Back

Artikel

Home

Europa na de Brexit

19 sep 2016
Dossiers: Eurocrisis
Onderwerpen: Europese integratie

De instellingen van de euro deugen niet, en al heeft men zijn best gedaan om van de munt een succes te maken, het gevoerde beleid heeft alleen maar geleid tot politieke en economische tweedeling. Aldus Nobelprijswinaar Joe Stigltiz in zijn nieuwe boek De Euro. In Me Judice geeft hij een voorproefje (en ‘long read’) van wat hij te vertellen heeft over de euro en vooral Europa na de Brexit. Het Verenigd Koninkrijk was zo verstandig om niet aan de euro mee te doen. Het falen van de euro heeft in het Britse referendum duidelijk doorgeklonken. Volgens Stiglitz zijn hervormingen nu noodzakelijk om van de EU het succes te maken dat haar grondleggers voor ogen stond: een Unie gebaseerd op solidariteit en gedeelde belangen, niet op angst voor het onbekende of, erger nog, op vrees voor strafmaatregelen door zogenaamde vrienden.

Brexit

Op 23 juni 2016 koos Groot-Brittannië bij referendum met 52 tegen 48 procent van de stemmen voor het verlaten van de Europese Unie. Dit besluit heeft aan beide kanten van het Kanaal een enorme opschudding teweeggebracht, zowel politiek als economisch. Premier David Cameron trad af en de positie van Labourleider Jeremy Corbyn kwam zwaar onder druk te staan, omdat men vond dat hij zich onvoldoende had ingezet voor het ‘blijf’-kamp. Het pond kelderde in vier dagen maar liefst 11 procent in waarde tegenover de dollar en bereikte het laagste punt in dertig jaar – tegenover de euro bedroeg de daling overigens slechts 8 procent.

Al gauw bleek dat de voorstanders van een Brexit geen idee hadden wat er moest gebeuren als ze zouden winnen en dat ze zich in hun campagne bediend hadden van schromelijke overdrijvingen, zo niet ronduit van leugens. De Europese reactie op het referendum deed sterk denken aan de barse wijze waarop men een jaar eerder kennis had genomen van de afwijzing door de Griekse kiezers van het Trojkaprogramma. Herman Van Rompuy, de voormalige voorzitter van de Europese Raad, sprak namens velen toen hij het besluit van Cameron om een referendum te houden ‘de slechtste politieke beslissing in Europa en ver daarbuiten van de laatste decennia’ noemde. Met die woorden gaf hij blijk van een diepgevoelde afkeer van democratische verantwoording. En dat is te begrijpen: kiezers hebben zich in het verleden wanneer ze de kans kregen bijna altijd uitgesproken tegen de euro, de Europese Unie en de Europese grondwet. Bovendien kwam uit opiniepeilingen rond de Brexit naar voren dat niet alleen in het Verenigd Koninkrijk maar ook in veel andere Europese landen (waaronder Griekenland, Frankrijk en Spanje) de bevolking in meerderheid negatief stond tegenover de EU.

De economische en politieke gevolgen van de Brexit zullen natuurlijk in hoge mate bepaald worden door de Europese reactie. Men gaat er algemeen van uit dat Europa niet zijn eigen glazen zal willen ingooien. Het lijkt voor alle partijen het beste om te proberen ‘als vrienden uiteen te gaan’, om te komen tot een economische relatie die zo veel mogelijk recht doet aan de democratische wensen en belangen aan beide kanten van het Kanaal. Handel en economische integratie zijn wederzijds voordelig; als de EU echt gelooft in de heilzame effecten van economische integratie dan zal men streven naar een zo hecht mogelijke relatie. Elke Europese poging om het Verenigd Koninkrijk te straffen zou de EU zelf minstens zo veel pijn doen. De Europese aandelenbeurzen gingen na de Brexit onderuit en met name Europese banken hadden het zwaar te verduren. Daaruit zou je al kunnen afleiden dat de Brexit ook voor Europa geen goede zaak was.

Wat een reactie!

Maar Jean-Claude Juncker, de trotse schepper van het Luxemburgse belastingparadijs en nu voorzitter van de Europese Commissie, koos voor de harde lijn – begrijpelijk misschien, als je bedenkt dat hij wel eens de geschiedenisboeken in kan gaan als degene onder wiens bewind zich het begin van het einde van de EU heeft voorgedaan. Hij vindt dat Europa streng moet zijn voor Groot-Brittannië en dat land weinig méér moet bieden dan waar het onder de nu al geldende wereldhandelsovereenkomsten recht op heeft. Want anders zouden andere lidstaten er ook wel eens uit willen stappen. Wat een reactie! Volgens Juncker moet Europa dus niet bij elkaar blijven omwille van de voordelen die dat biedt en die meer dan opwegen tegen de kosten, niet omwille van economische voorspoed, een gevoel van solidariteit, van Europese trots. Nee, Europa moet bij elkaar blijven uit angst om wat er zal gebeuren als een land eruit stapt.

Een ongelukkige samenloop van omstandigheden leidde tot wat een elite wereldwijd (net als 48 procent van de Britse kiezers) ziet als een grote ramp, een tegenstroom die ingaat tegen de heersende trend van globalisering en economische integratie. Historici zullen later ‘wat als’-discussies voeren: wat zou er gebeurd zijn als de Europese en Britse leiders net iets beter hun best gedaan hadden om dit resultaat, waar ze vrijwel allemaal tegen waren, te voorkomen? Maar het staat hoe dan ook vast dat de uitslag van dit referendum medebepalend zal zijn voor de toekomst van de EU, de eurozone en het globaliseringsproces.

De onenigheid over de te volgen koers is duidelijk zichtbaar. In het Verenigd Koninkrijk zijn de meeste politici voorstander van een voorzichtige aanpak, om tot een weloverwogen, wie weet zelfs vriendschappelijke scheiding te komen. In Europa zijn er velen - onder wie met name de Franse president François Hollande - die de scheiding het liefst zo snel mogelijk geregeld willen hebben. Onzekerheid kost alleen maar geld en de huidige onduidelijke verhouding kan investeerders in zowel het Verenigd Koninkrijk als Europa afschrikken.

En dan heb je, zoals gezegd, mensen als Juncker, die gaan voor een regeling die de Britten zo veel pijn doet dat andere lidstaten het wel uit hun hoofd zullen laten om een scheiding aan te vragen. Europa gaat prat op haar rechtstatelijk karakter en de Europese verdragen bepalen dat een lidstaat die de Unie wil verlaten zelf de procedure daartoe in gang moet zetten. Die procedure mag vanaf dat moment hooguit twee jaar in beslag nemen. Maar realpolitik houdt zich niet altijd aan het internationale recht. Dreigementen vliegen al over en weer. Op dit moment zijn ook de beste glazen bollen troebel.

Gekelderd vertrouwen in euro

Het Verenigd Koninkrijk heeft er goed aan gedaan om buiten de euro te blijven. Wie mijn boek De Euro heeft gelezen zou misschien denken dat het eerste land dat eruit wilde stappen vermoedelijk een euroland zou zijn. Maar binnen het Verenigd Koninkrijk bestond er al grote scepsis jegens de EU op het moment dat men lid werd, misschien wel meer scepsis dan elders, en die scepsis is in de loop der jaren bepaald niet weggenomen. In Europa, en vooral in de eurozone, is zulk slecht beleid gevoerd dat de gemiddelde werkloosheid er de laatste jaren steeds boven het Amerikaanse niveau heeft gelegen en vaak meer dan 10 procent heeft bedragen. Natuurlijk heeft dit het Britse vertrouwen in Europa ondermijnd.

Maar er zijn nog andere gevolgen aan te wijzen. Ten eerste, zoals we al zagen, het vrije verkeer van personen binnen Europa leidt ertoe dat landen waar de werkloosheid met succes is tegengegaan meer dan evenredig bedeeld zullen worden met vluchtelingen. Binnen dit Europa neemt Groot-Brittannië een bijzondere plaats in: het land is al multi-etnisch en multicultureel. En dat het Engels steeds meer de wereldtaal wordt, maakt het land voor migranten nog eens extra aantrekkelijk. Omdat het niet gebonden is aan de euro heeft het land bovendien een economie met veel werkgelegenheid weten te realiseren, wat migranten die op zoek zijn naar een baan natuurlijk bijzonder aanspreekt.

Ten tweede is Europa als ‘club’ steeds minder aantrekkelijk geworden door het disfunctioneren van de eurozone en het schenden van de soevereiniteit van de crisislanden. Vooral Duitsland heeft met zijn harde en dominante opstelling velen voor het hoofd gestoten. Als op die manier de werkgelegenheid in de crisislanden daadwerkelijk zou zijn hersteld, dan zou dat tenminste nog iets geweest zijn, maar de faliekante mislukking van het beleid – en de arrogante, nietsontziende manier waarop het werd doorgedrukt – heeft het alleen maar erger gemaakt.

En in het Verenigd Koninkrijk is het al veel langer bestaande beeld van de EU als een onnadenkende bureaucratische regelmachine alleen maar versterkt. De Conservatieven hebben hier altijd al veel werk van gemaakt. Het was ook handig om de EU-bureaucraten de schuld te geven van alles wat er misging in het land, en de bestaande stereotypen zijn er mogelijk door versterkt. De voorstanders van uittreding hebben in hun campagne wel te veel overdrijving en misleiding toegepast. Zo zou volgens hen de EU rechte bananen verplicht gaan stellen. Er kwamen zo veel van dat soort onzinverhalen dat er een aparte term voor ontstond: ‘euromythe’. Maar in sommige zat dan toch weer wel een kern van waarheid. Iedereen in het Verenigd Koninkrijk kende wel een of andere EU-bepaling (of meende er een te kennen) waar hij of zij het niet mee eens was. Bijvoorbeeld over wat er nu wel of niet als roomijs verkocht mocht worden, of dat eieren niet meer per stuk maar per gewicht geprijsd moesten worden.

Organisatie met democratisch tekort

De ontwikkelingen in de eurozone versterkten nog een ander al langer bestaand beeld, namelijk van de EU als een organisatie met een groot democratisch tekort. In mijn boek De Euro heb ik beschreven hoe daar tegenaan wordt gekeken, bijvoorbeeld waar het gaat om het beleid van centrale instellingen als de ECB (zie mijn boek hoofdstuk 6) en om de maatregelen die genomen werden om de crisis te bestrijden. Het zijn niet alleen mijn eigen visies, maar visies die gedeeld worden door velen in heel Europa. En de afwijzende houding van Van Rompuy als het gaat om het raadplegen van de bevolking wordt breed gedeeld binnen de heersende elites, zoals ik meerdere malen heb aangetoond. Hoewel de Britten dus niet in directe zin last hebben gehad van het democratisch tekort dat bij de eurocrisis zo duidelijk naar voren kwam, het heeft wel degelijk hun beeld van de EU mede bepaald.

De gevolgen van de Brexit

De directe nasleep van het Brexit-referendum was minstens zo tumultueus als de voorstanders van ‘blijven’ hadden voorspeld. De waarde van de pond kelderde, de aandelenmarkt ging onderuit en de kredietwaardigheid van Groot-Brittannië werd door de kredietbeoordelaars afgewaardeerd. Handel en economische integratie worden geacht tot wederzijds voordeel te strekken en als om die gedachte te bevestigen daalde ook de euro ten opzichte van de dollar en verloren ook de Europese aandelenmarkten terrein. Net als in 2008 was er sprake van een ‘kapitaalvlucht naar veilige havens’ en wilde iedereen opeens Duitse en Amerikaanse staatsobligaties kopen.

Aan overspannen reacties van de markten zijn we echter wel gewend. Het is ook heel normaal dat markten negatief reageren op toenemende onzekerheid. Na een paar dagen stond de Financial Times Stock Exchange 100 alweer boven het niveau van tien maanden eerder. Maar die index bestaat hoofdzakelijk uit multinationals. Britse vastgoedfondsen kregen het zwaar te verduren: zoveel mensen waren bang voor verdere waardedaling, en wilden daarom van hun aandelen af en hun geld terug, dat de handel voorlopig stilgelegd werd. Het enige wat zeker was, was dat de toekomst nog onzekerder was geworden. En daar houden investeerders niet van.

Wat er nu gaat gebeuren hangt af van hoe de nieuwe economische (en politieke) relatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU eruit gaat zien. De geleerden zien een aantal mogelijke scenario’s. Volgens het Verdrag van Rome moet het VK zelf Artikel 50 van dat verdrag in werking stellen. Op dat moment begint een periode van twee jaar waarbinnen de scheiding moet worden afgewikkeld. In een van de scenario’s zou het inwerkingstellen van dit verdrag worden uitgesteld. Men zou in plaats daarvan gaan onderhandelen om de immigratie terug te dringen en om democratische hervormingen doorgevoerd te krijgen. Mocht dat lukken, dan kan de Britten opnieuw om hun mening gevraagd worden. Het is een ‘Remain and Reform’-scenario (streven naar hervormingen van binnenuit) waarin de Brexit uiteindelijk niet doorgaat.

Het andere uiterste is een scenario met een werkelijke Brexit, waarbij Europa haar poot stijf houdt en het Verenigd Koninkrijk geen bijzondere status gunt. Europa zou zelfs kunnen dreigen dat de ‘deal’ hoe langer hoe slechter wordt naarmate Groot-Brittannië langer wacht met het in werking stellen van Artikel 50. Hiermee zou Europa ook haar eigen glazen ingooien, maar het zou dienen als een afschrikwekkend voorbeeld – kennelijk zijn zulke dreigementen nodig om de impopulaire Unie bijeen te houden.

In werkelijkheid is het niet waarschijnlijk dat het Verenigd Koninkrijk buiten de EU veel slechter af zal zijn dan erbinnen. Mogelijk zitten er zelfs voordelen aan de scheiding – als die maar niet al te onplezierig verloopt en als de EU zich maar houdt aan de regels van de Wereldhandelsorganisatie. (En dus ook het principe van ‘meest begunstigde natie’ eerbiedigt, dat stelt dat een land buiten de gemeenschappelijke markt niet slechter behandeld mag worden dan enig ander land; het Verenigd Koninkrijk mag dan niet slechter behandeld worden dan de Verenigde Staten.)

Kracht van een wereld zonder barrières 

Er is al veel te doen geweest over economische integratie en het staat vrijwel vast dat de wereld baat heeft gehad bij het slechten van handelsbarrières. De Wereldhandelsorganisatie vormde de aanzet tot een internationaal rechtsstelsel – ik noem het niet meer dan een ‘aanzet’ omdat machtige landen de regels aan hun laars kunnen lappen als hun dat om binnenlands politieke redenen beter uitkomt. Maar de recente overeenkomsten – ook de zogeheten ‘handelsovereenkomsten’ – gaan meer over het harmoniseren van regelgeving, het beschermen van intellectueel eigendom en het liberaliseren van financiële markten dan over het drijven van handel. Voor de grote bedrijven zijn deze overeenkomsten heel gunstig maar wat de samenleving eraan heeft is minder duidelijk. Neem bijvoorbeeld de ‘nauwere’ economische integratie als gevolg van het veelomvattende Trans-Pacific Partnership. De te verwachten groei van het Amerikaanse bbp als gevolg van dit verdrag is geraamd op ergens tussen licht negatief en 0,15 procent – op termijn en met enkele onrealistisch gunstige aannames. Zelfs het IMF vraagt zich inmiddels af of het wel zo verstandig is om zomaar alle belemmeringen voor het vrije verkeer van kapitaal weg te halen. Na de wereldwijde financiële crisis heeft het een nieuwe ‘institutionele visie’ ontwikkeld waarin gepleit wordt voor een weloverwogen controle op het kapitaalverkeer (wat wordt aangeduid als ‘capital account management’). Zonder controles op het kapitaalverkeer kan ‘vluchtkapitaal’ sterk destabiliserend werken.

Amerika en Canada hebben het beide goed gedaan hebben – veel beter dan de eurozone – zonder dat er tussen die twee landen vrije migratie bestond, zonder een gemeenschappelijke markt, zonder volledige economische integratie. Voor Canada is het maar goed dat het economisch niet al te nauw met de Verenigde Staten verweven is. Anders zou de Canadese financiële sector veel zwaarder te lijden hebben gehad onder de crisis van 2008 doordat hij dezelfde foute neoliberale ideeën opgelegd had gekregen als de Amerikaanse.

Kosten en baten integratie

Er zijn kosten en baten verbonden aan economische en politieke integratie. De wereld heeft zwaar te lijden gehad van oorlogen, en een zekere mate van wereldwijde samenwerking is dus duidelijk gewenst. Het is een zegen dat een organisatie als de Verenigde Naties bestaat, ook al is ze verre van volmaakt. Maar kijk naar de Verenigde Staten: toen dat land werd gevormd, koos men niet voor een centralistische maar voor een federale structuur: veel beleidsterreinen bleven voorbehouden aan de individuele staten. De verdeling van bevoegdheden tussen het centrale, federale niveau en de lagere overheden is een lastige kwestie, waarvoor eigenlijk geen eenduidig juiste oplossing bestaat: er zijn veel mogelijkheden. Het principe van subsidiariteit moet wel leidend zijn: zaken van plaatselijk belang die niet of slechts beperkt ‘externaliteiten’ voor anderen met zich meebrengen moeten op een laag bestuursniveau geregeld worden. Het probleem is, uit te vinden welke beslissingen wel en welke beter niet aan de lagere overheden overgelaten kunnen of mogen worden.

Verkeerde keuzes EU

De eurozone heeft duidelijk de verkeerde benadering gekozen: men meende dat lage begrotingstekorten en beperkte staatsschulden een voorwaarde vormden voor een goed functionerende gemeenschappelijke munt. Op die manier hebben de grondleggers van de euro gezorgd voor een systeem met toenemende ongelijkheid, een systeem dat stagneert en waarin een gebrek aan politieke solidariteit heerst. Vergelijkbare foute beleidskeuzes zijn gemaakt door de Europese Unie.

Uit vrees voor oneerlijke concurrentie, en onder de invloed van neoliberale ideologie verbood de Unie het voeren van industriepolitiek, terwijl dat voor de lidstaten toch een manier zou zijn geweest om hun achterstand in te halen, om te convergeren met de rest. Door een strikte interpretatie van het begrip oneerlijke ‘staatssteun’ lijkt het voor Italië moeilijker te worden om zijn noodlijdende banken te hulp te komen. Maar zonder die hulp zullen kleine en middelgrote bedrijven moeilijker aan leningen kunnen komen, waardoor de groei van de Italiaanse economie verder zal stagneren.

Verder heeft de EU de belastingstelsels niet geharmoniseerd en niet gezorgd voor een Europa-brede progressieve belastingheffing. Daardoor zijn landen via de belastingen met elkaar gaan concurreren en is de ongelijkheid binnen Europa toegenomen. Voor individuele landen is het niet te doen om een progressieve heffing in te voeren: de rijkste inwoners gaan dan ergens anders wonen, in de wetenschap dat ze hun bedrijf gewoon kunnen voortzetten. De huidige voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, was als minister-president van Luxemburg de kampioen van de belastingvoordelen. Dat landen elkaar via de belastingen beconcurreerden kwam de grote bedrijven natuurlijk goed uit.

Maar er zijn meer fouten gemaakt. Op andere gebieden heeft de EU juist meer geharmoniseerd dan nodig was. Dit buitensporige enthousiasme voor eenheid in regelgeving is een van de dingen die de problemen tussen de EU en de Britten hebben veroorzaakt. De nadelen van deze regelzucht zijn duidelijk, de voordelen niet – behalve dan misschien voor de Brusselse bureaucraten die het gewoon lekker lijken te vinden om regels uit te vaardigen. Waarom zouden autoruiten of zou roomijs overal in Europa aan precies dezelfde eisen moeten voldoen (nog los van de vraag of die eisen te strikt of juist te soepel zijn)? De economische relatie tussen Amerika en Canada verloopt heel voorspoedig, er is tussen beide landen veel handel, zonder dat daarbij op elk moment zulke regels om de hoek komen kijken.

Harmonisatie gewenst

De EU had de volgende simpele afweging moeten hanteren: als een gebrek aan harmonisatie belangrijke grensoverschrijdende gevolgen heeft, dan kan harmonisatie wenselijk zijn. Nu zou je kunnen denken dat er sprake is van oneerlijke concurrentie als roomijs in Groot-Brittannië geen room hoeft te bevatten terwijl dat in Italië wel moet. Engels roomijs kan dan immers goedkoper geproduceerd worden. Grappig genoeg zou dat in de ideale neoliberale wereld helemaal geen probleem zijn. Engels roomijs – of bepaalde Engelse merken roomijs zonder room – zou een slechte naam krijgen. Consumenten zouden goed geïnformeerd zijn en op basis daarvan de afweging maken of ze voor room extra wilden betalen. Zo ja, dan kozen ze Italiaans roomijs, zo niet, dan namen ze het Engelse product. In werkelijkheid zijn consumenten helemaal niet zo goed geïnformeerd, maar voor dat probleem is er een veel eenvoudiger oplossing dan de eis dat roomijs een bepaalde hoeveelheid room moet bevatten: stel gewoon verplicht dat het roomgehalte duidelijk vermeld wordt op de verpakking. Lever de relevante informatie en laat de keuze over aan de consument.

Met autoruiten ligt het iets ingewikkelder. Misschien is het iets goedkoper als alle auto’s hetzelfde soort glas hebben – maar veel zal het niet schelen. Tussen Amerika en Europa zijn er probleemloos auto’s verhandeld met verschillende soorten glas. Over het standaardiseren van kleuren hoeven we het niet te hebben. Misschien zou het iets goedkoper zijn als alle fabrikanten hun auto’s zwart konden spuiten – maar niet iedereen wil een zwarte auto en het voordeel van keuzevrijheid voor de consument is duidelijk veel groter dan de gemiddelde kostenbesparing die het gevolg zou zijn van het gebruik van slechts één kleur. Zo zijn ook de kosten van het aanpassen van auto’s aan verschillende soorten ramen – getint of niet, onbreekbaar of niet – te verwaarlozen.

Daarentegen zou een standaard voor genetisch gemodificeerde zaden wel nuttig kunnen zijn. Zulke zaden kunnen door de wind de grens over geblazen worden en terechtkomen in een genvrije akker. Voor veel Europeanen is het heel belangrijk om te weten of hun voedsel genetisch gemodificeerd is, en ze zijn bereid om extra te betalen voor genvrije producten. Genetisch gemodificeerde zaden die de grens over zweven vormen in die zin een externaliteit, een grensoverschrijdende schade. Hier zou uniforme regelgeving nodig kunnen zijn. Maar ook hierbij is het nog mogelijk om handel te drijven zonder uniforme regelgeving. De regels in Europa kunnen best anders zijn dan die in Amerika. Natuurlijk moeten consumenten als ze dat willen kennis kunnen nemen van die regels. Bij de onderhandelingen tussen Amerika en Europa hebben de Amerikanen geëist dat de consumenten geen inzicht krijgen – dat er geen informatie over genetische modificatie verstrekt hoeft te worden, omdat dat nadelig zou kunnen zijn voor Amerikaanse producenten van genetisch gemanipuleerd voedsel. Het is heel begrijpelijk dat Europa vasthoudt aan die informatieplicht: zwichten voor de Amerikaanse druk zou het welzijn van de Europeanen bepaald niet ten goede komen. Vooralsnog heeft Europa in dit geval de rug recht weten te houden.

Het is bij regelgeving dus van belang om steeds weer de voors en tegens goed tegen elkaar af te wegen, en maar al te vaak lijkt dat niet te gebeuren. Soms, niet altijd, lijkt het erop dat de belangen van de grote bedrijven de doorslag geven. We zagen dat ook al bij de zogeheten structurele hervormingen die in de crisislanden moesten worden toegepast. Dat Griekenland gedwongen werd om tien dagen oude melk als ‘vers’ te bestempelen diende geen enkel redelijk doel – maar het was wel gunstig voor de grote zuivelconcerns uit Nederland en andere landen.

De koppeling tussen vrijhandel, liberalisering van financiële markten, mensenrechten en onbelemmerde migratie. Tijdens de referendumcampagne werd door velen, onder wie premier Cameron, gesuggereerd dat het Verenigd Koninkrijk maar het beste in de EU kon blijven, omdat het zo ‘de beste van alle mogelijke werelden’ had. Het was niet opgezadeld met die onmogelijke euro maar kende wel alle voordelen van economische integratie met de EU. Het is lastig om de voordelen op een overtuigende manier te kwantificeren en hierboven heb ik betoogd dat de baten ook gepaard gaan met kosten.

Wil het Verenigd Koninkrijk een bevoorrechte positie krijgen (dus meer dan waar het volgens de regels van de Wereldhandelsorganisatie sowieso recht op heeft) dan zal het, zo vinden veel Europeanen, akkoord moeten gaan met het principe van vrije migratie. Op die manier proberen ze handelsintegratie en financiële integratie enerzijds en arbeidsmarktintegratie anderzijds aan elkaar te koppelen. Maar zo’n koppeling heeft weinig zin. De concurrentiepositie van Britse banken of autofabrikanten wordt er echt niet beter van dat het land een streng migratiebeleid voert. Integendeel zelfs, als men de Europese retoriek over de zegeningen van het vrije verkeer van arbeidskrachten mag geloven. Wie zich zorgen maakt over ‘oneerlijke’ concurrentievoordelen op de arbeidsmarkt moet eerder denken aan te lage minimumlonen, slechte ontslagbescherming en verzwakking van de positie van de vakbonden, allemaal zaken waardoor de arbeidskosten omlaag gaan. Maar daar hoor je Europa nooit over – een aanwijzing te meer dat de Europese economische agenda meer gericht is op het dienen van bedrijfsbelangen dan op het bevorderen van ‘eerlijke handel’.

Tegelijk houdt Europa zich actief bezig met mensenrechten. In sommige gevallen gaat het daarbij ook over de rechten van werknemers, zoals bepaalde vereisten op het gebied van arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden. Opmerkelijk genoeg waren het dit soort dingen die maakten dat velen binnen Labour pleitten voor blijven (onder wie partijleider Jeremy Corbyn, die verder weinig ophad met de EU), terwijl sommige Conservatieven hierom juist uit de EU wilden.

Binnen de financiële sector werd geroepen dat men zonder de interne markt, zonder vrij verkeer van arbeidskrachten, en geconfronteerd met verschillen in regelgeving, gedwongen zou zijn om weg te gaan uit Londen en zich ergens anders te vestigen. Ook dat is eigenlijk onzin. We zagen al dat de grote banken wereldwijd opereren. De Amerikaanse derivatenhandel verloopt grotendeels via Londen. De financiële transacties in belastingparadijzen als de Kaaimaneilanden vinden in werkelijkheid vrijwel allemaal plaats in Londen en New York. Op de eilanden zelf bevindt zich doorgaans weinig meer dan een brievenbus, het echte werk gebeurt elders. Bovendien, banken en andere financiële instellingen weten inmiddels echt wel hoe ze om moeten gaan met een veelheid aan jurisdicties (alleen al in Amerika zijn er vijftig toezichthouders op het verzekeringswezen). Natuurlijk zouden ze het liefst met niet meer dan één systeem werken – maar dan wel graag het systeem met de minste regels. En dat is misschien wat er echt achter zit: binnen de EU is Groot-Brittannië altijd de sterkste pleitbezorger geweest voor summiere regelgeving, zowel onder conservatieve als onder Labourregeringen. Mogelijk is de financiële sector bang dat zonder het Britse tegengeluid de Europese regelgeving strenger zal worden.

De werkelijke kosten – of baten – zouden wel eens van politieke aard kunnen zijn In de directe nasleep van het Brexit-referendum is het vooral gegaan over de economische gevolgen. Maar de politieke gevolgen zouden wel eens veel belangrijker kunnen zijn, voor zowel het Verenigd Koninkrijk als Europa. De Brexit betekent een breuk met een integratieproces dat al meer dan honderd jaar gaande is. Sommigen zijn bang dat Schotland, dat in overgrote meerderheid voor blijven stemde, zich nu van het Verenigd Koninkrijk zal afscheiden. Of dat de Brexit een nieuwe impuls zal vormen voor separatistische bewegingen in Spanje en andere landen.

Ook bestaat de vrees, met name als het VK het economisch redelijk goed zou doen, dat de Brexit een stimulans zal vormen voor Italiaanse, Griekse, Spaanse of Portugese kiezers om de eurozone te verlaten. Maar wat het VK doet, speelt hierbij een totaal ondergeschikte rol. In werkelijkheid vormt de genadeloze bezuinigingspolitiek van de Europese Commissie waarschijnlijk een veel sterkere aansporing om uit de eurozone te stappen. De Commissie dreigt met strafmaatregelen tegen Spanje en Portugal omdat die na jaren van pijnlijke bezuinigingen hun begrotingstekort nog niet voldoende omlaag hebben gekregen. De eurozone zal ophouden te bestaan – niet door de Brexit maar door haar eigen falen.

Hopelijk worden de Europese leiders door het Brexit-referendum wakker geschud. De EU moet democratischer worden, meer democratische verantwoording afleggen en meer economische groei realiseren. Anders kan men verdere politieke of economische integratie vermoedelijk wel vergeten. Dat de EU haar economische beloften voor grote delen van de bevolking niet heeft weten waar te maken, komt niet door economische natuurverschijnselen maar door haar eigen economische beleid, dat maar al te vaak bepaald is door een neoliberale ideologie en door de belangen van de grote bedrijven.

Hoe nu verder

De Britten die binnen de EU wilden blijven, hanteerden de mantra ‘Remain and Reform’, streef naar hervormingen van binnenuit. En inderdaad, er zal hervormd moeten worden, wil de EU in stand blijven en welvaart realiseren – waarbij ik onder welvaart niet alleen een groei van het bbp versta maar ook een eerlijke verdeling van de welvaart, en het hooghouden van democratische waarden. Het moet zo zijn dat de Europese burgers echt in de EU willen blijven – vanwege de voorspoed die dat hun biedt, niet uit angst voor represailles van de kant van hun buren en vrienden als ze eruit zouden stappen.

De discussie over hervormingen die na het Brexit-referendum in Europa is ontstaan, verloopt bijna net zo verbitterd als de campagne in Groot-Brittannië zelf. Het besef is doorgebroken dat er een diepe kloof gaapt tussen de politieke en de economische integratie, een kloof die aan de basis ligt van de problemen van zowel de EU als de euro. Ik heb in mijn boek De Euro betoogd dat er meer Europa nodig is om van de euro een succes te maken. Niet noodzakelijk een federaal Europa zoals de Verenigde Staten, waar tweederde van de openbare uitgaven op nationaal niveau worden gedaan, maar wel veel meer dan er nu is. Het alternatief is minder, wat dan ook het afschaffen van de gemeenschappelijke munt zou inhouden.

Wat we nu hebben is een situatie van noch vlees noch vis en volgens mij is die niet houdbaar. Iets dergelijks geldt voor de EU in bredere zin. Willen regels die overal in Europa gelden succesvol zijn, dan moet men erop kunnen vertrouwen dat ze in het belang zijn van iedereen en niet alleen van de grote concerns. Het vrije verkeer van arbeidskrachten kan alleen goed werken als er een beter economisch systeem wordt opgezet – om ervoor te zorgen dat er meer landen komen met volledige werkgelegenheid en dat overal het stelsel van sociale zekerheid op orde is. De lasten moeten zowel binnen landen als tussen landen onderling eerlijker verdeeld worden, ook de lasten van sociale zekerheid voor arbeidsmigranten.

Een economische unie kan niet bestaan zonder dat risico’s en lasten tot op zekere hoogte samen gedragen worden. Het schiet niet op almaar te blijven roepen dat Europa ‘geen transferunie’ is. Veel Europese leiders waren er als de kippen bij om te betogen dat ‘meer Europa’ geen optie is, omdat Europa daar nog niet klaar voor zou zijn. Maar als Europa daar niet klaar voor is, dan is Europa ook niet klaar voor een gemeenschappelijke munt, vrije arbeidsmigratie of een interne markt. De stelling die ik in mijn boek De Euro heb verdedigd is dat een gemeenschappelijk munt meer Europa vereist. En de stelling van dit artikel luidt dat ook een interne markt en vrije arbeidsmigratie meer Europa vereisen. En economisch gezien stelt het niet eens zoveel voor. Europa kan dat best. Of het ook politiek haalbaar is, gegeven de huidige politieke situatie in Europa, is een andere vraag.

Hervormingen noodzakelijk

Wat moet er gebeuren om de euro aan de praat te krijgen? In mijn boek heb ik de beleidsagenda voor de euro uiteengezet en die omvat belastingharmonisatie, een Europees progressief belastingstelsel, een Europees sociaal vangnet, en industriepolitiek als middel voor landen om hun eventuele achterstand in te lopen.Meerdere onderdelen van die agenda zijn ook voor de EU in bredere zin van toepassing. En op deze plek heb ik een aantal andere noodzakelijke hervormingen onder de aandacht gebracht, zoals een verstandiger handels‑ en migratiebeleid, dat rekening houdt met de kosten van migratie op nationaal niveau en bij verdelingsvraagstukken, met de ongelijke lastenverdeling als gevolg van handelsliberalisering en migratie, en dat voorziet in Europese steunmaatregelen voor landen en groepen die daar onevenredig zwaar onder lijden. Net als bij de euro geldt ook hier: problemen die in gemeenschappelijkheid veroorzaakt zijn moeten in gemeenschappelijkheid worden aangepakt.

Integratie van migranten in lokale gemeenschappen kost tijd en vergt ook middelen. Maar zonder integratie neemt de kans op negatieve gevolgen alleen maar toe. Daarom zouden landen het recht moet hebben om migratie enigszins te beperken. De landen waar de migranten vandaan komen zouden ook enigermate gecompenseerd moeten worden voor het verlies aan menselijk kapitaal waar ze eerst in geïnvesteerd hebben.

De omvang van de benodigde beperkingen hangt natuurlijk af van de mate van Europese solidariteit, en van het welslagen van het Europese project in bredere zin. Als meer Europese landen erin slagen een situatie van volledige werkgelegenheid te bereiken zullen de lasten automatisch eerlijker verdeeld worden en zal de bereidheid om nieuwe migranten op te nemen toenemen.

Maar als Europa doorgaat met het verslechteren van de onderhandelingspositie van werknemers en als (mede daardoor) de lonen nauwelijks omhoog gaan, dan zal de weerstand tegen het opnemen van migranten toenemen. Als de EU meer budget zou krijgen, en een groter deel van dat geld zou besteden aan het mogelijk maken van migratie – in plaats van aan subsidies voor grote landbouwconcerns of het redden van financiële instellingen – dan valt er een positievere opstelling tegenover migratie te verwachten.

Het allerbelangrijkste is dat de EU onderkent wat er aan de hand is in Europa. Net als in de Verenigde Staten zien we een groeiende kloof, een politieke elite die het contact met de werkelijkheid verloren heeft, economische stilstand voor grote delen van de bevolking en een economie die haar beloften voor veel (in sommige landen: de meeste) mensen niet waarmaakt. Aan beide kanten van de Atlantische Oceaan wordt de middenklasse uitgehold, met vergelijkbare gevolgen.

Er is sprake van woede, begrijpelijke woede. Maar stemmen vanuit woede – zoals bij het Brexit-referendum een (beslissend) aantal kiezers gedaan heeft – lost de problemen niet op. Mogelijk komen er dan politici aan de macht en ontstaat er een politiek-economische situatie waardoor deze stemmers nog slechter af zijn. Het heeft in elk geval geen zin om elkaar verwijten te gaan maken en boos te worden op degenen die ‘verkeerd’ gestemd hebben. Of op de politici die duidelijk beter hun best hadden moeten doen om het vertrouwen van de kiezers te winnen met hun beloften over hervormingen en over een hernieuwde EU die haar beloften nu wél waar zou maken. In Groot-Brittannië werden de gevestigde partijen gezamenlijk als schuldig beschouwd. Het feit dat conservatieven en Labour zich allebei uitspraken tegen een Brexit heeft bij degenen die zich verraden voelden door het beleid van de laatste dertig jaar mogelijk het beeld versterkt van een Londense tweepartijen-elite die weer eens probeerde het beleid van het establishment door te drukken.

Het Europese project was bedoeld om de volken en de landen van Europa nader tot elkaar te brengen. In sommige opzichten is dat ook gelukt. In heel Europa zien jongeren zichzelf nu als Europeanen. Ook in Groot-Brittannië stemde ongeveer driekwart van de jonge kiezers voor ‘blijven’. Zij waren hoopvol, ze koesterden de hoop dat de EU kon en zou worden hervormd. Misschien ging het gewoon om naïef jeugdig enthousiasme. De ouderen hadden de hoop al opgegeven, en niet zonder reden. Die hadden gezien hoe een project, gericht op solidariteit en welzijn, in zijn tegendeel was verkeerd. Hoe het gegijzeld leek te worden door het bedrijfsleven en door een neoliberale ideologie. Hoewel de allerergste gevolgen het Verenigd Koninkrijk bespaard bleven, doordat de Britse leiders zo verstandig waren geweest om buiten de euro te blijven, wisten de talrijke werklozen en de nog talrijker laagbetaalde werknemers dat ze er beroerd aan toe waren. Ze wisten gewoon dat het systeem niet eerlijk was, ze wisten dat ze waren voorgelogen door de politici met hun beloften van voorspoed. Te veel Britten hadden niet alleen de hoop laten varen, maar hadden ook het vertrouwen verloren. En dat kwam tot uiting in het stemhokje.

Moedeloos

Van wat ik na de Brexit zowel in Europa als in Groot-Brittannië hoor zeggen word ik nu eens hoopvol en dan weer moedeloos. Moedeloos omdat zovelen kennelijk niet zien wat er eigenlijk aan de hand is. Moedeloos vanwege de onverzoenlijke houding die tentoon wordt gespreid door leiders die zo braaf aan de leiband van het bedrijfsleven hebben gelopen – en die zelf zozeer deel zijn van de huidige problemen van Europa. Moedeloos omdat het kennelijk zo lastig is om deze leiders enig economisch besef bij te brengen, om hervormingen in de structuur van de eurozone door te voeren waar Europa echt en in gezamenlijkheid beter van zou worden. Als ze de voor de hand liggende hervormingen al niet voor elkaar krijgen, hoe moet het dan met de meer structurele hervormingen die nodig zijn om van de EU een politiek en economisch succes te maken?

Een van de economische basisprincipes is dat je het verleden moet laten rusten. Aan beide kanten van het Kanaal zou de politiek nu moeten proberen te begrijpen waar de woede onder de bevolking precies vandaan komt, hoe het kan dat in een democratisch systeem het politieke establishment zo weinig gedaan heeft om tegemoet te komen aan de zorgen van zo velen. Men zou moeten proberen om dat alsnog te doen, en wel nu: om zowel binnen de afzonderlijke landen als door grensoverschrijdende regelingen te komen tot een nieuw, democratischer Europa, met als doel het bevorderen van het welzijn van gewone mensen.

Dat gaat niet lukken met de neoliberale ideologie die nu al ruim dertig jaar leidend is. En het gaat zeker niet lukken als we doelen en middelen door elkaar halen. De euro is geen doel maar een middel. Als dit middel goed wordt ingezet, zal het misschien leiden tot een grotere en gedeelde welvaart. Zo niet, dan zal het zeker leiden tot een lagere levensstandaard voor veel mensen, misschien zelfs voor de meeste mensen. Ik word er moedeloos van dat zo weinig leiders, in Europa net zomin als in Groot-Brittannië, dit inzien.

En toch nog hoop

Maar naast al deze redenen voor pessimisme zijn er ook redenen voor hoop, en die zijn misschien nog wel belangrijker. Het is een hoopvol teken dat zo veel mensen in heel Europa hebben vastgehouden aan hun geloof in het Europese project. Ook in landen waar alle reden bestaat voor wanhoop koesteren mensen toch nog hoop, hoop dat de EU kan en zal worden hervormd. Er zijn Europese politici die de ideeën die ik hier schetste begrijpen, die de politiek ingegaan zijn vanuit het geloof dat een democratisch beleid veranderingen teweeg kan brengen waar gewone mensen beter van worden. En in heel Europa zijn met name jongeren met tienduizenden de straat op gegaan voor een ander Europa, een Europa bijvoorbeeld waar handelsakkoorden niet alleen goed zijn voor grote bedrijven maar voor iedereen.

Gelukkig zijn er alternatieven voor de huidige regelingen, alternatieven die kunnen leiden tot welvaart voor allen. Het is de uitdaging om van het verleden te leren, om zo de economie en de politiek van de toekomst gestalte te geven. Het Brexit-referendum was een schok. Ik hoop dat deze schok zowel in Europa als in Groot-Brittannië golven van verandering teweeg zal brengen die zullen leiden tot deze nieuwe hervormde Europese Unie.

* Dit is een bewerkte versie van de epiloog uit het nieuwste boek van Joe Stiglitz, 2016, De euro - Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt. Met voorwoorden van Robert Went en Geert Noels. Athenaeum—Polak & Van Gennep, Amsterdam, 472 blz., ISBN 978 90 253 0087 6.

Gerelateerde artikelen

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik