huidige neergang via de buitenlandse vraag. De uitzonderlijke terugval van de wereldhandel leidt tot een krimp van de Nederlandse export in 2009 met 12,7%. In 2010 krimpt de export vervolgens met bijna 1%, waarna zij in 2011 weer groeit met ruim 3%. Dat is een behoorlijke knauw, maar valt alleszins mee als we naar de gebeurtenissen van tachtig jaar terug kijken. Nadat het pond in 1931 de Gouden Standaard verliet, spoedig gevolgd door andere valuta’s, klapte de Nederlandse concurrentiepositie in elkaar. De Nederlandse export daalde op het dieptepunt in 1932 met meer dan 15%. In 1935 lag de export ruim 35% lager dan aan het begin van de depressieperiode. In lijn hiermee vielen ook de bruto investeringen in 1932 veel sterker terug dan nu. De geraamde terugval van de consumptie voor 2009-2011 is overigens wel sterker dan voor 1931-1933. Tijdens de depressie viel de consumptie pas relatief laat terug, in 1934- 1935 toen de werkloosheid tot grote hoogte was gestegen.

De Nederlandse werkloosheid loopt in de DNB-raming met ongeveer 600 duizend personen op van gemiddeld minder dan 3% van de beroepsbevolking in 2008 naar circa 9% in 2011. Dat is een werkloosheidspeil dat sinds begin jaren tachtig niet meer is gehaald, maar kinderspel bij wat er gebeurde in de depressiejaren. Op het dieptepunt in de winter van 1935/1936 zaten ongeveer 630 duizend Nederlanders zonder werk thuis (Keesing 1978), wat neerkomt op circa 20% van de toenmalige beroepsbevolking.

Misschien wel het belangrijkste verschil ligt in de beleidssfeer. Vandaag de dag is meer begrip voor de potentiële baten van een stabiliserend macro-economisch beleid. Met de kennis van nu is de opstelling van de toenmalige beleidsautoriteiten als lichtelijk onverantwoordelijk te kwalificeren. Het budgettaire beleid was in het Nederland van die dagen weinig stimulerend door het grote belang dat de kabinetten Colijn hechtten aan een sluitende begroting. Hoe de prioriteiten lagen, blijkt bijvoorbeeld uit de instelling in 1931 – het jaar met de sterkste bbp-terugval - van een commissie-Welter die rapport moest uitbrengen over de gewenste verlaging van de Rijksuitgaven. Tot 1936 hielden de monetaire beleidsmakers, ondanks groeiend maatschappelijk verzet, halsstarrig vast aan de Gouden Standaard. Want, zo sprak Trip de toenmalige president van DNB: “Wij zijn geen muntbedervers”. Dit betekende echter wel dat het herstel van de Nederlandse concurrentiepositie door forse binnenlandse prijsverlagingen hersteld moest worden. Tussen 1931 en 1933 daalde het binnenlandse prijspeil met bijna 15%. Tot 1936 volgde nog een verdere daling van 8%. Dit gaf vanwege de uiteenlopende loon- en prijsflexibiliteit grote binnenlandse spanningen.

De huidige centrale banken zijn zich beter bewust van de schadelijke effecten van langdurige deflatieperiodes, en treffen de nodige maatregelen om die af te wenden. Verder vormen in Europa de gemeenschappelijke munt en de interne markt belangrijke waarborgen tegen een ‘beggar thy neighbour’- politiek van devaluaties en protectionistische maatregelen.

Tot besluit

De huidige neergang is ernstiger dan de economische crisis in de jaren tachtig. Net als destijds zal het herstel van de aantrekkende wereldconjunctuur moeten komen, zij het dat nu meer de hoop is gevestigd op Azië als groeimotor van de wereldeconomie. Vanwege een meer verantwoordelijke beleidsopstelling is de neergang vermoedelijk van kortere duur dan de depressie in de jaren dertig, toen in Nederland het bbp vier jaar afnam. Maar zelfs bij een vergelijkbare neergang zal de huidige maatschappelijke impact geringer zijn. Het welvaartspeil ligt veel hoger dan tijdens de depressiejaren en de sociale vangnetten zijn vele malen beter. Hoe het ook zij, de huidige recessie is pas echt een crisis als er een zwaarwichtige adviescommissie aan te pas moet komen. In die conjunctuurfase zijn we nog niet beland!

* Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Referenties:

DNB (2009), “De Nederlandse economie in 2009-2011: vooruitzichten op basis van Morkom”, Juni Kwartaalbericht De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

Keesing, F.A.G. (1978), De conjuncturele ontwikkeling van Nederland en de evolutie van de economische overheidspolitiek 1918 – 1939, SUN, Nijmegen.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik