Back

Artikel

Home

Een prikkelend antidopingvoorstel voor de wielersport

11 jul 2009
Onderwerpen: Kunst en cultuur, Sport
Lance Armstrong en George Hincapie tijdens de Tour de France 2006 Het gebruik van doping in de wielersport is bijna onuitroeibaar. En het huidige antidopingbeleid dat gebaseerd is op opsporing en straffen lijkt daar geen verandering is te brengen. Volgens de Groningse (sport)econoom Ruud Koning is logischer om te kijken naar prikkels die doping geen aantrekkelijk alternatief maken. Een oplossing is om prijzengeld en salaris in de vorm van een pensioen uit te keren als blijkt dat tijdens de carrière geen doping is gebruikt.

Doping in de Tour

Het is zomer en dat betekent dat één van de grootste sportevenementen ter wereld weer wordt verreden. Zaterdag 4 juli is de Tour de France van start gegaan, en volgens de traditie zullen op zondag 26 juli een beperkt aantal renners de eindstreep in Parijs bereiken. Evenzeer volgens traditie is de start van de Tour voorafgegaan met verbaal wapengekletter, niet zozeer tussen rijders onderling (het zijn wielrenners, geen boxers), maar van de kant van de anti-dopingautoriteiten. Een paar dagen voor de Tour werd bekend gemaakt dat het Nederlandse talent Thomas Dekker mogelijkerwijze doping heeft gebruikt. Zijn werkgever heeft hem op non-actief gesteld en Dekker rijdt dus niet mee in Frankrijk. Ongetwijfeld zullen tijdens de Tour de France één of meerdere deelnemers worden betrapt op het gebruik van doping, dat was in elk geval de afgelopen jaren wel het geval. Waarom is het nu zo moeilijk doping in de wielrensport uit te bannen?

Doping is niet nieuw…

Doping in de wielrensport is niet een verschijnsel van vandaag of gisteren. In 1896 overleed de wielrenner Arthur Linton op 24-jarige leeftijd, waarschijnlijk deels ten gevolge van dopinggebruik. De drie gebroeders Pellesier gaven in 1924 volmondig toe de Tour de France op doping te rijden, en Fausto Coppi gebruikte ‘la bomba’ (amfetaminen) als hij die nodig had. Pas in 1964 werden de eerste dopingtesten ingevoerd in de Tour, dus sindsdien is dopinggebruik beter gedocumenteerd. De lijst van overtredingen sinds 1964 toont aan dat doping van alle tijden is, en door wielrenners uit alle landen is gebruikt. De verzorger van de Nederlands Olympische wielerploeg werd in 1968 tot zijn grote verbazing teruggestuurd naar huis, omdat hij de wielrenners gaf waar zij om vroegen. Vrijwel alle grote namen in de sport zijn op de een of andere manier wel met dopinggebruik geassocieerd. Daar waar wielrenners niet tijdens hun carrière zijn betrapt op dopinggebruik, hebben velen dat na afloop van die loopbaan wel toegegeven (Maarten Ducrot, Freddy Maertens, Steven Rooks, Peter Winnen, Bjarne Riis, om maar een paar te noemen). Empirisch is zo vastgesteld dat niet alle dopingtesten een perfect onderscheidend vermogen hebben.

…maar een beter begrip van de prikkels wel

Welke prikkels verhogen nu de kans dat een sporter doping gebruikt? Vanuit een economisch perspectief bieden twee verschillende modellen inzicht in het dopinggebruik. Allereerst is de rechtseconomie bruikbaar (zie bijvoorbeeld Ehrlich, 1996), waar men uitgaat van nutsoptimerende individuen. Verwachte voordelen van dopinggebruik zijn een hogere kans op prijzengeld, meer titels, hoger basisinkomen, en hogere persoonlijke sponsorinkomsten. Aan de andere kant brengt dopinggebruik directe kosten met zich mee (1), maar ook immateriële kosten zoals gezondheidsrisico’s, het stigma als het dopinggebruik ontdekt wordt, etc. Pas als de toename in het verwachte nut een bepaalde kritische grens overschrijdt, zal een wielrenner doping gaan gebruiken. Die grens reflecteert de normen en waarden van de wielrenner en van de ploeg waarin hij rijdt. In een dergelijk raamwerk zullen wielrenners sneller doping gebruiken als de verwachte opbrengsten toenemen. De prijzengelden zijn immers sterk gestegen de afgelopen jaren en daarmee ook de prikkel om doping te gebruiken. Daarnaast zal het stigma-effect van een betrapte gebruiker dopinggebruik niet tegengaan: iedereen doet het toch? Dopingcontrole brengt echter ook kosten met zich mee: niet alleen zijn de beperkingen waaraan topsporters in het algemeen en wielrenners in het bijzonder zich aan moeten onderwerpen zeer stringent, ook directe financiële kosten van het controleapparaat zijn niet verwaarloosbaar (2). De verrassende conclusie – althans voor niet-economen - van deze economische analyse is dat het maatschappelijk niet efficiënt is een dopingvrije Tour na te streven.

Een iets andere kijk op de zaak biedt de speltheorie, waarin een wielrenner zijn winstkansen in de concurrentie met anderen kan verhogen door doping te gebruiken. Anders dan in de rechtseconomie, staat hier de directe sportieve strijd met de andere wielrenners centraal. Als alle wielrenners ongeveer even goed zijn, kan een beetje epo net helpen om een wedstrijd te winnen. In het meest eenvoudige geval wint een gedrogeerde renner altijd van een schone renner. De verleiding om doping te gebruiken neemt dan toe als de het verschil in prijzengeld tussen de eerste en tweede plaats toeneemt, het aantal wedstrijden per seizoen toeneemt, en de gepercipieerde (gezondheidheids)kosten van doping afnemen (Eber and Thépot, 1999). Deze ontwikkelingen hebben inderdaad plaatsgevonden in het wielrennen, dus een toename van het dopinggebruik is niet zo verbazingwekkend (3).

Hoe nu verder?

Allereerst kunnen we ons afvragen of we dopinggebruik wel zo erg moeten vinden. Professionele sporters staan onder strikt medisch toezicht, medische risico’s lijken beperkt. Gedrogeerde atleten hebben misschien wel een sportief voordeel ten opzichte van schone atleten, maar goed, talent en trainingsfaciliteiten zijn ook niet gelijk verdeeld. Niet elke wielrenner heeft een even grote kans om te winnen, of hij nu doping gebruikt of niet. Het is misschien vervelender voor de sport zelf, die een slecht imago krijgt en niet altijd de beste schone atleet laat winnen. Zolang steden in Nederland nog de start van de Vuelta (Assen, 2009), de Giro d’Italia (Amsterdam, 2010) en de Tour de France (Rotterdam, 2010) willen organiseren, lijkt het met dat imagoprobleem wel mee te vallen. We kunnen hooguit zeggen dat het niet leuk is dat de uitslag van een wedstrijd soms pas later bekend kan worden gemaakt, na alle dopingtesten en bijbehorende rechtszaken.

Prikkelende oplossing

Het huidige antidopingbeleid is gebaseerd op opsporing en straffen, veel minder op het stellen van prikkels die doping geen aantrekkelijk alternatief maken. Zolang wielrenners nog van elkaar denken of weten dat ze doping gebruiken, is er weinig hoop dat normbesef zal leiden tot ander gedrag. Bovendien duurt het tegenwoordig zo lang voordat alle dopingtesten zijn uitgevoerd en rechtszaken zijn afgehandeld dat de kosten van eventuele straffen laag zijn. Naast de bestaande instrumenten zou het daarom goed zijn prijzengeld en een deel van het salaris als wielrennerspensioen uit te keren, wanneer is gebleken dat de wielrenner geen doping heeft gebruikt. De dreiging van verlaagde pensioenaanspraken zou vooral afschrikwekkend kunnen werken voor oudere wielrenners, traditioneel een groep die vaker doping gebruikt. In hoeverre nu veel te verwachten is van de strijd tegen doping in the wielrennen, weet ik niet. Zolang men in grote getale naar de Tour blijft kijken, en sponsoren niet massaal weglopen na het zoveelste dopinggeval, zie ik eigenlijk niet zoveel veranderen. De Tour gaat altijd door, die wacht op niemand.

Voetnoten

  1. De Groningse hoogleraar therapeutische genmodulatie Hidde Haisma schatte recent de marginale productiekosten van bruikbare gendoping op slechts enkele honderden euro's.
  2. Om een voorbeeld te geven van de beperkingen, topsporters kunnen niet zomaar gewone medicatie nemen op een moment dat u en ik dat wel zouden doen, er wordt een biologisch paspoort bijgehouden, topsporters moeten beschikbaar zijn voor niet aangekondigde controles, etc.
  3. Dit model wordt uitgebreid in Berentsen (2002) en Berentsen en Lengwiler (2004), waarin wordt toegelaten dat atleten verschillend talent hebben, en dat zij hun gedrag aanpassen aan het dopinggebruik in de groep.

Referenties

Berentsen, A. (2002) ‘The economics of doping’ European Journal of Political Economy 18: 109-127.

Berentsen, A. en Y. Lengwiler (2004) ‘Fradulent accounting and other doping games’ Journal of Insitutional and Theoretical Economics 160: 402-415.

Eber, N. en J. Thépot (1999) ‘Doping in sport and competition Design’ Recherches Economiques de Louvain 65: 435-446.

Ehrlich, I. (1996) ‘Crime, punishment, and the market for offenses’ Journal of Economic Perspectives 10: 43-67.

Volledig artikel
© copyright 2016 Mejudice
Privacybeleid Voorwaarden voor gebruik