Back

Artikel

Home

Europese beleidsmakers moeten nu visie en kracht laten zien

23 sep 2010
Dossiers: Eurocrisis
Beeld van een gewichtheffer bij de ingang van een casino Vele Europese lidstaten zijn na het doorprikken van de zeepbel in verwarring en in de problemen geraakt. Vooralsnog hebben korte termijn maatregelen de aandacht gekregen, ten koste van de meer structurele maatregelen. De economen Van Duin en Overbeek stellen dat een visie op structurele hervorming onverminderd van belang blijft en dat op dit vlak de EU als collectiviteit haar kracht moet tonen.

Crisis rond de overheidsfinanciën

De economische crisis heeft de landen van de Eurozone hard geraakt. Waar in 2008 en 2009 nog werd gedacht dat de crisis zich zou beperken tot de financiële en de private sector is deze eind 2009 onverwacht overgeslagen op de publieke sector van de Eurolanden. Met name voor Griekenland, maar bijvoorbeeld ook Spanje en Portugal ontstond de angst dat de overheid op termijn niet meer aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen. Omdat dit voor de gehele Eurozone ernstige gevolgen zou kunnen hebben, hebben de Eurolanden in april besloten om, met het IMF, 110 miljard aan krediet beschikbaar te stellen aan Griekenland, gevolgd door het in mei aankondigen van een tijdelijk crisismechanisme van ruim 750 miljard euro dat andere landen in geval van nood zouden kunnen gebruiken.

Deze noodkredieten bieden een oplossing om een acute crisis rond de overheidsfinanciën binnen de Eurozone af te wenden, ze bieden echter geen structurele oplossing. Om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen wordt gewezen op de noodzaak tot het op korte termijn snijden in overheidsuitgaven (Garretsen 2010). En om ontsporingen voor de toekomst te voorkomen wordt gepleit voor strengere begrotingsregels binnen Europa (de Haan, 2010). De achterliggende redenen bij de oplopende overheidstekorten waren echter niet zozeer gelegen in het budgettair beleid an sich, maar in een gebrek aan structureel economisch groei- en concurrentievermogen binnen de EU ,gecombineerd met een niet goed functionerende financiële sector. Ook op dit vlak zijn belangrijke beleidswijzigingen noodzakelijk.

Structureel groei- en concurrentievermogen in de EU

De impact van structureel economische groei in een land op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën dient niet onderschat te worden. Analyses van het IMF over het oplopen van de schuld van Griekenland laten duidelijk zien hoe groot die impact kan zijn. Bij het basisscenario van het IMF loopt de overheidsschuld op tot 149% in 2013 waarna de schuld afneemt naar 120% in 2020. Een procentpunt hogere of lagere economische groei resulteert in een schuld van respectievelijk 166% of 80% in 2020 (IMF 2010).

Wanneer men dit in het achterhoofd houdt en kijkt naar Europa en het ontstaan van de huidige crisis valt ten eerste op dat de economische groei in Europa een aantal algemene zwakheden kent. Er is sprake van een groot onbenut potentieel wanneer het gaat om totale arbeidsparticipatie, met in 2008 gemiddeld een 11 procent lager aantal gewerkte uren per hoofd van de beroepsbevolking dan de VS (OECD 2010). Daarnaast kent de Eurozone structureel een lagere arbeidsproductiviteitsgroei (in de periode 1995-2005 met 1.4% significant lager dan de 2.4% groei in de VS), welke ook nog een dalende trend laat zien (the Conference Board 2010).

De mate van deze zwakheden verschilt per land. Het is dan ook niet voor niets dat de crisis het hardst heeft toegeslagen in met name de zuidelijke Eurolanden zoals Griekenland, Spanje en Portugal. De afgelopen jaren is gebleken dat deze landen niet in staat zijn gebleken om hun economie competitief te maken c.q. te houden. Dit valt terug te zien in de sterk oplopende loonkosten in deze landen (zie figuur 1) en oplopende tekorten op de lopende rekening (zie figuur 2).

Figuur 1

Figuur 1: Loonkosten per eenheid product

Figuur 2

Figuur 2: Saldo lopende rekening

Griekse en Spaanse toestanden

De achterliggende oorzaak van het gebrekkige concurrentievermogen in deze lidstaten zijn veelal rigide productmarkten en neerwaartse rigiditeit van lonen. Zo zijn er in Griekenland vele beroepen die een hoge mate van bescherming genieten en is er in Spanje een groot onderscheid tussen werknemers met een vast contract en een flexibel contract wat zorgt voor een tweedeling in de arbeidsmarkt. Ook worden productmarkten in deze landen gekenmerkt door een laag niveau van concurrentie o.a. door hoge opstartkosten voor bedrijven (Europese Commissie 2010).

De problemen met het concurrentievermogen vertaalden zich voor Portugal in een lage economische groei over de afgelopen tien jaar. Uiteindelijk bleek dat lage economische groeivooruitzichten gecombineerd met een sterk oplopend overheidstekort een groot risico vormden voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Ondanks de problemen met het concurrentievermogen waren Griekenland en Spanje voor de crisis wel in staat tot een behoorlijk groeitempo (ongeveer 3%-4% gemiddeld). Voor Griekenland gebeurde dit voor een belangrijk deel door het sterke procyclische beleid van de overheid. Met behulp van onjuiste statistieken wisten de Grieken te verbloemen dat er jaar na jaar stevig geld in de economie werd gepompt, iets wat uiteindelijk wel tot problemen moest leiden. In Spanje kwam de economische groei van een onstuimig groeiende binnenlandse vraag, vooral veroorzaakt door een lagere reële rente na toetreding tot de eurozone wat consumptie aantrekkelijker maakte. Bovendien kon er met de komst van de euro goedkoper kapitaal worden aangetrokken uit het buitenland (DNB 2010). Deze effecten gezamenlijk hebben een versnelde stijging van activaprijzen met zich mee bracht en leidden tot een onevenredig groot aandeel van aan de huizenmarkt gerelateerde sectoren in het Bruto Binnenlands Product (BBP). Toen de huizenprijzen met de komst van de economische crisis sterk daalden ontstonden al snel problemen met de overheidsfinanciën. Ten eerste doordat de dalende activaprijzen rechtstreeks hun weerslag hadden op de economie. Ten tweede omdat de belastinginkomsten sterk terugliepen. Uiteindelijk is in Spanje 75% van de stijging in belastinginkomsten in de periode 1995-2006 van tijdelijke aard gebleken. Het onverwacht wegvallen van deze inkomsten heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de exponentieel oplopende overheidstekorten wat tezamen met de zeer sterk neerwaartse correctie van het reële BBP weer een belangrijke rol heeft gespeeld in de sterke stijging van de rente op overheidsobligaties (Europese Commissie, 2010).

Dilemma’s na de crisis

Voor het binnen Europa terugbrengen van de overheidsfinanciën naar een houdbaar pad en het in de toekomst voorkomen van een dergelijke crisis is een robuust budgettair beleid noodzakelijk, maar niet voldoende. Voor een structurele oplossing zal tevens de competitiviteit en structureel economische groei in Europa moeten worden vergroot. Dit geldt met name voor de probleemlanden Griekenland, Spanje en Portugal; deze landen zullen op zoek moeten naar een nieuw groeimodel om hun economieën weer concurrerend te maken. Dit brengt wel een aantal dilemma’s met zich. De positieve effecten van de te nemen maatregelen zullen namelijk voor een groot deel pas op de lange termijn zichtbaar worden, en op korte termijn leiden tot negatieve effecten op inkomen en werkloosheid. Zo zal het sterk snijden in de overheidsgaven naar verwachting enige remmende werking hebben op de economische groei en de werkloosheid de komende jaren relatief hoog houden. Daarnaast zullen de maatregelen die genomen moeten worden om economieën weer concurrerend te maken op de korte termijn negatieve effecten voor inkomensontwikkeling en werkgelegenheid meebrengen. Zo hebben de probleemlanden qua loonontwikkeling jarenlang op te grote voet geleefd, waardoor de nu noodzakelijke loonmatiging pijnlijk zal ingrijpen in het leven van mensen. Dit des te meer nu de inflatie laag is, wat het voor de landen met concurrentieproblemen extra moeilijk maakt om de lonen snel weer in lijn te brengen met de productiviteit. Tevens zal er voordat de positieve effecten van de flexibilisering van product en arbeidsmarkten gecombineerd met de verschuiving van productiefactoren naar concurrerende sectoren zichtbaar worden op korte termijn waarschijnlijk een stijging van de werkloosheid optreden.

Deze dilemma’s ten spijt blijven de maatregelen voor de lange termijn noodzakelijk. Dit besef lijkt nu wel te zijn doorgedrongen onder de probleemlanden. De eerste voorzichtige stappen worden dan ook nu reeds gezet. Griekenland voert binnen het EU/IMF steunprogramma gedwongen (en onder groot protest van de bevolking) belangrijke structurele hervormingen door zoals het hervormen van de loononderhandelingen in de private sector om het concurrentievermogen te vergroten en ook de Spaanse regering heeft plannen gepresenteerd voor hervorming van de arbeidsmarkt. Deze hervormingen vormen echter slechts een eerste aanzet. Er zal nog veel meer nodig zijn de komende jaren om de economieën weer op gang te helpen. Het is daarom van groot belang dat de nu ingeslagen weg ook de komende jaren wordt voortgezet.

‘Brussel’ moet nu haar kracht tonen

Voor het voeren van goed economisch en budgettair beleid door lidstaten is op Europees niveau een gemeenschappelijk kader afgesproken, waarvan de naleving door middel van wederzijdse beoordeling wordt gestimuleerd. Dit systeem van economische coördinatie in Europa zal een belangrijke stok achter de deur moeten zijn. Hierbij gaat het dus niet alleen om het instellen van strengere begrotingsregels. Ook de Europa 2020-strategie voor groei en banen zal, méér dan zijn voorganger de Lissabon-strategie, een belangrijke aanjagende functie moeten gaan vervullen voor het doorvoeren van structurele hervormingen. Daarnaast moet er op Europees niveau meer aandacht komen voor het identificeren en aanpakken van economische onevenwichtigheden, zoals luchtbellen op de huizenmarkt. Dit om ervoor te zorgen dat we bij de beoordeling van economische groei er ook zeker van kunnen zijn dat deze daadwerkelijk duurzaam is op de lange termijn. Op dit gebied bekijkt een Taskforce onder leiding van Europese Raadsvoorzitter Herman van Rompuy momenteel welke wijzigingen in het Europese systeem van economische coördinatie noodzakelijk zijn. De Taskforce lijkt op de goede weg. Zo wordt er gewerkt aan een aparte monitoringsystematiek voor economische onevenwichtigheden en komt er een Europees semester zodat de processen rond de overheidsfinanciën en de economie beter op elkaar aansluiten en in onderlinge samenhang kunnen worden beoordeeld. De effectiviteit van deze processen staat of valt echter met de vraag of beleidsmakers daadwerkelijk voldoende aangespoord worden om de benodigde hervormingen door te voeren. De druk van het publiek en collega’s over de grens kunnen daarbij helpen maar zijn in het verleden niet altijd voldoende gebleken. Hardere maatregelen zoals (financiële) sancties kunnen dus nodig zijn om ook deze voldoende tanden te geven.

* Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Referenties

De Haan, J. (2010), “Het ongelijk van Willem Buiter”, Economisch Statistische berichten, jaargang 95, nr 4587, 11 juni 2010.

DNB. (2010), “Sterkere coördinatie rondom macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied”.

Europese Commissie. (2010), “Public Finances in EMU 2010”, European economy series 4/2010.

Europese Commissie. (2010), “Macro structural bottlenecks to growth in EU member states”, European economy occasional papers 65.

Garretsen, H. (2010) “Debat over te volgen begrotingsbeleid vormt ware terugkeer van Keynes”, Me Judice, jaargang 3, 25 augustus 2010.

International Monetary Fund. (2010) “Greece: Staff report on Request for Stand By Arrangement”, IMF country report 10/110, may 2010.

Organisation for Economic Cooperation and Development. (2010), “Going for Growth 2010”. 10 maart 2010.

The Conference Board. (2010), “Total Economy Database, summary statistics”.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik